Verslag Tweede Kamer over Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal: steun voor e-Evidence, maar stapel verduidelijkingsvragen
/Op 10 april 2026 heeft de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid het verslag vastgesteld bij het wetsvoorstel Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal (Kamerstukken II 2025/26, 36905, nr. 5). Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan Verordening (EU) 2023/1543 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel, en aan Richtlijn (EU) 2023/1544 inzake de aanwijzing van geadresseerden bij dienstaanbieders. Met deze instrumenten krijgen strafvorderlijke autoriteiten in de EU de bevoegdheid om rechtstreeks en grensoverschrijdend bevelen te richten aan dienstaanbieders in andere lidstaten, zonder dat daarvoor een klassiek rechtshulpverzoek nodig is. De fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA en CDA onderschrijven de achterliggende doelstelling, maar leggen een lange lijst verduidelijkingsvragen en zorgen voor. De vragen concentreren zich op rechtsbescherming, de uitvoerbaarheid van de wet, de rol van de ACM als toezichthouder en de vraag of de beoogde ingangsdatum van 18 augustus 2026 haalbaar is.
Kader: wat regelt het e-Evidence pakket
Het e-Evidence pakket maakt onderscheid tussen twee categorieën gegevens. Categorie 1 betreft verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens; categorie 2 ziet op abonneegegevens en gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op identificatie van de gebruiker. Voor categorie 1 geldt in Nederland een machtiging van de rechter-commissaris en een verplichte kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit, zoals opgenomen in artikel 8 van Verordening 2023/1543. Voor categorie 2 is die kennisgeving niet voorgeschreven en is tussenkomst van een officier van justitie of rechter-commissaris niet verplicht. Voor het uitvaardigen van een verstrekkingsbevel voor verkeers- of inhoudelijke gegevens geldt bovendien dat in de uitvaardigende lidstaat op het feit een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaar moet staan, of dat het feit is opgenomen in de lijst van 32 zware strafbare feiten in bijlage IV bij de Verordening. Deze architectuur, waarbij aanbieders rechtstreeks door buitenlandse autoriteiten worden aangesproken, vormt de kern van het voorliggende wetsvoorstel en vormt tegelijk het zwaartepunt van de vragen in het verslag.
Rechtsbescherming: het centrale thema van het verslag
De fractie van GroenLinks-PvdA benoemt in het verslag expliciet dat de invoering van de bevelen plaatsvindt zonder voorafgaande tussenkomst van een rechter. De fractie wijst op het risico dat een lidstaat waar de rechtsstaat onder druk staat, een politieke tegenstander met behulp van uit Nederland verkregen gegevens zou kunnen vervolgen. Als tweede voorbeeld noemt de fractie een justitiële autoriteit uit een lidstaat waar bijvoorbeeld euthanasie of abortus wordt vervolgd en die met behulp van Nederlandse digitale gegevens tot vervolging zou kunnen overgaan. De fractie vraagt welke waarborgen gelden om te voorkomen dat de bevelen voor dergelijke doelen worden gebruikt, en hoe het uitgangspunt van dubbele strafbaarheid zich verhoudt tot de artikelen 5 en 6 van de Verordening.
De fractie plaatst in het verslag ook vragen bij de weigeringsgronden voor de officier van justitie bij binnenkomende bevelen. Bij verkeers- en inhoudelijke gegevens kan de officier toetsen of sprake is van een weigeringsgrond. Bij abonneegegevens en identificerende gegevens bestaat die toets niet in de tenuitvoerleggingsstaat: de dienstaanbieder is gehouden de gegevens rechtstreeks te verstrekken en kan alleen bezwaar of beroep aantekenen bij een autoriteit van de uitvaardigende lidstaat. De fractie vraagt de regering of dit inderdaad de juiste lezing is van de Verordening.
D66 signaleert een vergelijkbaar spanningsveld. De fractie wijst erop dat de regering in de memorie van toelichting aangeeft dat zij niet kan tegemoetkomen aan de fundamentele kritiekpunten van de Afdeling advisering van de Raad van State over rechtsbescherming en de systematiek van directe grensoverschrijdende bevelen, omdat die punten voortvloeien uit bindende Europese regelgeving. Dat antwoord klinkt de fractie "tegenstrijdig in de oren": de kritiek ziet juist op de grondslagen van het systeem en op grondrechten van betrokkenen. D66 vraagt de regering toe te lichten welke ruimte zij ziet om de wet in te voeren zonder de rechtspositie van betrokkenen te schaden. De fractie plaatst daarnaast vragen bij de mogelijkheid tot uitstel van kennisgeving "indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist", omdat in de memorie van toelichting geen vaste termijnen zijn opgenomen waarbinnen kennisgeving alsnog moet plaatsvinden.
