Positieve verplichtingen onder artikel 8 EVRM en de rol van de nationale rechter

In het Nederlands Tijdschrift voor de Mensenrechten (NTM|NJCM-Bulletin, jrg. 51, nr. 1, 2026) verscheen een lezenswaardige bijdrage van Ellen Gijselaar (Universiteit Leiden) en Anneloes Kuiper-Slendebroek (Universiteit Utrecht) over de toepassing van positieve verplichtingen onder artikel 8 EVRM door de Nederlandse civiele rechter. De auteurs analyseren aan de hand van recente procedures over geluidshinder rond Schiphol en geuroverlast door intensieve veehouderijen hoe de fair balance-test in de Nederlandse rechtspraktijk wordt gehanteerd. Hun conclusie: de toetsing is in sommige gevallen te dun gemotiveerd, sluit onvoldoende aan bij de methodologie van het EHRM en maakt soms oneigenlijk gebruik van de margin of appreciation-doctrine.

Kern van de bijdrage

Gijselaar en Kuiper onderzoeken hoe de Nederlandse civiele rechter omgaat met de positieve verplichtingen die uit artikel 8 EVRM voortvloeien in hinder- en overlastzaken. Zij constateren dat partijen steeds vaker rechtstreeks een beroep doen op het EVRM, in plaats van uitsluitend terug te vallen op de nationale zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Die ontwikkeling brengt met zich dat de rechter een eigenstandige, EVRM-conforme toetsing moet uitvoeren. De auteurs laten zien dat die toetsing nog niet altijd voldoet aan de eisen die het EHRM stelt.

Centraal staan de Schiphol-zaak (Rb. Den Haag 20 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3734) en de Varkenshouderijen-zaak (Rb. Den Haag 14 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:9119), inclusief de recente uitspraken in hoger beroep. De auteurs wijzen op een aantal knelpunten: de summiere motivering van de fair balance-test in Varkenshouderijen, het oneigenlijke beroep van de Staat op de margin of appreciation in beide zaken en de terughoudendheid van de rechter om internationale, niet-bindende normen (zoals WHO-richtlijnen) te betrekken bij de vaststelling van het beschermingsniveau.

Relevantie voor de bijzonder-strafrechtpraktijk

Hoewel de bijdrage zich richt op civielrechtelijke aansprakelijkheid, is zij ook voor de strafrechtpraktijk relevant. De wijze waarop de civiele rechter positieve verplichtingen onder artikel 8 EVRM toepast, raakt aan vraagstukken die ook in het milieustrafrecht spelen. Denk aan de beoordeling van de ernst van milieuschade, de rol van nationale en internationale normen bij de vaststelling van strafbare feiten op grond van artikel 173a en 173b Sr, en de vraag in hoeverre de Staat zijn handhavingsverplichtingen nakomt. De door de auteurs gesignaleerde spanning tussen nationale beoordelingsruimte en EVRM-conforme toetsing is bovendien van belang voor de bredere discussie over de doorwerking van mensenrechten in het strafrecht, onder meer bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de straftoemeting in milieustrafzaken.

Afsluiting

De bijdrage van Gijselaar en Kuiper biedt een grondig overzicht van de stand van zaken rond de toepassing van artikel 8 EVRM in hinder- en overlastzaken en formuleert concrete verbeterpunten voor zowel de rechter als de wetgever. Het volledige artikel is open access beschikbaar via het NTM|NJCM-Bulletin.

Print Friendly and PDF ^