Verzekeringsfraude met valse huurcontracten en vervalste brandweerbrief: hof komt tot bewezenverklaring oplichting en valsheid in geschrifte, maar matigt straf wegens overschrijding redelijke termijn
/Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16 april 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1060
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt een ondernemer voor verzekeringsfraude door het indienen van valse huurcontracten en een vervalste brandweerbrief bij zijn verzekeraar. De verdachte beweegt daarmee de verzekeraar tot uitkering van € 249.500 wegens beweerdelijk gederfde huurinkomsten. Uit getuigenverklaringen blijkt dat het bedrijf nimmer dergelijke inkomsten behaalt en dat de overgelegde huurcontracten zijn verzonnen. Het hof acht oplichting en het opzettelijk gebruikmaken van valse geschriften bewezen, maar spreekt vrij van medeplegen. Vanwege een forse overschrijding van de redelijke termijn matigt het hof de straf tot zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De vordering van de benadeelde verzekeraar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onevenredige belasting van het strafgeding.
Inleiding en context
De zaak speelt voor het gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 september 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:6548). De verdachte is een natuurlijke persoon, geboren in 1991. Hij richt omstreeks januari 2016 een onderneming op die zich primair richt op de verhuur van bedrijfsruimtes in een pand te Oosterhout. Op 22 juli 2016 meldt de verdachte bij zijn verzekeraar schade als gevolg van een blikseminslag in dat pand. De verzekeraar betaalt in vier termijnen in totaal € 249.500 uit aan het bedrijf van de verdachte. Op 12 maart 2018 doet de verzekeraar aangifte van verzekeringsfraude, nadat onderzoek heeft uitgewezen dat de stukken waarmee de schadeclaim is onderbouwd, valselijk zouden zijn opgemaakt. Het Openbaar Ministerie besluit aanvankelijk niet tot vervolging over te gaan. Naar aanleiding van een artikel 12 Sv-klachtprocedure beveelt het gerechtshof 's-Hertogenbosch bij beschikking van 1 september 2022 alsnog vervolging. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 222.000.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Aan de verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van 22 juli 2016 tot en met 18 november 2016 schuldig maakt aan, kort gezegd, medeplegen van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Hij beweegt zijn verzekeraar tot afgifte van ongeveer € 249.500 door valselijk een blikseminslag en de daaruit voortvloeiende gedwongen sluiting van het bedrijfspand op last van de brandweer te melden, alsmede gederfde huurinkomsten op te voeren. Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij in de periode van 27 oktober 2016 tot en met 10 november 2016 opzettelijk gebruik maakt van valse geschriften in de zin van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd. Het betreft een vervalste brief van de brandweer over een gebruikersvergunning en sluiting van het pand, alsmede zes valse huurovereenkomsten tussen het bedrijf van de verdachte en zes vermeende huurders.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Hij vordert oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden en integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten begroot op het gevorderde bedrag.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit primair integrale vrijspraak. Hij voert daartoe aan dat het onderzoek door politie en justitie gebrekkig en onvolledig is, zodat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De verdachte ontkent wetenschap van of betrokkenheid bij het opmaken of het gebruik van de valse stukken. De getuigenverklaringen zijn volgens de verdediging ongeloofwaardig. Een personeelslid zou verantwoordelijk zijn voor het opmaken van de valse huurovereenkomsten met het oog op een intern bonussysteem, en de getuigen zouden in onderling overleg en in samenwerking met de verhuurder van het bedrijfspand belastend verklaren met het doel het bedrijf van de verdachte te bemachtigen. Subsidiair, voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman matiging van de gevorderde gevangenisstraf wegens het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt de raadsman zich op het standpunt dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Oordeel gerecht
Het hof vernietigt het vonnis, maar neemt de bewijsconstructie en de overwegingen van de rechtbank in grote mate tot uitgangspunt. Het hof stelt vast dat de schadeclaim bij de verzekeraar wordt opgesteld door de accountant op basis van door de verdachte aangeleverde stukken, waaronder de brief van de brandweer en zes huurovereenkomsten. Namens de brandweer en de veiligheidsregio wordt aangifte gedaan van valsheid in geschrifte: de brief is nooit door hen opgemaakt of verstuurd. De in de huurovereenkomsten als huurder vermelde bedrijven hebben geen contract met het bedrijf van de verdachte afgesloten en huren in het geheel geen ruimtes.
Het verweer dat de verdachte de brief van de brandweer niet heeft gebruikt verwerpt het hof. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij alle poststukken inscant en doorstuurt naar zijn accountant, hetgeen leidt tot het oordeel dat ook deze brief langs deze weg bij de verzekeraar terechtkomt. Daarmee maakt hij van die brief gebruik in de zin van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat de verdachte geen wetenschap zou hebben van het feit dat de brief en de contracten onderdeel uitmaken van de claim, acht het hof ongeloofwaardig. De verdachte ondertekent de vaststellingsovereenkomst waarin de bliksemschade en de sluiting op last van de brandweer als dragende grondslag voor de uitkering worden vermeld. Hij is als directeur dagelijks betrokken bij de afhandeling, hetgeen wordt bevestigd door het veelvuldige contact dat hij onderhoudt met de accountant en met medewerkers van de verzekeraar.
