Voorwaardelijke straf voor feitelijke leidinggever bij ontduiking van sanctiemaatregelen en voortzetting van de verboden Stichting Al Aqsa; vrijspraak voor financiering van Hamas
/Rechtbank Rotterdam 27 mei 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6051
De rechtbank Rotterdam veroordeelt in het onderzoek Rainworth een feitelijke leidinggever van een Nederlands steunfonds voor het ontduiken van sanctiemaatregelen krachtens de Sanctiewet 1977 en voor het voortzetten van de van rechtswege verboden Stichting Al Aqsa. De rechtbank acht bewezen dat het steunfonds de inkomende en uitgaande geldstromen van de in 2003 op de EU-sanctielijst geplaatste Stichting Al Aqsa heeft overgenomen en voortgezet, en dat de verdachte daaraan vanaf 2003 feitelijke leiding heeft gegeven. Omdat Stichting Al Aqsa op 11 februari 2014 van de EU-sanctielijst is verwijderd, levert voortzetting na die datum geen strafbare ontduiking meer op. De verdachte wordt vrijgesproken van het ter beschikking stellen van gelden aan Hamas, omdat de rechtbank de deskundigenverslagen over de banden tussen Hamas en de begunstigde liefdadigheidsorganisaties onvoldoende betrouwbaar acht en het overige bewijs tekortschiet. De rechtbank legt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van één jaar op en wijkt daarmee fors af van de geëiste vier jaar. Bepalend zijn het humanitaire oogmerk van de verdachte, het ontbreken van bewijs dat de steun Hamas heeft bereikt, de kortere bewezenverklaarde periode en het tijdsverloop van ruim veertieneneenhalf jaar.
Inleiding en context
De zaak betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1967, die door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam in eerste aanleg op tegenspraak wordt berecht in het onderzoek Rainworth. De zittingen vinden plaats op 14 en 15 april 2026 en de uitspraak volgt op 27 mei 2026. Centraal staat een door de verdachte opgericht steunfonds, in 2001 als stichting ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als steunfonds dat gelden inzamelt voor de armen in de wereld. Het steunfonds werft donateurs om naar eigen zeggen humanitaire hulp te verlenen aan Palestijnen, met name in Gaza en in het bijzonder aan weeskinderen.
De achtergrond wordt gevormd door de sanctiemaatregelen tegen Hamas en tegen Stichting Al Aqsa op grond van Verordening (EG) nr. 2580/2001. Hamas staat sinds 2001 onafgebroken op de EU-sanctielijst. Stichting Al Aqsa is in 2003 op die lijst geplaatst en op 11 februari 2014 weer verwijderd, als eerste stap om de stichting te kunnen opheffen nadat zij zich in een bezwaarprocedure bereid had verklaard zichzelf te liquideren. Tot een daadwerkelijke opheffing is het niet gekomen. De plaatsing van Stichting Al Aqsa op de Nederlandse sanctielijst is sinds 2011 wel onafgebroken in stand gebleven.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan drie strafbare feiten, telkens primair als feitelijke leidinggever van het steunfonds en subsidiair als pleger of medepleger. Onder feit 1 wordt verweten dat het steunfonds in de periode van 25 maart 2010 tot en met 26 juni 2023 direct of indirect gelden, in totaal ruim € 8,4 miljoen, ter beschikking heeft gesteld aan of ten behoeve van Hamas, in strijd met artikel 2 van de Verordening. Onder feit 2 wordt verweten dat het steunfonds in de periode van 27 juni 2003 tot en met 26 juni 2023 willens en wetens heeft deelgenomen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat artikel 2 van de Verordening wordt ontdoken, als bedoeld in artikel 3 van de Verordening, door de activiteiten van Stichting Al Aqsa voort te zetten. Onder feit 3 wordt verweten dat het steunfonds heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de van rechtswege verboden Stichting Al Aqsa, als bedoeld in artikel 140, tweede lid, Sr.
