Taakstraf van 60 uur voor faillissementsfraude: rechtbank houdt sterk rekening met persoonlijke omstandigheden bestuurder wiens partner financiele problemen verborg

Rechtbank Oost-Brabant 7 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2080

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een bestuurder van twee failliete vennootschappen voor faillissementsfraude. De verdachte liet zijn toenmalige partner de administratie en financien van de ondernemingen beheren. Zij boekte zonder zakelijke grondslag aanzienlijke geldbedragen over van de zakelijke rekening naar haar priverekening en hield de financiele problemen voor de verdachte verborgen. De rechtbank oordeelt dat de verdachte vanaf het eerste faillissement van de beheervennootschap op 8 april 2021 de aanmerkelijke kans op benadeling van schuldeisers bewust heeft aanvaard door geen enkel onderzoek te doen naar de financiele situatie. De verdachte wordt veroordeeld voor bedrieglijke bankbreuk, het niet verstrekken van administratie aan de curator en het weigeren van inlichtingen. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uur op en wijst het door het Openbaar Ministerie gevorderde beroepsverbod af, gelet op het tijdsverloop en de zware persoonlijke gevolgen die de verdachte reeds heeft ondervonden.

Inleiding en context

De zaak betreft een natuurlijk persoon die als enig (indirect) bestuurder en aandeelhouder fungeert van twee besloten vennootschappen: een werkmaatschappij en een beheervennootschap. De verdachte is vanaf 2006 werkzaam als schilder via een eenmanszaak en richt medio 2020 de twee vennootschappen op om een bestaand schildersbedrijf over te nemen. Per 27 augustus 2020 staat hij als enig bestuurder en aandeelhouder in het handelsregister vermeld. De beheervennootschap wordt op 8 april 2021 failliet verklaard door de rechtbank Oost-Brabant. De werkmaatschappij volgt op 21 september 2021 met een faillietverklaring door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De FIOD verricht onderzoek naar faillissementsdelicten in beide faillissementen, hetgeen leidt tot vervolging van de verdachte. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant. Het vonnis wordt op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 maart 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt drie feiten verweten. Het eerste feit betreft bedrieglijke bankbreuk als bedoeld in artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte wordt verweten dat hij als bestuurder van de werkmaatschappij, voorafgaand aan het faillissement, in de periode van 25 september 2020 tot en met 20 september 2021, geldbedragen aan de boedel heeft onttrokken door deze van de zakelijke rekening over te laten boeken naar de priverekening van zijn toenmalige partner, zonder dat daarvoor een zakelijke verplichting bestond, wetende dat schuldeisers hierdoor in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld.

Het tweede feit betreft het opzettelijk niet verstrekken van de wettelijk vereiste administratie aan de curator tijdens de faillissementen, als bedoeld in artikel 344a lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. De tenlastegelegde periode bestrijkt 9 april 2021 tot en met 10 augustus 2022 voor de beheervennootschap en 22 september 2021 tot en met 10 augustus 2022 voor de werkmaatschappij.

Het derde feit betreft het weigeren van de vereiste inlichtingen in het faillissement, strafbaar gesteld in artikel 194 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 106 van de Faillissementswet. De verdachte wordt verweten dat hij ondanks herhaalde verzoeken van de curator per e-mail en per brief heeft geweigerd inlichtingen te verstrekken en zonder geldige reden is weggebleven bij een verhoor bij de rechter-commissaris.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert bewezenverklaring van alle drie de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen naar het standpunt van het Openbaar Ministerie niet bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie voert aan dat de verdachte als bestuurder van de vennootschappen wettelijk verantwoordelijk is voor de financien en administratie van de vennootschappen en voor de verplichtingen in verband met een faillissement. Volgens het Openbaar Ministerie is de verdachte tekortgeschoten in de verantwoordelijkheden die een goed ondernemer in het zakelijk verkeer heeft. De officier van justitie vordert een voorwaardelijke taakstraf van 240 uur met een proeftijd van twee jaar en 120 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast vordert de officier van justitie de bijkomende straf van ontzetting van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van vijf jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit integrale vrijspraak van alle drie de feiten. Het kernverweer is dat de toenmalige partner van de verdachte verantwoordelijk is voor de administratie en boekhouding van de vennootschappen. De raadsman voert aan dat zij zonder medeweten van de verdachte geldbedragen van de zakelijke rekening van de werkmaatschappij heeft overgeboekt naar haar priverekening. Daarnaast heeft zij post van de curator voor de verdachte verborgen gehouden, waardoor hij geen weet heeft van de werkelijke financiele stand van zaken van de vennootschappen en evenmin van de verzoeken van de curator om inlichtingen en administratie. Op grond hiervan betoogt de raadsman dat de verdachte niet als feitelijk bestuurder kan worden aangemerkt en dat hij geen opzet heeft op de verboden gedragingen, ook niet in voorwaardelijke zin. Subsidiair, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (schuldigverklaring zonder oplegging van straf), dan wel matiging van de gevorderde voorwaardelijke taakstraf. De verdediging bepleit voorts dat geen beroepsverbod wordt opgelegd, omdat na de feiten geruime tijd is verstreken en de verdachte sindsdien heeft laten zien dat hij een goed ondernemer is.

