Veroordeling van feitelijk leidinggever tot gevangenisstraf voor het niet voeren en niet beschikbaar stellen van de administratie van vijf vennootschappen
/Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4943
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een bestuurder als feitelijk leidinggever van vijf besloten vennootschappen voor het opzettelijk niet voeren van een administratie en het niet beschikbaar stellen van de boeken aan de Belastingdienst. Bij twee vennootschappen is daarnaast de bewaarplicht geschonden. De bestuurder biedt de belastinginspecteur inlogcodes van zijn boekhoudprogramma aan, maar het hof oordeelt dat dit geen aanvaardbare wijze van inzage is en dat aangeboden ruwe data geen administratie in de zin van artikel 52 AWR vormt. Het verweer dat een van de vennootschappen nooit activiteiten ontplooit, treft geen doel omdat ook dan de vermogenspositie kenbaar moet zijn. Medeplegen acht het hof niet bewezen, omdat de bestuurder zelf de kwaliteit van belastingplichtige bezit en de rechtspersoon geen eigen bijdrage levert die zich daarvan onderscheidt. Het hof legt een gevangenisstraf van twaalf maanden op en ontzet de bestuurder voor drie jaren uit het beroep van bestuurder van een rechtspersoon.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1972, en gedurende de tenlastegelegde periode middellijk en feitelijk bestuurder van vijf besloten vennootschappen. De belastinginspecteur kondigt op 14 september 2021 voor alle vijf vennootschappen een boekenonderzoek aan en verzoekt de administratie op het controleadres beschikbaar te houden. De controleambtenaar houdt een logboek bij van de contactmomenten en verzoekt daarin meermaals om contact en om inzage in de administratie. Die inzage blijft uit. Op 10 juli 2024 vindt een doorzoeking plaats, waarbij fysieke en digitale gegevens in beslag worden genomen die geen volledige administratie bevatten.
De zaak dient in hoger beroep. De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft de verdachte bij vonnis van 23 januari 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en ontzet uit het beroep van bestuurder voor vijf jaren. Alleen de verdachte heeft hoger beroep ingesteld. Voor zover hij in eerste aanleg is vrijgesproken van onderdeel a van elk feit, is hij niet-ontvankelijk in dat beroep. Het hof vernietigt het vonnis om doelmatigheidsredenen en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan fiscale delicten van de vijf vennootschappen. Het gaat telkens om drie onderdelen: het opzettelijk niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers (onderdeel b), het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen (onderdeel d) en het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers (onderdeel e), telkens terwijl de feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven.
De strafbaarstelling volgt uit de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het wettelijk kader voor de verplichtingen ligt in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, AWR (beschikbaar stellen), artikel 52, eerste lid, AWR en artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek (voeren van een administratie) en artikel 52, vierde lid, AWR (bewaarplicht van zeven jaren). Het feitelijk leidinggeven berust op artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en dat ook medeplegen bewezen is, nu de verdachte de feiten tezamen en in vereniging met de rechtspersoon heeft gepleegd. Volgens de advocaat-generaal moet het in de tenlastelegging opgenomen "tot en met heden" worden opgevat als tot en met de dag van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg, te weten 21 oktober 2024. De advocaat-generaal vordert een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en ontzetting van de verdachte uit het beroep van statutair en feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon voor vijf jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw bepleit vrijspraak van alle feiten. Zij voert aan dat bij de verdachte geen duidelijkheid heeft bestaan over wat hij aan de medewerker van de Belastingdienst diende aan te leveren, en dat de verdachte de administratie uit het boekhoudprogramma wel heeft willen verstrekken en facturen had willen aanleveren als daarnaar was gevraagd.
Verder betoogt de raadsvrouw dat er wel een administratie in de zin van artikel 52 AWR aanwezig was. Dat de stukken nog verdere verwerking behoefden ten aanzien van de allocatie naar grootboekrekeningen of jaarcijfers, maakt volgens haar niet dat de administratie niet aan artikel 52 AWR voldeed. De verdachte duidt die administratie ter zitting aan als ruwe data.
Ten aanzien van het niet voeren van een administratie voert de raadsvrouw aan dat een van de vennootschappen nooit activiteiten heeft ontplooid en dat om die reden geen administratie gevoerd kon worden, en dat in de overige vennootschappen, anders dan in de vennootschap met de meeste activiteiten, weinig activiteiten hebben plaatsgevonden.
Oordeel gerecht
Het hof acht wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor een bewezenverklaring van alle feiten en behandelt de onderdelen b, d en e afzonderlijk.
Voor onderdeel b sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank en neemt deze over. Onder het voor raadpleging beschikbaar stellen wordt verstaan dat de belastinginspecteur binnen redelijke termijn en op begrijpelijke wijze kennis kan nemen van de gevraagde stukken; het verstrekken van niet gerangschikte, onbegrijpelijke of niet verifieerbare gegevens voldoet daaraan niet. De Belastingdienst heeft in de gehele tenlastegelegde periode geen inzage verkregen. Het hof verwerpt de opvatting dat de verdachte aan zijn verplichting heeft voldaan door aan te bieden de inlogcodes voor het boekhoudprogramma te verschaffen. Dat is geen gebruikelijke en acceptabele methode om inzage te verstrekken, terwijl het programma de mogelijkheid kent auditfiles beschikbaar te stellen; het is aan de verdachte die auditfiles aan te leveren. Bovendien is het aanbod gedaan op een moment dat de administratie volgens de verdachte nog niet compleet was, en uit het logboek blijkt dat die op geen enkel later moment wel compleet was.
