Vrijheid van dienstverrichting versus toezicht op trustdiensten: Hoge Raad bevestigt strafbaarheid bij ontbreken vergunning
/Hoge Raad 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1877
De verdachte is veroordeeld wegens feitelijk leidinggeven aan trustdiensten zonder vergunning en het doen van onjuiste btw-aangiften. Hij werkte vanuit Nederland samen met een trustkantoor op Cyprus dat niet over een Nederlandse vergunning beschikte. De Hoge Raad oordeelt dat het vergunningvereiste in de Wtt (oud) een gerechtvaardigde beperking vormt van de vrijheid van dienstverrichting. Dat de minister geen staten had aangewezen met vergelijkbaar toezicht doet daar niet aan af.
De taakstraf is verlaagd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Achtergrond
In deze zaak staat een verdachte centraal die volgens het gerechtshof Den Haag feitelijk leiding heeft gegeven aan strafbare gedragingen van een in Nederland gevestigde rechtspersoon, genaamd B Limited. Deze vennootschap maakte deel uit van een vennootschapsstructuur (A) die trustdiensten aanbood via een Cypriotisch trustkantoor, C. De verdachte was eerder bestuurder van andere vennootschappen binnen deze structuur en bleef na het faillissement daarvan als adviseur actief binnen A, waaronder in de vestiging van B te Den Haag.
B hield zich bezig met het informeren en adviseren van potentiële klanten over de oprichting van vennootschapsstructuren op Cyprus. Deze gesprekken vonden in Nederland plaats en leidden tot het daadwerkelijk oprichten van vennootschappen vanuit Cyprus, waarbij trustdiensten werden verleend door C. C beschikte niet over een vergunning van De Nederlandsche Bank (DNB) en Cyprus was geen aangewezen staat in de zin van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt oud).
De verdachte is door het hof veroordeeld wegens feitelijk leidinggeven aan:
het door B opzettelijk verrichten van werkzaamheden gericht op het verlenen van trustdiensten zonder vereiste vergunning (artikel 2.3 Wtt oud), en
het door B opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, meermalen gepleegd (artikel 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen).
De verdachte kreeg een taakstraf opgelegd van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Middel
In cassatie zijn twee middelen voorgesteld. Het eerste middel stelt dat de regeling van artikel 2 lid 3 Wtt (oud) onverenigbaar is met artikel 56 VWEU, waarin de vrijheid van dienstverrichting binnen de EU is vastgelegd. De verdediging meent dat toepassing van het vergunningsvereiste voor buitenlandse trustkantoren, zonder dat er sprake is van aanwijzing van staten die vergelijkbaar toezicht kennen, leidt tot een ongerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van diensten. Voorts is geklaagd dat het hof ten onrechte geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU heeft gesteld over deze kwestie.
Het tweede middel bevat een bewijsklacht met betrekking tot het opzet van de verdachte op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting.
Beoordeling Hoge Raad
Eerste middel: verenigbaarheid van Wtt (oud) met artikel 56 VWEU
De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 56 VWEU zich verzet tegen nationale regelgeving die het verrichten van diensten tussen lidstaten belemmert, tenzij sprake is van een gerechtvaardigde beperking op basis van dwingende redenen van algemeen belang. De regulering van trustdiensten is op EU-niveau niet volledig geharmoniseerd, hetgeen nationale lidstaten ruimte laat voor eigen regulering mits die proportioneel en niet-discriminerend is.
De regeling van artikel 2.3 Wtt (oud), waarbij een vergunning vereist is voor het verrichten van werkzaamheden gericht op trustdiensten vanuit een niet-aangewezen staat, acht de Hoge Raad een gerechtvaardigde beperking. Deze beperking beoogt het voorkomen van witwassen, belastingontduiking en andere financiële integriteitsrisico’s. Dat Cyprus op het moment van de tenlastegelegde feiten geen aangewezen staat was en C niet over een vergunning beschikte, doet aan die beoordeling niet af.
De wetgever heeft met artikel 2.5 Wtt (oud) weliswaar voorzien in een mogelijkheid om lidstaten aan te wijzen die vergelijkbaar toezicht kennen, maar het ontbreken van dergelijke aanwijzingen maakt de regeling niet ongerechtvaardigd. De Hoge Raad onderstreept dat het vergunningsvereiste niet verder gaat dan nodig is voor het beoogde doel en dat het niet-selectieve karakter van de regeling bijdraagt aan de proportionaliteit. Daarbij kan bovendien vrijstelling of ontheffing van de vergunningsplicht worden verleend door respectievelijk de minister of de toezichthouder op basis van de specifieke situatie.
Het hof heeft terecht geoordeeld dat geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU hoeft te worden gesteld. De Hoge Raad overweegt dat de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie voldoende duidelijk is om het voorliggende geschil te beslechten. De nationale regeling voldoet aan de Unierechtelijke eisen van proportionaliteit en geschiktheid.
Het cassatiemiddel faalt op alle onderdelen.
Tweede middel: opzet op onjuiste aangiften omzetbelasting
Het tweede cassatiemiddel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. De Hoge Raad verwijst naar de uitgebreide bewijsvoering van het hof en de conclusie van de advocaat-generaal, en oordeelt dat het middel niet tot cassatie leidt. De bewijsredenering is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
Ambtshalve overweging: partiële verjaring
Hoewel het hof een bewezenverklaring heeft aangenomen over een periode van 1 juli 2012 tot en met 28 januari 2014, en het tenlastegelegde feit deels ziet op een langere periode, merkt de Hoge Raad op dat slechts een beperkt gedeelte van de tenlastegelegde gedragingen verjaard is. Omdat die partiële verjaring geen wezenlijke invloed heeft op de opgelegde straf, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om ambtshalve tot vernietiging over te gaan op dit punt.
Redelijke termijn overschreden
De Hoge Raad constateert dat er meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn overschreden. Dit leidt tot een strafvermindering: de taakstraf wordt met 10 uur verminderd tot 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis.
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het beroep op alle gronden, behoudens voor zover het de redelijke termijn betreft. De taakstraf wordt met 10 uur verminderd tot 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis. De rechtsregel dat buitenlandse trustkantoren zonder vergunning van DNB geen diensten mogen verrichten gericht op Nederland, wordt bevestigd als een gerechtvaardigde beperking van de vrijheid van dienstverrichting binnen de EU. De regeling voldoet aan de Unierechtelijke eisen van proportionaliteit en geschiktheid, zelfs wanneer geen enkele lidstaat door de minister is aangewezen in de zin van artikel 2.5 Wtt (oud).
Lees hier de volledige uitspraak.
