Onjuist gebruik elektrische veeprikker bij varkenstransport: rechtbank Oost-Brabant veroordeelt vervoerders en werkgevers, partiële vrijspraak ten aanzien van niet-volwassen varkens
/De Rechtbank Oost-Brabant veroordeelt op 7 mei 2026 in vier samenhangende vonnissen twee veetransporteurs en hun werkgevers wegens het opzettelijk overtreden van de Europese transportverordening 1/2005 bij het laden van varkens. De medewerkers gebruiken de elektrische veeprikker herhaaldelijk en op andere lichaamsdelen dan de achterpoten van varkens die geen ruimte hebben of al in beweging zijn. De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer van de natuurlijke personen omdat de strafvorderingsrichtlijn dierenmishandeling ziet op particulieren en niet op bedrijfsmatig handelen. Op het verwijt dat de schokken zijn toegediend op niet-volwassen varkens volgt partiële vrijspraak omdat voor vrouwelijke varkens van zes maanden oud geen wettelijke leeftijdsgrens is vastgelegd. Beide natuurlijke personen krijgen een taakstraf van 60 uur waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan beide rechtspersonen legt de rechtbank een geldboete op van € 30.000 waarvan € 10.000 voorwaardelijk wegens het opzettelijk overtreden van de transportverordening in de uitoefening van het bedrijf.
Inleiding en context
De meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant doet op 7 mei 2026 in vier samenhangende strafzaken uitspraak na het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026. De zaken betreffen twee incidenten van varkenstransport waarbij de natuurlijke personen die de varkens daadwerkelijk de vrachtwagen in laden gebruik maken van een elektrische veeprikker op een wijze die in strijd is met de geldende voorschriften. Het eerste incident vindt plaats op 21 mei 2024 in de gemeente Peel en Maas, het tweede op 24 mei 2024 in de gemeente Oss. Naast de twee natuurlijke personen die als vervoerder van de dieren optreden, vervolgt het Openbaar Ministerie ook de twee rechtspersonen voor wie zij werkzaam zijn. Beide rechtspersonen zijn als veetransportbedrijven bekend met de regelgeving rondom het gebruik van de veeprikker, mede omdat aan beide eerder voor hetzelfde feit een bestuurlijke boete is opgelegd. De zaken worden behandeld in eerste aanleg.
Tenlastelegging en wettelijk kader
In alle vier de zaken legt het Openbaar Ministerie het opzettelijk handelen in strijd met artikel 1.9 van bijlage I, hoofdstuk III, van verordening (EG) nr. 1/2005 ten laste. Deze bepaling regelt het gebruik van apparaten waarmee elektrische schokken worden toegediend bij het vervoer van dieren. De tenlastelegging bevat zes gedachtestreepjes: het toedienen van schokken op nog niet volwassen varkens, op varkens die al in beweging zijn, op varkens die geen ruimte vóór zich hebben, het niet voldoende spreiden van de schokken, het toedienen op andere lichaamsdelen dan de spieren van de achterpoten en het herhaaldelijk toedienen van schokken. De vervolging vindt plaats via de Wet op de economische delicten (artikelen 1, 2 en 6 WED), in verbinding met artikel 6.2 van de Wet dieren en artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren. Voor de rechtspersonen is daarnaast artikel 51 Sr van belang in verband met de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon. De tenlastelegging is in alle gevallen toegesneden op het opzettelijk plegen in de uitoefening van een bedrijf en al dan niet in vereniging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie verzoekt in alle vier zaken om bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Tegen beide natuurlijke personen vordert de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 150 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. Tegen beide rechtspersonen wordt een geldboete gevorderd van € 30.000 waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. In de zaken tegen de natuurlijke personen stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat strafvervolging niet in strijd is met het eigen vervolgingsbeleid, gelet op het Specifiek interventiebeleid NVWA Dierenwelzijn tijdens transport, waaruit volgt dat de NVWA een overtreding van de Wet dieren aan het Openbaar Ministerie voorlegt als de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder deze is begaan daartoe aanleiding geven.
Standpunt van de verdediging
In de zaken tegen de natuurlijke personen voert de verdediging primair een ontvankelijkheidsverweer: het Openbaar Ministerie zou niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling, dierendoding, dierenverwaarlozing, bijtincidenten en overtreding houdverbod dieren strafvervolging alleen toelaat bij recidive en strafverzwarende omstandigheden, terwijl beide verdachten niet eerder door de NVWA zijn gewaarschuwd of beboet. Daarnaast zou de vervolging in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel of willekeurig zijn. Subsidiair verzoekt de verdediging in alle vier zaken om partiële vrijspraak ten aanzien van het toedienen van schokken op niet-volwassen varkens, het niet-spreiden van de schokken, het gebruik van de veeprikker terwijl de varkens al in beweging zijn en het herhaaldelijk toedienen van schokken. Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de verdediging van de natuurlijke personen om te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. De verdediging van de rechtspersonen verzoekt primair eveneens om schuldigverklaring zonder strafoplegging, subsidiair om een geheel voorwaardelijke straf.
