Verschoningsrecht notaris prevaleert: testamenten van overleden persoon zijn geen instrumenta delicti in onderzoek mensenhandel
/Rechtbank Noord-Holland 14 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:4134
De rechtbank Noord-Holland verklaart op 14 april 2026 het klaagschrift van een notaris ex artikel 98 lid 4 jo. artikel 552a Sv gegrond. Een rechter-commissaris heeft eerder beslist dat het beslag op een concept-testament en een herroepen testament van een overleden persoon, opgemaakt door de notaris, mocht voortduren in een onderzoek naar mensenhandel. De rechtbank oordeelt dat de testamenten geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken in de zin van artikel 98 lid 5 Sv, omdat de verdenking jegens de verdachte uitsluitend ziet op uitbuiting van een andere persoon dan de overledene. Evenmin doen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voor die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. De stukken staan niet in zodanig direct verband met het strafbare feit dat zij kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.
Inleiding en context
De zaak betreft een klaagschriftprocedure ex artikel 98, vierde lid, juncto artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. De klager is een notaris, woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw te Amsterdam. Het onderliggende strafrechtelijk onderzoek richt zich tegen een verdachte die ervan wordt verdacht zich in de periode van 1 september 2022 tot en met 4 november 2025 schuldig te hebben gemaakt aan mensenhandel, in het bijzonder de financiële uitbuiting van een persoon. Tijdens het onderzoek komt naar voren dat Veilig Thuis in 2017 een melding heeft gedaan van mogelijk financieel misbruik en emotioneel geweld door de verdachte ten aanzien van een andere, inmiddels overleden persoon. Die persoon is op 4 april 2019 overleden.
Op 4 november 2025 vindt een doorzoeking plaats op het adres van de verdachte. Daarbij wordt beslag gelegd op drie documenten die alle verband houden met de overleden persoon: een testament van 23 augustus 2016, verleden door een kandidaat-notaris als waarnemer van de klager, een concept-testament, en een eerder, inmiddels herroepen testament van 17 maart 2005, dat door de klager zelf is verleden. Bij brief van 19 november 2025 verzoekt de rechter-commissaris de klager zich uit te laten over de vraag of de stukken onder zijn verschoningsrecht vallen. De klager beroept zich op zijn geheimhoudingsplicht en daarmee op zijn verschoningsrecht.
Bij beslissing van 3 december 2025 oordeelt de rechter-commissaris dat de voortduring van het beslag is toegestaan en dat de drie documenten ter kennisname aan de officier van justitie kunnen worden verstrekt voor gebruik in het strafrechtelijk onderzoek. Tegen deze beslissing dient de klager op 17 december 2025 een klaagschrift in, dat ziet op twee van de drie documenten: het concept-testament en het herroepen testament uit 2005. De rechtbank Noord-Holland behandelt het klaagschrift in openbare raadkamer op 31 maart 2026.
Juridisch kader
Centraal staat de reikwijdte van het verschoningsrecht van de notaris en de uitzondering van artikel 98 lid 5 Sv. Op grond van artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming geen brieven of geschriften in beslag worden genomen waarover hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Artikel 98 lid 5 Sv bevat een uitzondering: brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken (corpora delicti) of tot het begaan daarvan hebben gediend (instrumenta delicti) vallen niet onder de geheimhoudingsplicht en daarmee evenmin onder het verschoningsrecht.
Het beoordelingskader vloeit voort uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Het oordeel of stukken onder het verschoningsrecht vallen komt in beginsel toe aan de verschoningsgerechtigde zelf. Diens standpunt dient te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan dat het onjuist is. Of stukken voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, hangt af van de aard van de stukken, de aard van het delict en de feitelijke gedragingen die de verdachte worden verweten (vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8). De enkele omstandigheid dat een stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding is onvoldoende. Daarnaast geldt dat het verschoningsrecht niet absoluut is: in zeer uitzonderlijke omstandigheden moet het belang van de waarheidsvinding zwaarder wegen dan het verschoningsrecht (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205). Bij de beoordeling van die uitzonderlijkheid spelen de aard en ernst van het feit, de aard en inhoud van het materiaal, de mate waarin cliëntbelangen worden geschaad en de vraag of de informatie ook op andere wijze kan worden verkregen een rol.
