Rechtbank Den Haag matigt maatregel kostenverhaal van € 129.968 naar € 10.000 wegens onvoldoende inzichtelijke onderbouwing vernietigingskosten professioneel vuurwerk

Rechtbank Den Haag 13 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8927

De rechtbank Den Haag veroordeelt een verdachte tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, voor pseudokoop en het opslaan en voorhanden hebben van ruim 1.760 kilogram professioneel vuurwerk in een loods, een schuur en drie bestelbussen. Het Openbaar Ministerie vordert oplegging van de maatregel kostenverhaal ex artikel 8 onder d WED voor een bedrag van € 129.968 ter dekking van de vernietigingskosten van het inbeslaggenomen vuurwerk. De rechtbank acht aannemelijk dat de Staat kosten heeft gemaakt, maar oordeelt dat de onderbouwing van het gevorderde bedrag onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Een concrete onderbouwing met facturen en onderliggende contracten ontbreekt, terwijl het Openbaar Ministerie zich beperkt tot een schatting op basis van een gemiddelde kostprijs per gewichtseenheid uit andere zaken. De rechtbank wijst erop dat bij grote hoeveelheden vuurwerk de werkelijke kostprijs per kilogram lager kan uitvallen vanwege vaste kostencomponenten. Met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid stelt de rechtbank het te verhalen bedrag vast op € 10.000.

Inleiding en context

De zaak speelt voor de meervoudige economische kamer van de rechtbank Den Haag en betreft een natuurlijke persoon, geboren in 1988, die ten tijde van de uitspraak is gedetineerd. Het onderzoek ter terechtzitting vindt plaats op 30 maart 2026, waarna op 13 april 2026 vonnis wordt gewezen. De verdachte is op 3 december 2025 en 17 december 2025 in s-Gravenhage betrokken bij twee pseudokopen waarbij hij professioneel vuurwerk overdraagt aan een undercoveragent van de politie. Op 17 december 2025 wordt in s-Gravenhage en Zoetermeer een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk aangetroffen in een loods-werkruimte, in de schuur van een woning behorend tot de moeder van zijn kinderen en in drie bestelbussen. De totale hoeveelheid bedraagt ongeveer 1.760,65 kilogram. De zaak wordt behandeld in eerste aanleg op tegenspraak.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vier feiten. Feit 1 betreft het op 3 december 2025 opzettelijk ter beschikking stellen en voorhanden hebben van drie pakketten Tropic TA53 aan een pseudokoper. Feit 2 betreft het op 17 december 2025 tezamen en in vereniging opzettelijk ter beschikking stellen en voorhanden hebben van drie enkelschotsbuizen aan een pseudokoper. Feit 3 ziet op het opslaan en voorhanden hebben van een omvangrijke en gespecificeerde hoeveelheid professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, in bestelbussen, een loods en een schuur. Feit 4 betreft het al dan niet opzettelijk voorhanden hebben van ongeveer 1.760,65 kilogram vuurwerk buiten een daartoe vergunde inrichting. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 1.2.2 en artikel 1.2.4 Vuurwerkbesluit, in samenhang met artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer en artikel 1a, 2, 6 en 8 van de Wet op de economische delicten. Voor de strafoplegging zijn voorts de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht van belang.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie rekwireert tot bewezenverklaring van de vier ten laste gelegde feiten en vordert oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast vordert het Openbaar Ministerie oplegging van de maatregel kostenverhaal als bedoeld in artikel 8 onder d WED voor een totaalbedrag van € 129.968. Ter onderbouwing legt het Openbaar Ministerie stukken over waarin op basis van andere zaken een gemiddelde kostprijs per gewichtseenheid is berekend, welke gemiddelde kostprijs vervolgens wordt vermenigvuldigd met het in deze zaak aangetroffen gewicht aan vuurwerk. Met betrekking tot het beslag vordert het Openbaar Ministerie verbeurdverklaring van de personenauto Mercedes Benz en de iPhone, en teruggave van de personenauto Kia aan de rechthebbende.

Standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit ten aanzien van de feiten 2 en 3 uitsluitend partiële vrijspraak van het medeplegen. Voor het overige worden de feiten erkend. Met betrekking tot de strafmaat stelt de verdediging voor om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een taakstraf of voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de maatregel kostenverhaal verzoekt de raadsman primair tot afwijzing en subsidiair tot matiging van het gevorderde bedrag. De verdediging verzoekt voorts tot teruggave van de inbeslaggenomen voertuigen en de iPhone.

Oordeel gerecht

De rechtbank acht alle vier de feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het bewijs volstaat de rechtbank op grond van artikel 359, derde lid, Sv met een opgave van bewijsmiddelen, nu de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd ter terechtzitting en daarna niet anders heeft verklaard.