Oordeel van het gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat voor bewezenverklaring van bedrieglijke bankbreuk buiten redelijke twijfel moet vaststaan dat de verdachte opzet heeft op de verkorting van de rechten van schuldeisers dan wel benadeling van hen in hun verhaalsmogelijkheden. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2010 (NJ 2010, 119) overweegt de rechtbank dat voorwaardelijk opzet volstaat. Uit het dossier blijkt dat aanzienlijke bedragen van de zakelijke rekening zijn overgeschreven naar de priverekening van de toenmalige partner, zonder dat daartoe een zakelijke verplichting bestaat. Van deze gelden worden onder meer de prive-uitgaven van het gezin betaald. De rechtbank oordeelt dat deze overboekingen zonder meer een aanmerkelijke kans in het leven roepen dat schuldeisers in het latere faillissement worden benadeeld. De rechtbank maakt evenwel een onderscheid in de tijd. Voor de periode tot 8 april 2021 acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte op de hoogte is van de nijpende financiele situatie en de overboekingen. De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van de verdachte en de getuigenverklaring van zijn toenmalige partner, die ter zitting erkent de financiele problemen en haar verslavingsproblematiek voor de verdachte verborgen te hebben gehouden. Vanaf het faillissement van de beheervennootschap op 8 april 2021 oordeelt de rechtbank anders. Vanaf dat moment heeft de verdachte als formeel bestuurder alle aanleiding zich zorgen te maken. Hij heeft persoonlijk contact met de curator gehad en toegang tot de bankgegevens van zijn ondernemingen. Door in het geheel geen onderzoek te doen naar de financiele situatie en de uitgaven van de bedrijven, heeft de verdachte vanaf 8 april 2021 willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er nog steeds overboekingen naar zijn partner plaatsvinden waarmee gelden aan de boedel worden onttrokken.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 wijst de rechtbank op de wettelijke verplichtingen van de bestuurder op grond van artikel 2:10 BW en de artikelen 68, 105a en 106 van de Faillissementswet. De rechtbank verwerpt het verweer dat het niet aan de verdachte te wijten is dat de curator geen administratie ontvangt. De verdachte is formeel en feitelijk bestuurder en de verplichtingen rusten op hem. De rechtbank stelt vast dat de verdachte begin april 2021 persoonlijk bij een ontmoeting met de curator aanwezig is geweest en dus heeft geweten wat zijn verplichtingen zijn. De rechtbank acht evenwel niet bewezen dat de verdachte alle latere berichten van de curator daadwerkelijk heeft ontvangen, nu zijn toenmalige partner deze opzettelijk bij hem heeft weggehouden. De rechtbank oordeelt dat de verdachte door in het geheel niet te communiceren over de faillissementen met de curator en zijn advocaat en geen navraag te doen waarom hij geen post ontving, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de curator geen inlichtingen en administratie ontving.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen:

  • Feit 1: als bestuurder van de werkmaatschappij, wetende dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement enig goed aan de boedel hebben onttrokken, in de periode van 9 april 2021 tot en met 20 september 2021.

  • Feit 2: als bestuurder van beide vennootschappen, tijdens het faillissement desgevraagd opzettelijk niet terstond de wettelijk vereiste administratie aan de curator verstrekken, meermalen gepleegd, in de periodes van 9 april 2021 tot en met 10 augustus 2022 respectievelijk 22 september 2021 tot en met 10 augustus 2022.

  • Feit 3: in het faillissement van de beheervennootschap wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven, door niet te voldoen aan het verzoek van de curator bij e-mail van 9 april 2021.

De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen bij feit 1 en van de bedrieglijke bankbreuk voor zover deze betrekking heeft op de periode voor 9 april 2021. Bij feit 3 wordt vrijgesproken van het niet voldoen aan de overige, later verzonden verzoeken van de curator en van het wegblijven bij het verhoor bij de rechter-commissaris.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een onvoorwaardelijke taakstraf op van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis. De rechtbank overweegt dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de verdediging bepleit, geen recht doet aan de ernst van de feiten. Ook een geheel voorwaardelijke taakstraf is naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend. De rechtbank neemt als vertrekpunt de orientatiepunten straftoemeting voor fraudedelicten met een benadelingsbedrag tussen 10.000 en 70.000 euro, die een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden noemen. De rechtbank wijkt hier aanzienlijk van af en legt slechts een taakstraf van beperkte duur op. Daarbij houdt de rechtbank sterk rekening met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. De toenmalige partner van de verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij destijds verslaafd is aan cocaine en alcohol en zowel haar verslaving als de financiele problematiek voor de verdachte verborgen heeft gehouden. De gevolgen voor de verdachte en zijn kinderen zijn zeer groot: het gezin is uit huis gezet, de verdachte is bij zijn ouders gaan wonen en moet alleen voor zijn kinderen zorgen. Hij heeft al zijn bezittingen verloren en kan vanwege eerdere huurachterstanden geen eigen woning toegewezen krijgen. De verdachte moet alle zeilen bijzetten om via zijn eenmanszaak de kost te verdienen en schulden af te betalen, en hij hoopt op korte termijn te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Ook weegt de rechtbank mee dat aanzienlijk tijdsverloop bestaat tussen het plegen van de feiten en de veroordeling, gedurende welke periode de verdachte geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie niet in de vordering tot oplegging van een beroepsverbod voor de duur van vijf jaar. Gezien het tijdsverloop acht de rechtbank oplegging daarvan niet passend.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^