Voor onderdeel d neemt het hof eveneens de overwegingen van de rechtbank over. De aangetroffen stukken bevatten geen volledige grootboek-, voorraad-, debiteuren-, crediteuren- of in- en verkoopadministratie. Ter aanvulling overweegt het hof dat de verdachte zelf heeft verklaard dat er nog geen jaarstukken zijn en dat de jaarrekeningen niet zijn opgesteld en gedeponeerd. Dat de verdachte over ruwe data beschikt, betekent niet dat aan de administratieplicht van artikel 52, eerste lid, AWR is voldaan. Het is niet de bedoeling van een administratie dat alle ruwe data ongeordend beschikbaar zijn; het hof vergelijkt dit met een digitale schoenendoos waaruit de belastinginspecteur zelf een overzichtelijk geheel zou moeten maken, hetgeen uitdrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever is. Dat in een van de vennootschappen weinig bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden, ontslaat de verdachte niet van de administratieplicht, omdat ook dan verplichtingen of vorderingen kunnen ontstaan en de vermogenspositie kenbaar moet zijn.
Voor onderdeel e neemt het hof de overwegingen van de rechtbank over. Ten aanzien van twee vennootschappen is voor in elk geval een groot aantal facturen niet voldaan aan de bewaarplicht van artikel 52, vierde lid, AWR. Ten aanzien van de drie overige vennootschappen kan schending van de bewaarplicht niet uit het dossier worden afgeleid, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over het daderschap van de rechtspersonen en het feitelijk leidinggeven over. De verboden gedragingen hebben binnen de sfeer van de rechtspersonen plaatsgevonden en kunnen aan hen worden toegerekend. De verdachte was als feitelijk enig bestuurder verantwoordelijk voor de administratie en voor het voldoen aan de verzoeken van de belastinginspecteur, en heeft feitelijke leiding gegeven aan de door de rechtspersonen begane feiten. Dit geldt ook voor de vennootschap waarvan een ander als medebestuurder stond ingeschreven, nu die ander nooit leidinggevende activiteiten heeft verricht. Ook het opzet neemt het hof aan: de verdachte kende zijn verplichtingen en is die bewust niet nagekomen, en voor zover hij daartoe zelf niet in staat was, lag het op zijn weg tijdig deskundige derden in te schakelen en van gegevens te voorzien.
Medeplegen acht het hof niet bewezen. Onder verwijzing naar HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5140, overweegt het hof dat de enkele omstandigheid dat de verboden gedragingen aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend, niet meebrengt dat de verdachte de feiten tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd. De verdachte kan op grond van artikel 42 AWR de belastingplichtige vennootschap vertegenwoordigen en bezit dus naast de rechtspersoon de vereiste kwaliteit van belastingplichtige. In die situatie levert de rechtspersoon geen eigen bijdrage die zich onderscheidt van de rol van de verdachte, zodat van medeplegen geen sprake is. Het hof komt daarom tot een bewezenverklaring van feitelijk leidinggeven aan de door de rechtspersonen gepleegde feiten.
Bewezenverklaring
Het hof acht bewezen:
ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5, telkens onderdeel b: het als administratieplichtige opzettelijk niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers aan de belastinginspecteur, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;
ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5, telkens onderdeel d: het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;
ten aanzien van de feiten 2 en 3, telkens onderdeel e: het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;
telkens gepleegd door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.
Het hof spreekt de verdachte vrij van medeplegen, van onderdeel e bij de feiten 1, 4 en 5 en van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof legt een gevangenisstraf van twaalf maanden op en ontzet de verdachte uit het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder en feitelijk bestuurder van een rechtspersoon naar burgerlijk recht voor de duur van drie jaren.
Bij de strafbepaling weegt het hof de aard en de ernst van de feiten mee. De verdachte heeft telkens belet dat de Belastingdienst via controle een correcte belastingheffing kon verzekeren. Door het ontbreken van een goede administratie is niet exact vast te stellen hoe groot het nadeel voor de Belastingdienst is geweest. De op voorhand toegezonden in- en verkooplijsten vermelden bedragen tot meer dan € 100.000, en de verdachte handelde met een deel van de vennootschappen gedurende meerdere jaren op grote schaal in partijen goederen. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in een ver verleden voor andersoortige feiten is veroordeeld, die het hof niet meer bij de straf betrekt, en dat artikel 63 Sr van toepassing is. Uit de verklaring ter terechtzitting heeft het hof niet de indruk gekregen dat de verdachte de strafwaardigheid van zijn handelen inziet.
Het hof acht een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf, zoals door de raadsvrouw bepleit, niet toereikend. Bij de hoogte van de gevangenisstraf let het hof met name op de handelingen binnen de vennootschap met de meeste bedrijfsactiviteiten; de handelingen bij de overige vennootschappen wegen minder zwaar. Hoewel de verdachte verklaart in de toekomst niet meer als bestuurder betrokken te willen zijn en het hof daaraan geloof hecht, legt het toch een beroepsverbod op, dat het beperkt tot drie jaren. Het hof komt daarmee tot een lagere straf en een korter beroepsverbod dan de advocaat-generaal heeft gevorderd. De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 68 en 69 AWR en de artikelen 28, 31, 51, 57 en 63 Sr.
Lees hier de volledige uitspraak.