Diverse getuigen, voormalige werknemers van het bedrijf, verklaren dat uitsluitend de verdachte en zijn partner bevoegd zijn tot het opstellen en ondertekenen van contracten en dat het bedrijf in werkelijkheid een zeer beperkt aantal klanten heeft, met een maximale omzet van circa € 5.000 per maand tegenover een uitgavenpatroon van € 35.000 tot € 40.000 per maand. De geclaimde contractschade van € 888.041 staat in geen enkele verhouding tot deze realiteit. Het scenario van de verdachte dat een personeelslid de valse overeenkomsten zou hebben opgesteld om zichzelf via een bonussysteem te verrijken, acht het hof zowel ongeloofwaardig als onaannemelijk. Het bestaan van een dergelijk bonussysteem is niet gebleken en wordt door de getuigen weersproken. Bovendien is het de verdachte die direct financieel voordeel heeft van de oplichting, terwijl een personeelslid bij gebruik van de valse stukken jegens een derde partij als de verzekeraar geen kenbaar belang heeft. Een sterk aanvullend bewijsmiddel ziet het hof in vijf door de verdediging zelf ingebrachte e-mailberichten van beweerdelijke huurders, die alle dezelfde slotformulering hanteren als de verdachte in zijn eigen correspondentie pleegt te gebruiken, hetgeen het hof buitengewoon onwaarschijnlijk acht indien deze daadwerkelijk van verschillende personen van verschillende bedrijven afkomstig zouden zijn.
Anders dan de rechtbank acht het hof niet bewezen dat sprake is van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met een of meer medeverdachten. Het hof spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen. Het hof kwalificeert het onder feit 1 bewezenverklaarde als oplichting en het onder feit 2 bewezenverklaarde als opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 22 juli 2016 tot en met 18 november 2016 te Oosterhout en Breda, met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels de verzekeraar beweegt tot afgifte van een geldbedrag. Hij geeft daartoe in strijd met de waarheid aan dat zijn bedrijf door sluiting inkomsten misloopt omdat geen bedrijfsruimtes meer kunnen worden verhuurd, laat een brief van de brandweer over een gebruikersvergunning en de tijdelijke sluiting van het pand op last van de brandweer aan de verzekeraar toezenden en laat ter onderbouwing van het mislopen van inkomsten een aantal contracten aan de verzekeraar sturen. Onder feit 2 acht het hof bewezen dat de verdachte in de periode van 27 oktober 2016 tot en met 10 november 2016 opzettelijk gebruik maakt en gebruik doet maken van de valse brief van de brandweer en van zes valse contracten tussen zijn bedrijf en vermeende huurders, doordat de brief niet door de brandweer is opgemaakt of verstuurd en de contracten niet zijn ondertekend door de partijen die als huurders in die contracten staan, doch door de verdachte zelf zijn ondertekend. Van het tenlastegelegde medeplegen wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof stelt voorop dat in zaken als deze in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het LOVS gaan bij fraude met een benadelingsbedrag tussen € 125.000 en € 250.000 als vertrekpunt uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de bandbreedte van negen tot en met twaalf maanden. Het hof rekent de verdachte aan dat hij op geraffineerde wijze misbruik maakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming en in het verzekeringsstelsel. Daarbij weegt mee dat de verdachte tegen beter weten in volhardt in zijn ontkenning. Het hof slaat acht op de justitiële documentatie waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld, alsmede op zijn persoonlijke omstandigheden waaronder een uitkering, financiële problemen en gestelde medische klachten.
Het hof constateert een forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Deze termijn vangt aan op 14 juni 2018, de dag waarop de verdachte voor het eerst door de politie wordt verhoord, en eindigt met het vonnis van 26 september 2024. De overschrijding bedraagt vier jaar en ruim drie maanden. Hoewel de zaak haar aanleiding vindt in een artikel 12 Sv-klachtprocedure en op verzoek van de verdediging nader onderzoek wordt verricht, kunnen deze omstandigheden het tijdsverloop niet volledig verklaren. Het hof verdisconteert de overschrijding ten faveure van de verdachte in de straftoemeting en veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Daarmee blijft het hof onder de eis van de advocaat-generaal.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij oordeelt het hof, anders dan de raadsman, dat genoegzaam is gebleken dat de verzekeraar rechtstreekse schade heeft geleden ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen. Het hof kan de precieze omvang van die schade evenwel niet vaststellen, nu niet uitgesloten is dat ten dele wel sprake is geweest van een verzekerd schade-incident en de uitgekeerde bedragen op het rekeningafschrift onvoldoende zijn gespecificeerd om vast te stellen welk deel verband houdt met de valselijk opgevoerde gederfde huurinkomsten. Nader onderzoek is noodzakelijk en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof verklaart de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de verdachte, begroot op nihil.
Lees hier de volledige uitspraak.