Implementatiezorgen: NLconnect en de telecomsector
Een tweede rode draad in het verslag zijn de praktische implementatiezorgen. Brancheorganisatie NLconnect heeft per brief kenbaar gemaakt dat een zorgvuldige invoering binnen de gestelde implementatietermijn onhaalbaar is. Volgens de organisatie ontbreken belangrijke technische afspraken, duidelijke procesbeschrijvingen en goede beveiligingsafspraken. De sector stelt dat de benodigde informatie over de werking van e-Evidence te laat is verstrekt, waardoor er te weinig tijd rest om systemen te ontwerpen, te bouwen en te testen en om medewerkers en processen in te richten. Zowel de GroenLinks-PvdA-fractie als de D66-fractie vragen de regering expliciet op deze signalen te reageren en zich uit te laten over de vraag of toezicht en handhaving pas kunnen aanvangen als aanbieders hun systemen veilig hebben kunnen inrichten.
De zorgen raken ook aan cybersecurityregels. NLconnect stelt dat de Nederlandse Cyberbeveiligingswet, die de NIS2-richtlijn implementeert, aanbieders verplicht hun netwerken en systemen zo goed mogelijk te beveiligen tegen cyberaanvallen. Dat verdraagt zich volgens de organisatie slecht met het uitwisselen van e-Evidence via het openbare internet. Om hackers of inbraak door buitenlandse staten te voorkomen pleit de sector voor een fysiek gesloten en zwaarbeveiligd systeem. De fractie van GroenLinks-PvdA vraagt of de regering deze zienswijze deelt en welke consequenties zij daaraan verbindt voor invoeringstermijn en handhaving.
Naar verluidt heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid inmiddels laten weten dat een Nederlandse portal voor de gegevensuitwisseling niet tijdig gereed zal zijn en dat dienstaanbieders zullen moeten aansluiten op het Europese Reference Implementation Systeem. NLconnect stelt dat dit systeem niet aan alle Nederlandse standaarden voor gegevensdeling voldoet. D66 vraagt of de regering alternatieven heeft verkend. De aansluiting op e-Codex verloopt via de Justitiële informatiedienst (Justid); de VVD-fractie wijst op eerdere problemen bij Justid, onder meer bij de afhandeling van inzageverzoeken, en vraagt of een uitvoeringstoets bij die dienst is uitgevoerd.
De rol van de ACM: toezichthouder op een onwennig terrein
Het wetsvoorstel wijst de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aan als toezichthouder op de naleving van de verplichting van dienstaanbieders om een geadresseerde aan te wijzen. In haar uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets van 25 juli 2025 formuleerde de ACM vier randvoorwaarden: het kunnen omgaan met onvoorspelbaarheid, omvang en beweeglijkheid van het aantal marktspelers (de ACM raamt circa 15.000 dienstaanbieders), een operationeel registratieplatform, een duidelijke scheiding tussen bestuurs- en strafrecht, en een expliciete rechtsgrondslag voor samenwerking en gegevensuitwisseling met het OM. De D66-fractie vraagt welke stand van zaken nu te melden valt op deze vier randvoorwaarden.
De VVD zet daarnaast vraagtekens bij de keuze voor de ACM als zodanig. De fractie wijst erop dat de voorliggende taak geen markttoezicht betreft en dat de kennis en expertise van de strafrechtketen bij de ACM niet zonder meer aanwezig zijn. ABDTOPConsult heeft in een verkenning geconcludeerd dat er geen ideale partij is om deze taak op zich te nemen, maar dat de ACM wel kan worden aangemerkt als de plek die zoveel mogelijk recht doet aan de opgave. De VVD vraagt waarom deze verkenning niet bij indiening van het wetsvoorstel is meegestuurd en hoe de ministeriële verantwoordelijkheid straks is geborgd wanneer fouten worden gemaakt bij het toezicht: ligt die bij de minister van Economische Zaken, die stelselverantwoordelijk is voor de ACM, of bij de minister van Justitie en Veiligheid als opdrachtgever?
De ACM had bovendien voorgesteld om in het wetsvoorstel een grondslag op te nemen voor samenwerking en gegevensuitwisseling met het OM. Die suggestie is niet overgenomen; de VVD-fractie vraagt waarom niet. In het verslag wordt daarnaast aandacht gevraagd voor de praktische effectiviteit van het toezicht: wat gebeurt er als een onderneming wel een wettelijk vertegenwoordiger heeft aangesteld, maar deze structureel niet responsief blijkt? Het toezicht van de ACM ziet op formele aanwezigheid, niet op de inhoud van de gegevensverstrekking.
Verschoningsrecht en rechterlijk kabinet
De VVD-fractie vraagt uitgebreid aandacht voor het verschoningsrecht. De Nederlandse kring van verschoningsgerechtigden is groter dan in veel andere lidstaten en wordt ook anders toegepast. In Nederland krijgt de rechter-commissaris een rol bij de vraag of bepaalde gegevens onder Europese verstrekkings- en bewaringsbevelen onder het verschoningsrecht vallen; in veel andere lidstaten zal die beoordeling niet door een rechter-commissaris plaatsvinden. De fractie vraagt om een inschatting van het aantal extra beslissingen dat hierdoor bij kabinetten van rechters-commissarissen zal belanden, of die kabinetten daarop zijn ingericht en of er voldoende extra capaciteit beschikbaar wordt gesteld. Ook wordt gevraagd hoe de toets door de rechter-commissaris zich verhoudt tot de termijn van tien dagen, of bij spoed 96 uur, die voor de kennisgeving geldt.