Het wettelijk kader wordt gevormd door de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977, artikel 1 van de Sanctieregeling terrorisme 2002, de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, en de artikelen 51 en 140 Sr in samenhang met artikel 2:20 BW. Voor feit 2 staat het bestanddeel ontduiking centraal, dat ruim wordt opgevat en in elk geval de voortzetting omvat van een organisatie die wegens terroristische activiteiten op de EU-sanctielijst is geplaatst. Voor feit 3 staat het bestanddeel voortzetting van de werkzaamheid van een verboden rechtspersoon centraal, waaraan blijkens de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad een ruime uitleg toekomt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie vordert veroordeling voor de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair. Volgens het Openbaar Ministerie zijn de gelden direct of indirect ten goede gekomen aan Hamas, omdat de begunstigde liefdadigheidsorganisaties en de Islamic National Bank zijn gelieerd aan Hamas en onder de invloedssfeer daarvan vallen, en wist de verdachte dit en handelde hij doelbewust. Het Openbaar Ministerie vordert een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en vordert voortduring van de voorlopige hechtenis na de uitspraak.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak voor de feiten 2 en 3. Ten aanzien van de deskundigenverslagen over de banden tussen Hamas en de liefdadigheidsorganisaties voert de verdediging een gemotiveerd verweer tegen de objectiviteit en betrouwbaarheid van de deskundige en de deugdelijkheid van diens onderzoek. De verdediging stelt zich daarnaast op het standpunt dat de overdracht van het weeskinderenproject aan het steunfonds slechts een tijdelijke oplossing betrof. Bij een veroordeling bepleit de verdediging een gevangenisstraf die niet langer is dan de duur van de voorlopige hechtenis, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
Oordeel gerecht
Ten aanzien van feit 1 oordeelt de rechtbank dat het standpunt van het Openbaar Ministerie in belangrijke mate steunt op de schriftelijke verslagen van de deskundige. De rechtbank kan de objectiviteit en daarmee de betrouwbaarheid van de deskundige en de deugdelijkheid van zijn onderzoek echter onvoldoende beoordelen, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de verdediging, en slaat daarom geen acht op die verslagen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de deskundige zijn bevindingen niet zelf heeft waargenomen, maar deze heeft gebaseerd op algemeen toegankelijke bronnen en op berichten van veiligheidsdiensten uit de Verenigde Staten en Israël, die hooguit als ander geschrift in de zin van artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, Sv kunnen gelden, en dat niet kan worden uitgesloten dat de bevindingen politiek of anderszins gekleurd zijn.
Uit de overige bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat de begunstigde liefdadigheidsorganisaties door Hamas werden gecontroleerd. Geen van die organisaties staat op de EU- of Nederlandse sanctielijst. De aanwijzingen voor een personele unie tussen betrokkenen bij de liefdadigheidsorganisaties en bij Hamas acht de rechtbank onvoldoende stevig om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de gelden bij Hamas terechtkwamen of dat Hamas zeggenschap over die organisaties heeft gehad. Dat onderzoek in Gaza naar deze verwevenheid vrijwel onmogelijk is, kan de verdachte niet worden tegengeworpen. Het oordeel in een eerdere rechterlijke toets over de bevindingen van de AIVD ten aanzien van Stichting Al Aqsa maakt dit niet anders, omdat die toets terughoudender is dan de strafrechtelijke en de onderliggende vertrouwelijke stukken geen deel uitmaken van het strafdossier. Alleen ten aanzien van de Islamic National Bank acht de rechtbank de betrokkenheid van Hamas wel bewezen, mede op grond van een rapport van World Check, maar het bewijs dat de verdachte wist dat deze bank onder zeggenschap van Hamas stond, ontbreekt. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van feit 1.
Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank voorop dat strafbare ontduiking in de zin van artikel 3 van de Verordening ten minste vereist dat de voortgezette organisatie op de EU-sanctielijst staat. Nu Stichting Al Aqsa op 11 februari 2014 van die lijst is verwijderd en niet is gebleken van een nieuwe plaatsing, levert voortzetting na die datum geen strafbare ontduiking op. Dat Stichting Al Aqsa mogelijk een onterechte verwijdering heeft bewerkstelligd door niet aan haar opheffing mee te werken, maakt dit niet anders. Ook plaatsing op de Nederlandse sanctielijst onder de Sanctieregeling terrorisme 2007-II leidt niet tot strafbaarheid, omdat artikel 2 van die regeling het voortzetten of ontduiken niet met zoveel woorden verbiedt. Beoordeeld moet dus worden of het steunfonds de activiteiten van Stichting Al Aqsa heeft voortgezet in de periode van 27 juni 2003 tot 11 februari 2014.
Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Beide stichtingen hebben dezelfde kernactiviteit, te weten fondsenwerving voor humanitaire steun aan Palestijnen. Na de plaatsing van Stichting Al Aqsa op de sanctielijst stappen de verdachte, ten minste twee personeelsleden en donateurs over naar het steunfonds en gaan de betalingen aan een liefdadigheidsorganisatie onverminderd door. Illustratief is een eind 2013 of begin 2014 verspreide brief van Stichting Al Aqsa aan haar donateurs, waarin wordt meegedeeld dat het weeskinderenproject wordt overgedragen aan het steunfonds. Dat dit volgens de verdediging een tijdelijke oplossing was, doet niet af aan de structurele en blijvende voortzetting. Deze gedragingen kunnen aan het steunfonds worden toegerekend.
De rechtbank oordeelt dat de verdachte vanaf 2003 feitelijke leiding heeft gegeven aan deze gedragingen. Een feitelijke leidinggever hoeft geen formele leidinggevende positie te bekleden. De verdachte was eerder betrokken bij Stichting Al Aqsa, heeft het steunfonds opgericht, bepaalde de koers, had invloed op de benoeming van bestuursleden, nam deel aan bestuursvergaderingen, gaf betalingsopdrachten en zette zijn netwerk in, terwijl hij wist dat Stichting Al Aqsa was verboden. Diverse getuigen bestempelen zijn rol als actief en leidinggevend en omschrijven het steunfonds als zijn stichting. Het voortzetten van een gesanctioneerde organisatie is een voortdurend delict. De rechtbank kan echter niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte tussen eind 2011 en 2016 actief is geweest, zodat de bewezenverklaarde periode eindigt op 25 oktober 2011. Het verwijt dat tegenover de Rabobank de betrokkenheid van de verdachte is verzwegen, betreft een periode na 2014 en levert geen ontduikingshandeling op.
Ten aanzien van feit 3 oordeelt de rechtbank dat Stichting Al Aqsa op grond van artikel 2:20, vierde lid, BW van rechtswege verboden was van 1 februari 2007 tot 11 februari 2014. Gelet op de bewezenverklaring bij feit 2 acht de rechtbank bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van Stichting Al Aqsa in de periode van 1 februari 2007 tot en met 25 oktober 2011.
De bewezen feiten leveren de eendaadse samenloop op van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan door een rechtspersoon terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, en deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie, begaan door een rechtspersoon terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven. De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de volgende, door het steunfonds tezamen en in vereniging met een of meer anderen begane feiten:
Feit 2 primair: het in de periode van 27 juni 2003 tot en met 25 oktober 2011 opzettelijk en in strijd met het krachtens de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod willens en wetens deelnemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat direct of indirect artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 wordt ontdoken, door de activiteiten van de in 2003 op de sanctielijst geplaatste Stichting Al Aqsa binnen het steunfonds voort te zetten door de inkomende en uitgaande geldstromen van Stichting Al Aqsa over te nemen en voort te zetten.
Feit 3 primair: het in de periode van 1 februari 2007 tot en met 25 oktober 2011 deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van Stichting Al Aqsa, een van rechtswege verboden organisatie als bedoeld in artikel 2:20, vierde lid, BW.
De verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, het direct of indirect ter beschikking stellen van gelden aan Hamas.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank acht een gevangenisstraf noodzakelijk gelet op de ernst van de feiten. De verdachte heeft op geraffineerde wijze gehandeld en zowel internationale als nationale regelgeving naast zich neergelegd, terwijl deze regelgeving van groot belang is voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bestrijding van terrorisme. Dat de verdachte handelde met het oog op humanitaire hulpverlening maakt dit niet anders. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld, en de reclassering schat het recidiverisico als laag in en ziet voor zichzelf geen verdere rol.
Bij de strafbepaling neemt de rechtbank in aanmerking dat het primaire doel van de verdachte het verlenen van humanitaire hulp was en niet het steunen van Hamas, dat niet is vastgesteld dat de steun Hamas heeft bereikt, en dat een aanzienlijk kortere pleegperiode bewezen is verklaard dan ten laste is gelegd. Mede gelet op het tijdsverloop van ruim veertieneneenhalf jaar sinds het einde van de bewezenverklaarde periode komt de rechtbank tot een beduidend lagere straf dan geëist. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest in het geval van tenuitvoerlegging. De vordering tot voortduring van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen en het bevel tot voorlopige hechtenis, dat eerder was geschorst, wordt opgeheven.
Lees hier de volledige uitspraak.
