Integrale vrijspraak van valsheid in geschrifte: opzet en oogmerk bij onjuist ingevulde Bibob-formulieren niet bewezen

Rechtbank Oost-Brabant 7 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2867

De rechtbank Oost-Brabant spreekt een bestuurder integraal vrij van valsheid in geschrifte ten aanzien van twee Bibob-formulieren. De formulieren zijn ingediend bij de gemeente in het kader van een aanvraag van een omgevingsvergunning. Op beide formulieren ontbreekt informatie over een eerdere onherroepelijke veroordeling van de bestuurder wegens overtreding van de Wet wapens en munitie. De rechtbank oordeelt dat hiermee weliswaar sprake is van valsheid, maar dat opzet op het valselijk opmaken van de formulieren ontbreekt. Ook het oogmerk tot doelbewuste misleiding van de gemeente is niet uit het dossier af te leiden. De enkele verantwoordelijkheid van de ondertekenaar voor de inhoud van de stukken levert volgens de rechtbank onvoldoende bewijs op voor een bewezenverklaring.

Inleiding en context

In deze zaak staat een natuurlijk persoon terecht voor de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch. De verdachte is geboren in 1962 en treedt op als bestuurder en "uiteindelijk leidinggevende" van een groep vennootschappen waaronder ook de onderneming valt namens welke twee Bibob-vragenformulieren bij de gemeente zijn ingediend. De achtergrond van de strafzaak is gelegen in een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een terrein te Baarlo. Voor die aanvraag worden in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) twee vragenformulieren ingediend, gedateerd 3 juli 2020 en 27 mei 2021. De zaak wordt behandeld in eerste aanleg, met onderzoek ter terechtzitting op 15 en 23 april 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 Sr. Concreet luidt de beschuldiging dat hij op 3 juli 2020 te Asten en op 27 mei 2021 te Ommel, Asten of Baarlo een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Bibob-vragenformulier, valselijk heeft opgemaakt of vervalst door in strijd met de waarheid niet te vermelden dat hij onherroepelijk is veroordeeld door de rechtbank Oost-Brabant voor een of meer strafbare feiten, en dit met het oogmerk om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Voor een bewezenverklaring van valsheid in geschrifte moeten drie centrale delictsbestanddelen vaststaan: de valsheid van het geschrift, het opzet op het valselijk opmaken daarvan en het oogmerk tot gebruik als echt en onvervalst, dat de rechtbank uitlegt als doelbewuste misleiding.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie vordert bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. De officier van justitie laat zich ter zitting niet expliciet uit over de bestanddelen opzet en oogmerk. Wel voert hij aan dat de verdachte als ondertekenaar van de formulieren verantwoordelijk is voor de inhoud daarvan en dat het scenario waarin het slechts een vergissing zou betreffen, niet aannemelijk is. De geëiste straf wordt in de uitspraak niet specifiek vermeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit integrale vrijspraak van beide feiten. Zij voert aan dat de verdachte nooit het opzet heeft gehad op het onjuist invullen van de Bibob-formulieren en evenmin de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Daarnaast ontbreekt volgens de verdediging het oogmerk tot misleiding van de gemeente ter verkrijging van een omgevingsvergunning. De conclusie van de verdediging luidt dat de bestanddelen van de ten laste gelegde feiten niet zijn vervuld en dat de verdachte ten aanzien van beide feiten dient te worden vrijgesproken.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt allereerst de formele voorvragen vast: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen, het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

Vervolgens richt de rechtbank zich op de bewijsvraag. Daarbij formuleert zij expliciet het toetsingskader: voor een bewezenverklaring moeten valsheid, opzet op het valselijk opmaken en oogmerk tot gebruik van het geschrift als echt en onvervalst alle drie komen vast te staan, waarbij dat laatste in de sleutel staat van doelbewuste misleiding.

Met betrekking tot de valsheid komt de rechtbank tot een bevestigend oordeel. Op het formulier van 3 juli 2020 is niet aangegeven dat de uiteindelijk leidinggevende in de vijf jaren voorafgaand aan de ondertekening is veroordeeld voor een strafbaar feit, terwijl vaststaat dat de verdachte op 10 februari 2020 onherroepelijk is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete wegens overtreding van de Wet wapens en munitie. Op het formulier van 27 mei 2021 is de vraag of de bestuurder in de vijf jaren daaraan voorafgaand in aanraking is geweest met politie of justitie zelfs in het geheel niet beantwoord. Door deze essentiële informatie achterwege te laten, zijn beide formulieren niet naar waarheid ingevuld en staat de valsheid naar het oordeel van de rechtbank vast.

Daarmee is volgens de rechtbank echter nog niet het bewijs geleverd dat sprake is van opzet van de verdachte op het valselijk opmaken van de formulieren, laat staan van doelbewuste misleiding van de gemeente door het gebruik ervan. De verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij niet zo van het lezen is, dat hij het invullen heeft laten verzorgen door medewerkers van zijn bedrijf en een jurist en dat hij de documenten vervolgens heeft ondertekend. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte opzettelijk informatie heeft weggelaten met het doel de gemeente te misleiden teneinde een vergunning te verkrijgen die de onderneming bij waarheidsgetrouwe invulling niet zou hebben verkregen.

De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de adagium "vertrouwen is goed, controleren is beter" dat de verdachte het verwijt gemaakt kan worden dat hij op derden heeft vertrouwd en dat hij dit beter had kunnen en moeten controleren. Dat levert echter nog niet het vereiste bewijs op voor een bewezenverklaring. Het enkele feit dat de verdachte als ondertekenaar verantwoordelijk is voor de inhoud van de stukken, is daarvoor onvoldoende. Voor zowel het opzet op de valsheid als het oogmerk tot misleiding zijn aanvullende, voldoende concrete aanwijzingen vereist die in dit dossier ontbreken. De rechtbank komt daarmee tot een integrale vrijspraak.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij. De verdachte wordt integraal vrijgesproken van:

  • het op of omstreeks 3 juli 2020 te Asten valselijk opmaken of vervalsen van een Bibob-vragenformulier met het oogmerk om dit als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

  • het op of omstreeks 27 mei 2021 te Ommel, Asten of Baarlo valselijk opmaken of vervalsen van een Bibob-vragenformulier met het oogmerk om dit als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^