De fractie werpt daarnaast een meer structurele vraag op: bestaat het risico dat ondernemingen hun servers of clouddiensten juist in Nederland gaan plaatsen omdat hier meer gegevens onder het verschoningsrecht vallen dan in de meeste andere EU-lidstaten? En ontstaat daarmee rechtsongelijkheid tussen Nederlandse verschoningsgerechtigden, afhankelijk van de fysieke of juridische locatie van hun servers of clouds? De regering wordt gevraagd hierop te reflecteren en om aan te geven of op EU-niveau wordt gewerkt aan een geharmoniseerde kwaliteitsstandaard voor de autoriteiten die kennisgevingen beoordelen.
De VVD-agenda: uitbreiding naar real-time interceptie en ontsleuteling
Een opvallend onderdeel van het verslag is het pleidooi van de VVD-fractie om bij de eerste evaluatie van de Verordening in EU-verband een voorstel in te dienen tot uitbreiding naar real-time interceptie en ontsleuteling. De fractie stelt dat het onderscheid tussen "opgeslagen gegevens" en "real-time gegevens" technisch gezien kunstmatig is geworden. Zij verwijst bovendien naar de Amerikaanse CLOUD Act, die bijvoorbeeld wel ruimte biedt voor bevelen tot ontsleuteling en onderschepping van real-time dataverkeer. Volgens de fractie is uitbreiding nodig om te voorkomen dat de handhavingskloof tussen opsporingsdiensten in de Verenigde Staten en de Europese Unie te groot wordt. De regering wordt gevraagd het belang van de aanpak van georganiseerde grensoverschrijdende criminaliteit te erkennen en, indien zij niet voor uitbreiding wil pleiten, dat uitgebreid te motiveren.
De fractie plaatst verder een beleidsvraag bij de reikwijdte van de Verordening. Die reikwijdte is op grond van artikel 2, tweede lid, beperkt tot strafzaken. In geval van urgente persoonsvermissingen zonder verdenking van een strafbaar feit kan daardoor geen Europees verstrekkings- of bewaringsbevel worden uitgevaardigd. De VVD-fractie vraagt of dit punt bij de totstandkoming van de Verordening expliciet is besproken en of de regering bereid is dit bij de Europese evaluatie in te brengen.
Financiële en procedurele kanttekeningen
Voor de implementatie zijn bedragen gereserveerd die oplopen van 4,8 miljoen euro in 2024 tot 10,7 miljoen euro in 2029. De VVD vraagt welke aannames ten grondslag liggen aan deze raming en welke bijsturing mogelijk is als de aantallen in- en uitgaande bevelen hoger uitvallen dan voorzien. De Raad voor de rechtspraak heeft de structurele werklasttoename voor de rechter-commissaris en de raadkamer geraamd op 737.000 euro per jaar.
De GroenLinks-PvdA-fractie wijst erop dat consultatie formeel niet was voorgeschreven omdat het implementatiewetgeving van EU-recht betreft, maar verzoekt de regering om naast het OM, de Raad voor de rechtspraak, de politie en de ACM ook de Nederlandse Orde van Advocaten en de Autoriteit Persoonsgegevens om commentaar te vragen. De CDA-fractie vraagt naar de verhouding tot de modernisering van het Wetboek van Strafvordering: worden de bevoegdheden uit de uitvoeringswet direct en beleidsneutraal overgezet via de tweede aanvullingswet of via de invoeringswet van het nieuwe Wetboek?
Haalbaarheid van 18 augustus 2026
De eerste implementatiedeadline van 18 februari 2026 voor de richtlijn is niet gehaald door Nederland. De CDA-fractie vraagt wat de consequenties daarvan zijn en of andere lidstaten eveneens achterlopen. De centrale vraag in het verslag is of de datum van 18 augustus 2026, waarop de Verordening rechtstreeks werkt, wel haalbaar is. De D66-fractie stelt dezelfde vraag nadrukkelijk vanuit het perspectief van de sector. Gelet op het samenstel van signalen in het verslag, de openstaande technische randvoorwaarden en de tijd die nodig is voor beantwoording en verdere parlementaire behandeling, lijkt die vraag in de komende maanden niet louter theoretisch te blijven.
Afsluiting
Het verslag laat zien dat de Kamerfracties in grote lijnen de doelen van het e-Evidence pakket onderschrijven, maar dat belangrijke vragen openstaan over de borging van rechtsbescherming binnen een systeem van directe grensoverschrijdende bevelen, over de positionering en toerusting van de ACM, over de verhouding tot het Nederlandse verschoningsrecht en de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, en over de praktische haalbaarheid van de inwerkingtreding per 18 augustus 2026. De behandeling in de Tweede Kamer zal moeten uitwijzen hoe de regering de fundamentele kritiekpunten, die naar haar opvatting voortvloeien uit bindende EU-regelgeving, binnen de Nederlandse uitvoeringswet van adequate waarborgen voorziet en hoe de brug wordt geslagen tussen de Europese tijdlijn en de operationele realiteit bij dienstaanbieders, OM, rechtspraak en toezichthouder.