Oordeel gerecht
De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer in de zaken tegen de natuurlijke personen. De aangehaalde richtlijn voor strafvordering ziet op particulieren, terwijl de ten laste gelegde handelingen plaatsvinden in de uitoefening van een bedrijf. Verder kan niet worden vastgesteld dat het Openbaar Ministerie in strijd met haar eigen beleid tot vervolging is overgegaan. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur overweegt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 167 Sv zelfstandig over de vervolging beslist en dat deze beslissing zich slechts in zeer beperkte mate voor inhoudelijke rechterlijke toetsing leent. De enkele omstandigheid dat anderen met soortgelijke gedragingen niet zijn vervolgd, vormt geen uitzonderlijk geval dat tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden.
Op het eerste gedachtestreepje volgt in alle vier zaken partiële vrijspraak. De rechtbank overweegt dat de vervoerde varkens ongeveer zes maanden oud zijn en voor zover zichtbaar vrouwelijk. Alleen voor mannelijke varkens is wettelijk vastgelegd dat zij volwassen zijn als ze achttien maanden oud zijn; voor vrouwelijke varkens ontbreekt een dergelijke wettelijke definitie. Nu de verdediging gemotiveerd aanvoert dat vrouwelijke varkens bij zes maanden geslachtsrijp en daarmee mogelijk als volwassen kunnen worden aangemerkt, ontbreekt voldoende grondslag voor bewezenverklaring van dit gedachtestreepje. Ten aanzien van de overige gedragingen oordeelt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de natuurlijke personen herhaaldelijk en onvoldoende gespreid schokken hebben toegediend op varkens die al in beweging waren of geen ruimte voor zich hadden, en wel op andere lichaamsdelen dan de spieren van de achterpoten, waaronder de rug, de flanken, de borstkas en bij het transport in Oss ook de snuit, kop, nek en hals. Uit de aard van de handelingen leidt de rechtbank het opzet af. Het medeplegen is bewezen in de zaken tegen de twee natuurlijke personen, nu zij gezamenlijk met een onbekend gebleven andere persoon de varkens hebben geladen en beiden gebruik hebben gemaakt van de veeprikker. In de zaken tegen de rechtspersonen wordt het medeplegen daarentegen niet bewezen. De gedragingen van de medewerkers worden in beide rechtspersoonzaken aan de rechtspersonen toegerekend op basis van de bekende Drijfmest-criteria: de handelingen worden verricht door een persoon in dienstbetrekking, passen bij de normale bedrijfsvoering, zijn de rechtspersoon dienstig geweest en de feitelijke gang van zaken werd door de rechtspersoon aanvaard, zoals blijkt uit de verklaringen van de vertegenwoordigers ter zitting.
Bewezenverklaring
In alle vier de zaken acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen het opzettelijk handelen in strijd met artikel 1.9 van bijlage I, hoofdstuk III, van verordening (EG) nr. 1/2005, bestaande uit het toedienen van elektrische schokken aan varkens die al in beweging waren en zich dus niet weigerden te verplaatsen, het toedienen van schokken aan varkens die geen ruimte vóór zich hadden om zich voort te bewegen, het onvoldoende spreiden van de toegediende schokken, het toedienen van schokken op andere lichaamsdelen dan de spieren van de achterpoten en het herhaaldelijk toedienen van schokken. In de zaken tegen de natuurlijke personen wordt daarbij medeplegen bewezen verklaard. In de zaken tegen de rechtspersonen geldt dat de overtreding is begaan in de uitoefening van het bedrijf en meermalen is gepleegd. Ten aanzien van het verwijt dat de schokken zijn toegediend op niet-volwassen varkens volgt in alle vier zaken vrijspraak.
Strafoplegging en maatregelen
Aan beide natuurlijke personen legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van zestig uren, te vervangen door dertig dagen hechtenis, waarvan dertig uren te vervangen door vijftien dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank wijkt daarmee in matigende zin af van de eis van de officier van justitie. Doorslaggevend acht de rechtbank dat de verdachten niet op sadistische wijze of voor eigen gewin hebben gehandeld, maar als werknemer conform de op dat moment binnen het bedrijf gehanteerde werkwijze. Beide verdachten zijn niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. De rechtbank toont begrip voor de uitdaging waar de werknemers zich mee geconfronteerd zien, maar benadrukt dat de regelgeving juist met het oog op het dierenwelzijn is ingevoerd en dat ook de werknemers zich daaraan hebben te houden. Aan beide rechtspersonen legt de rechtbank conform de eis een geldboete op van € 30.000 waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Een forse geldboete acht de rechtbank passend omdat de rechtspersonen bekend waren met de regelgeving, eerder bestuurlijk waren beboet voor hetzelfde feit en op de werkgever de plicht rust om medewerkers te scholen in het correct gebruik van de veeprikker. De rechtbank rekent het de rechtspersonen aan dat zij niet eerder zijn overgegaan op andere hulpmiddelen, mede gelet op de langjarige maatschappelijke discussie die heeft geleid tot een volledig verbod op het gebruik van veeprikkers per 1 januari 2026.
Lees hier de volledige uitspraken:
