Vertrokken rechter en griffier redden gebrekkig proces-verbaal niet
/Hoge Raad 31 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:497
De Hoge Raad vernietigt in ECLI:NL:HR:2026:497 het arrest van het gerechtshof Den Haag wegens het ontbreken van een rechtsgeldig proces-verbaal van de terechtzitting. Het proces-verbaal is niet uitgewerkt omdat de betrokken raadsheer en griffier niet langer bij het hof werkzaam zijn. De Hoge Raad oordeelt dat dit geen bijzondere omstandigheid is die de nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de uitspraak kan wegnemen. Dit arrest bevestigt de strenge lijn uit HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605, en benadrukt dat personele wisselingen geen rechtvaardiging vormen voor het niet naleven van artikel 327 Sv. De zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling.
Achtergrond
De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1970, is op 10 mei 2023 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam veroordeeld wegens diefstal (artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht). De politierechter legt een gevangenisstraf op voor de duur van vier weken, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 Sr.
Tegen dit vonnis stelt de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Den Haag. Op 8 november 2023 behandelt de enkelvoudige kamer voor strafzaken van het hof de zaak (parketnummer 22-001482-23). Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, omdat ter terechtzitting bij de politierechter afstand is gedaan van rechtsmiddelen.
Na deze uitspraak stelt de verdachte beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Namens de verdachte dient advocaat B. Kizilocak een cassatieschriftuur in met twee cassatiemiddelen. Advocaat-generaal V.M.A. Sinnige neemt een conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:175) en adviseert de Hoge Raad tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De kern van deze zaak draait niet om de inhoudelijke vraag of de verdachte terecht niet-ontvankelijk is verklaard, maar om een fundamenteel processueel gebrek: het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is nooit uitgewerkt, vastgesteld en ondertekend. De reden die daarvoor wordt opgegeven, is dat zowel de voorzitter als de griffier niet langer werkzaam zijn bij het gerechtshof Den Haag. De vraag is of dat een bijzondere omstandigheid oplevert die rechtvaardigt dat de gebruikelijke sanctie van nietigheid achterwege blijft.
Eerste middel
Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen het ontbreken van een rechtsgeldig proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023. De verdediging klaagt dat dit proces-verbaal in strijd met artikel 327 van het Wetboek van Strafvordering niet is vastgesteld en ondertekend door de voorzitter (of een van de rechters die over de zaak heeft geoordeeld) en de griffier.
Bij de stukken van het geding bevindt zich een aantekening van het mondeling arrest als bedoeld in artikel 426 lid 1 Sv, gedateerd 8 november 2023. Daarnaast bevat het dossier een schriftelijke verklaring van een senior-secretaris van het gerechtshof Den Haag. Deze verklaring houdt in dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 november 2023 niet is uitgewerkt, omdat de voorzitter en de griffier niet langer werkzaam zijn bij het hof. Ook de aantekening van het mondeling arrest is om dezelfde reden niet uitgewerkt.
Het middel stelt daarmee aan de orde dat een essentieel processtuk ontbreekt. Het proces-verbaal van de terechtzitting vormt immers het enige authentieke verslag van wat zich ter zitting heeft voorgedaan. Zonder dit stuk is niet controleerbaar of de voorgeschreven processuele vormen in acht zijn genomen, welke beslissingen ter terechtzitting zijn genomen en op welke gronden de uitspraak van het hof berust.
Tweede middel
Het cassatieschriftuur bevat een tweede cassatiemiddel. De Hoge Raad komt echter niet toe aan een inhoudelijke bespreking van dit middel, omdat de beslissing op het eerste middel al leidt tot vernietiging en terugwijzing. De inhoud van het tweede middel blijkt niet uit het arrest van de Hoge Raad.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad vangt zijn beoordeling van het eerste middel aan met een weergave van de relevante wettelijke bepalingen. Artikel 326 lid 1 Sv schrijft voor dat de griffier het proces-verbaal van de terechtzitting houdt, waarin achtereenvolgens aantekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt. Artikel 327 Sv bepaalt vervolgens dat dit proces-verbaal door de voorzitter of door een van de rechters die over de zaak heeft geoordeeld, en door de griffier wordt vastgesteld en zo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting wordt ondertekend, en in elk geval binnen de in artikel 365 lid 1 Sv genoemde termijn. Voor zover de griffier daartoe buiten staat is, geschiedt vaststelling en ondertekening zonder diens medewerking en wordt van de verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.
