Beroep op overmacht verworpen bij niet-deponeren jaarrekening: FIOD-beslag ontslaat niet van plicht tot aanvragen ontheffing
/Gerechtshof Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:877
Hof Amsterdam verwerpt beroep op overmacht bij niet-deponeren jaarrekening: inbeslagname administratie ontslaat niet van verplichting tot aanvragen ontheffing. Het gerechtshof Amsterdam vernietigt in hoger beroep de beslissing van de economische politierechter, die de verdachte rechtspersoon had ontslagen van alle rechtsvervolging wegens overmacht. De administratie van het bedrijf was in 2018 door de FIOD in beslag genomen en pas in 2022 teruggegeven, waardoor de jaarrekening over 2020 niet tijdig kon worden gedeponeerd. Het hof oordeelt echter dat de verdachte ruim voor het ontstaan van de deponeringsplicht had kunnen voorzien dat zij daaraan niet kon voldoen en dat zij een ontheffing op grond van artikel 2:394 lid 5 BW had moeten aanvragen. Door dit na te laten komt de verdachte geen geslaagd beroep op overmacht toe. Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van 600 euro met een proeftijd van twee jaren en legt als maatregel de verplichting op om de jaarrekening alsnog binnen negen maanden te deponeren.
Inleiding en context
Het gerechtshof Amsterdam behandelt in hoger beroep de zaak tegen een besloten vennootschap, gevestigd te Zandvoort, die wordt verweten de jaarrekening over het boekjaar 2020 niet tijdig openbaar te hebben gemaakt. De zaak komt in hoger beroep nadat het Openbaar Ministerie appel heeft ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 februari 2024. De economische politierechter heeft de verdachte in eerste aanleg weliswaar veroordeeld, maar vervolgens ontslagen van alle rechtsvervolging. De politierechter honoreerde daarbij het door de verdediging gevoerde verweer dat sprake was van overmacht, omdat de administratie van de verdachte door de FIOD in beslag was genomen. Het Openbaar Ministerie kan zich niet vinden in dat oordeel en legt de zaak voor aan het hof. De zaak wordt op 17 maart 2026 ter terechtzitting in hoger beroep behandeld. De verdachte is niet zelf aanwezig, maar laat zich vertegenwoordigen door een gemachtigd raadsman. Het arrest wordt gewezen door de meervoudige economische strafkamer.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat zij als rechtspersoon niet uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2020 de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt op de wijze die is voorgeschreven in artikel 394 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Op of omstreeks 1 november 2022 is de jaarrekening nog niet openbaar gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar ten kantore van het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Het niet-deponeren van de jaarrekening is een economisch delict op grond van de Wet op de economische delicten. Artikel 2:394 BW verplicht rechtspersonen om binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening te deponeren bij het handelsregister. Het vijfde lid van datzelfde artikel biedt de mogelijkheid om ontheffing van deze verplichting aan te vragen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal rekwireert tot een bewezenverklaring en stelt zich op het standpunt dat het beroep op overmacht, anders dan de politierechter in eerste aanleg heeft geoordeeld, niet kan slagen. De advocaat-generaal erkent dat de verdachte als gevolg van de inbeslagname van de administratie niet kon voldoen aan haar verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening over 2020. Zij stelt echter dat de verdachte in dat geval een ontheffing van die verplichting had moeten aanvragen. Door dit na te laten, kan het beroep op overmacht niet slagen. De advocaat-generaal vordert een voorwaardelijke geldboete van 600 euro met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast vordert zij oplegging van de maatregel op grond van artikel 8 sub c van de Wet op de economische delicten, inhoudende dat de verdachte binnen negen maanden alsnog de jaarrekening deponeert, voor zover dit nog niet is gebeurd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte stelt zich op het standpunt dat sprake is van overmacht. De verdachte kan niet voldoen aan haar verplichting tot het opmaken en openbaar maken van de jaarrekening van 2020, omdat de administratie in mei 2018 door de FIOD in beslag is genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. De administratie is pas in 2022 teruggegeven. De raadsman betoogt dat de omstandigheid dat de verdachte heeft nagelaten een ontheffing aan te vragen van de verplichting tot openbaarmaking niet in de weg staat aan een geslaagd beroep op overmacht. De verdachte wordt immers uitsluitend verweten dat zij de jaarrekening niet openbaar heeft gemaakt en niet dat zij geen ontheffing van die verplichting heeft aangevraagd. De raadsman voegt daaraan toe dat ook in het geval een ontheffing zou zijn verleend, de verdachte het tenlastegelegde feit feitelijk zou hebben begaan, nu de jaarrekening ook dan niet gedeponeerd zou zijn.
Oordeel gerecht
Het hof vernietigt het vonnis van de economische politierechter en komt tot een ander oordeel. Het hof stelt allereerst de relevante feiten vast. De administratie van de verdachte is in mei 2018 in beslag genomen door de FIOD in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. De administratie is in 2022 teruggegeven. Als gevolg van deze inbeslagname kon de verdachte niet voldoen aan haar verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening over het boekjaar 2020. De verdachte heeft geen ontheffing van die verplichting aangevraagd. Het hof overweegt dat een inbeslagname van administratie door de FIOD een reden kan zijn voor het verlenen van een dergelijke ontheffing.
Het hof oordeelt, met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman, dat de verdachte geen geslaagd beroep op overmacht toekomt. Het hof overweegt daartoe dat de verdachte in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs had kunnen voorkomen dat zij een strafbaar feit beging, door een ontheffing te vragen van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening over 2020. De verdachte had ruim voor het ontstaan van die verplichting kunnen voorzien dat zij daaraan niet kon voldoen als gevolg van de inbeslagname van de administratie en had om die reden tijdig ontheffing kunnen aanvragen. Het hof licht toe dat een ontheffing met zich brengt dat de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening tijdelijk niet geldt, op grond van artikel 2:394 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek. Het niet voldoen aan een verplichting die als gevolg van een ontheffing niet geldt, levert geen strafbaar feit op. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit.
Het hof verwerpt daarmee het kernargument van de verdediging dat de ontheffingsvraag irrelevant is, omdat de jaarrekening ook bij verlening van een ontheffing niet feitelijk gedeponeerd zou zijn. Het hof maakt duidelijk dat het bij overmacht niet gaat om de vraag of het feit alsnog zou zijn begaan, maar om de vraag of de verdachte redelijkerwijs had kunnen voorkomen dat zij een strafbaar feit beging.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart wettig en overtuigend bewezen dat:
de verdachte als rechtspersoon in Zandvoort niet uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2020 op de in artikel 394 lid 1 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op 1 november 2022 de jaarrekening nog niet openbaar was gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar ten kantore van het handelsregister bij de Kamer van Koophandel.
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 394, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, begaan door een rechtspersoon. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen; de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het hof vernietigt tevens de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 4 juli 2023.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof bepaalt de straf op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de draagkracht van de verdachte. Het hof overweegt dat de verdachte door het niet tijdig deponeren van de jaarrekening derden de kans heeft ontnomen zelfstandig enig inzicht te krijgen in de vermogenspositie van het bedrijf. Uit een uittreksel uit de Justitiele Documentatie van 2 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van 600 euro. Het hof bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit schuldig maakt. Daarnaast legt het hof als maatregel op grond van artikel 8 sub c van de Wet op de economische delicten de verplichting op tot verrichting van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, te weten het alsnog deponeren van de jaarrekening, voor zover dat nog niet is gebeurd, binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van het arrest. De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op artikel 394 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2, 6 en 8 van de Wet op de economische delicten.