Met betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer tegen het medeplegen bij feit 2 oordeelt de rechtbank dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte rijdt op 17 december 2025 als bijrijder samen met zijn medeverdachte in een personenauto naar de afspraak met de pseudokoper. Beiden stappen uit het voertuig en verplaatsen vervolgens gezamenlijk de dozen met vuurwerk naar het voertuig van de pseudokoper. Deze gezamenlijke uitvoering vormt naar het oordeel van de rechtbank de kern van het medeplegen.

Het zwaartepunt van de uitspraak ligt bij de beoordeling van de gevorderde maatregel kostenverhaal ex artikel 8 onder d WED. De rechtbank stelt voorop dat deze maatregel niet is bedoeld als punitieve sanctie, maar het mogelijk maakt de kosten te verhalen die de Staat moet maken voor de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of de volksgezondheid en die aan het verkeer worden onttrokken. De rechtbank acht aannemelijk dat in deze zaak kosten zijn gemaakt om het aangetroffen vuurwerk te vernietigen, gelet op de aanzienlijke hoeveelheid en het belang van de waarborging van de veiligheid van de samenleving.

De rechtbank oordeelt evenwel dat het Openbaar Ministerie de hoogte van de gevorderde kosten onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Een concrete onderbouwing van de kosten in deze specifieke zaak, in de vorm van facturen en onderliggende contracten, ontbreekt. Het Openbaar Ministerie maakt evenmin duidelijk waarom een dergelijke concrete onderbouwing achterwege blijft en waarom in plaats daarvan wordt volstaan met een schatting op basis van een gemiddelde kostprijs uit andere zaken. Bovendien is niet inzichtelijk gemaakt op basis van welke gegevens dat gemiddelde tot stand is gekomen.

De rechtbank wijst er voorts op dat het mogelijk is dat in de onderhavige zaak de kostprijs per gewichtseenheid lager ligt dan het gemiddelde in andere zaken. Een deel van de vernietigingskosten betreft naar verwachting vaste kosten, die niet evenredig meeschalen met de aangetroffen hoeveelheid. Daarbij moet onder meer worden gedacht aan het ter plaatse komen van een gespecialiseerd team, aan transport en aan opslag. Bij grote hoeveelheden vuurwerk, zoals in deze zaak, kunnen de kosten per kilogram daardoor aanzienlijk lager uitvallen dan het door het Openbaar Ministerie gehanteerde gemiddelde. Op grond van het voorgaande maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelt het te verhalen bedrag vast op € 10.000.

Bewezenverklaring

Bewezen wordt verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • het op 3 december 2025 in s-Gravenhage opzettelijk ter beschikking stellen aan een pseudokoper en voorhanden hebben van drie pakketten professioneel vuurwerk Tropic TA53;

  • het op 17 december 2025 in s-Gravenhage tezamen en in vereniging opzettelijk ter beschikking stellen aan een pseudokoper en voorhanden hebben van drie enkelschotsbuizen professioneel vuurwerk;

  • het op 17 december 2025 in s-Gravenhage en Zoetermeer opzettelijk opslaan en voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk in drie bestelbussen, een loods-werkruimte en de schuur van een woning;

  • het op 17 december 2025 in s-Gravenhage en Zoetermeer voorhanden hebben van ongeveer 1.760,65 kilogram vuurwerk buiten een daartoe vergunde inrichting.

De rechtbank verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Bij de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor vuurwerkdelicten en met gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank rekent de verdachte aan dat hij door de opslag van een aanzienlijke hoeveelheid professioneel vuurwerk in een schuur midden in een woonwijk een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd voor omwonenden en de algemene veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar heeft gebracht. Uit het strafblad van 3 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten. Het voorwaardelijke deel dient enerzijds om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte te weerhouden van toekomstige strafbare feiten. Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank wijkt op een belangrijk onderdeel af van de vordering van het Openbaar Ministerie. Het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf wordt vastgesteld op vijf maanden in plaats van de gevorderde drie maanden. De maatregel kostenverhaal wordt opgelegd voor een bedrag van € 10.000 in plaats van het gevorderde bedrag van € 129.968. Bij niet-betaling kan ten hoogste honderd dagen gijzeling worden toegepast, zonder dat daardoor de betalingsverplichting vervalt.

Met betrekking tot het beslag gelast de rechtbank teruggave aan de rechthebbenden van de personenauto Kia en de personenauto Mercedes Benz. De iPhone wordt verbeurdverklaard, nu deze aan de verdachte toebehoort en met behulp daarvan een deel van de bewezenverklaarde feiten is begaan. Het inbeslaggenomen vuurwerk wordt aan het verkeer onttrokken, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^