De Hoge Raad stelt op basis van de schriftelijke verklaring van de senior-secretaris vast dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023 niet is uitgewerkt. Daardoor ontbreekt een proces-verbaal dat door de rechter die over de zaak heeft geoordeeld en door de griffier is vastgesteld en ondertekend overeenkomstig artikel 327 Sv. Dit levert een schending op van een wezenlijke vormvoorschrift.
Vervolgens beoordeelt de Hoge Raad of er sprake is van een bijzondere omstandigheid die ertoe kan leiden dat het gebruikelijke gevolg van nietigheid achterwege blijft. Het hof voert als reden voor het niet-uitwerken aan dat de betrokken raadsheer en de griffier niet meer werkzaam zijn bij het gerechtshof. De Hoge Raad oordeelt dat dit niet een zodanig bijzondere omstandigheid vormt dat het aan het verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak achterwege kan blijven.
Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de Hoge Raad naar zijn eerdere arrest van 13 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1605). In die uitspraak heeft de Hoge Raad al eerder geoordeeld over de gevolgen van het ontbreken van een conform artikel 327 Sv vastgesteld en ondertekend proces-verbaal van de terechtzitting. De lijn die uit die uitspraak volgt, is dat het ontbreken van een rechtsgeldig proces-verbaal in beginsel leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gebaseerde uitspraak, en dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen van die sanctie kan worden afgezien.
Het feit dat de betrokken raadsheer en griffier het hof inmiddels hebben verlaten, kwalificeert niet als een dergelijk uitzonderlijk geval. De Hoge Raad maakt hiermee duidelijk dat personele wisselingen binnen de rechterlijke organisatie niet afdoen aan de verplichting om het proces-verbaal van de terechtzitting conform de wettelijke voorschriften vast te stellen en te ondertekenen. De verantwoordelijkheid voor het tijdig uitwerken, vaststellen en ondertekenen van het proces-verbaal rust op de rechter en de griffier die bij de zitting betrokken zijn, en dient te worden nagekomen voordat zij hun functie neerleggen of naar een andere werkplek vertrekken.
Het eerste cassatiemiddel slaagt. Gelet op deze beslissing behoeft het tweede cassatiemiddel geen bespreking meer.
Beslissing
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2023 en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan op het bestaande hoger beroep.
Het arrest is gewezen door vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.
Betekenis voor de praktijk
Dit arrest onderstreept het belang dat de Hoge Raad hecht aan de naleving van de vormvoorschriften rondom het proces-verbaal van de terechtzitting. Het proces-verbaal is het centrale document aan de hand waarvan in cassatie kan worden getoetst of het onderzoek ter terechtzitting op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Wanneer dat document ontbreekt, is die controle onmogelijk en resteert slechts nietigheid.
Voor de gerechten bevat dit arrest een duidelijke boodschap: het vertrek van een rechter of griffier ontslaat het gerecht niet van de verplichting om het proces-verbaal tijdig uit te werken en te ondertekenen. Gerechten doen er verstandig aan om interne procedures in te richten die waarborgen dat processen-verbaal worden afgerond voordat de betrokken functionarissen de organisatie verlaten. De Hoge Raad laat met dit arrest, in lijn met ECLI:NL:HR:2020:1605, geen ruimte voor de opvatting dat personele wisselingen een rechtvaardiging kunnen vormen voor het achterwege laten van de nietigheid die aan dit verzuim is verbonden.
Voor de verdediging bevestigt het arrest dat het ontbreken van een rechtsgeldig proces-verbaal een effectief cassatiemiddel oplevert. Advocaten die in het dossier stuiten op een niet-uitgewerkt of niet-ondertekend proces-verbaal van de terechtzitting doen er goed aan dit gebrek als zelfstandig cassatiemiddel op te voeren.
Lees hier de volledige uitspraak.