Standpunt van de klager
De klager voert aan dat de beslissing van de rechter-commissaris onvoldoende aanknopingspunten biedt voor doorbreking van het verschoningsrecht in het belang van de waarheidsvinding. Uit de motivering blijkt volgens hem niet welke rol de geheimhoudersstukken spelen bij het strafbare feit. De aard en ernst van het feit, het belang dat door het verschoningsrecht wordt beschermd, de mate waarin de belangen van de cliënt worden geschaad en de mogelijkheid de informatie op andere wijze te verkrijgen, lijken niet kenbaar te zijn meegewogen. Voorts wijst de klager erop dat de rechter-commissaris geen kenbaar advies heeft ingewonnen bij de Ringvoorzitter van de Ring Noord-Holland van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, terwijl dit gebruikelijk zou zijn.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring van het klaagschrift. Volgens haar is het oordeel van de rechter-commissaris dat de stukken voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, niet ondeugdelijk. Zij betwijfelt in hoeverre de rechter-commissaris bij de beoordeling van geheimhoudersstukken een uitgebreide inhoudelijke motiveringsplicht heeft ten behoeve van de niet-verdachte notaris. Op grond van artikel 98 lid 6 Sv kan de rechter-commissaris zich laten adviseren door de Ringvoorzitter, maar zij is daartoe niet verplicht. Ter zitting licht de officier van justitie toe dat de verdenking jegens de verdachte uitsluitend ziet op de uitbuiting van een andere persoon dan de overledene. Naar een eventuele uitbuiting van de overleden persoon door de verdachte wordt geen zelfstandig onderzoek verricht. De overleden persoon speelt een rol in de marge; de resultaten van het onderzoek aan de twee documenten kunnen mogelijk relevant zijn voor de duiding van een modus operandi en/of in het kader van de strafmaat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht zich bevoegd en oordeelt dat het klaagschrift tijdig is ingediend, zodat de klager ontvankelijk is. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de stukken kwalificeren als geheimhoudersstukken die in beginsel onder het verschoningsrecht vallen.
De eerste vraag is of de twee documenten onder de uitzondering van artikel 98 lid 5 Sv vallen. De rechtbank acht hierbij doorslaggevend dat de verdenking jegens de verdachte uitsluitend ziet op de uitbuiting van de andere persoon, en niet op die van de overleden persoon. Naar de eventuele uitbuiting van de overleden persoon wordt blijkens de toelichting van de officier van justitie geen zelfstandig onderzoek gedaan. Onder die omstandigheden kunnen de testamenten van de overledene niet worden aangemerkt als voorwerpen die tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend. De rechtbank wijkt op dit punt uitdrukkelijk af van het standpunt van de officier van justitie. De tussenconclusie luidt dat het verschoningsrecht zich onverkort over de twee documenten uitstrekt en dat artikel 98 lid 5 Sv hieraan niet afdoet.
Vervolgens beoordeelt de rechtbank of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hiervan geen sprake is. De rechtbank schaart zich achter dit standpunt en beschikt evenmin over informatie waaruit blijkt dat de stukken in zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan de verdachte wordt verdacht, dat zij kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR 30 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280). Daarmee ontbreekt de op grond van vaste rechtspraak vereiste rechtstreekse relatie tussen de geheimhoudersstukken en de tenlastegelegde gedragingen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond. Het beslag op het concept-testament en het herroepen testament uit 2005 wordt daarmee niet langer gehandhaafd ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek; de stukken kunnen niet aan de officier van justitie worden verstrekt voor gebruik in het onderzoek tegen de verdachte. De uitspraak bevestigt dat de uitzondering van artikel 98 lid 5 Sv slechts toepassing vindt indien er een rechtstreeks verband bestaat tussen de inbeslaggenomen stukken en de tenlastegelegde gedragingen. De enkele bijdrage aan de waarheidsvinding, of relevantie voor de duiding van een modus operandi of de strafmaat, is onvoldoende om het verschoningsrecht van de notaris te doorbreken. De uitspraak past binnen de strikte lijn die de Hoge Raad hanteert ten aanzien van inbreuken op het notariële verschoningsrecht.
