Verzameling biometrische gegevens in strafrechtelijk onderzoek: HvJ EU stelt strenge eisen in zaak Comdribus

Op 19 maart 2026 wees het Hof van Justitie van de Europese Unie een belangrijk arrest in zaak C-371/24 (Comdribus) over de verzameling van biometrische gegevens in het kader van strafrechtelijk onderzoek. Het arrest verduidelijkt de eisen die het Unierecht stelt aan nationale autoriteiten wanneer zij vingerafdrukken en foto's willen verzamelen van verdachten. De uitspraak raakt het snijvlak van gegevensbescherming en strafrecht en is relevant voor de Nederlandse praktijk.

De feiten

In mei 2020 werd HW in Parijs aangehouden tijdens een klimaatdemonstratie op de Champs-Élysées. Hij werd verdacht van het organiseren van een niet-aangemelde demonstratie en van wederspannigheid. Tijdens zijn inverzekeringstelling maakte HW zijn identiteit kenbaar, maar weigerde hij mee te werken aan het nemen van vingerafdrukken en het maken van foto's.

Die weigering leidde ertoe dat HW werd veroordeeld tot een geldboete van 300 euro, en dat terwijl hij werd vrijgesproken van het strafbare feit dat de aanleiding vormde voor de identificatiemaatregel. HW bestreed de veroordeling met het argument dat de Franse wetgeving niet in overeenstemming was met de Europese regels voor de bescherming van persoonsgegevens in strafzaken.

De prejudiciële vragen

De cour d'appel de Paris stelde het Hof van Justitie in essentie drie vragen:

  1. Systematische verzameling: Staat het Unierecht toe dat nationale autoriteiten systematisch vingerafdrukken en foto's verzamelen van iedere persoon die verdacht wordt van een strafbaar feit, zonder per geval de noodzaak te beoordelen?

  2. Motiveringsplicht: Moet de bevoegde autoriteit in elk individueel geval motiveren waarom de verzameling strikt noodzakelijk is?

  3. Strafbaarstelling van weigering: Mag een persoon worden vervolgd en veroordeeld voor de weigering om mee te werken aan de identificatie, ook als diegene niet is vervolgd of veroordeeld voor het onderliggende strafbare feit?

Het oordeel van het Hof

Biometrische gegevens vereisen versterkte bescherming

Het Hof herinnerde eraan dat biometrische gegevens, zoals vingerafdrukken en foto's, gevoelige persoonsgegevens zijn in de zin van Richtlijn (EU) 2016/680 (de LED, de richtlijn voor gegevensverwerking in strafzaken). Verwerking van dergelijke gegevens is uitsluitend toegestaan wanneer zij strikt noodzakelijk is en wanneer passende waarborgen gelden voor de rechten en vrijheden van de betrokkene.

1. Geen systematische verzameling

Het Hof oordeelde dat het enkele feit dat er redelijke gronden bestaan om iemand van een strafbaar feit te verdenken, op zichzelf niet volstaat om de verzameling van biometrische gegevens te rechtvaardigen. Nationale wetgeving die de verzameling systematisch maakt, zonder dat de bevoegde autoriteit per geval kan beoordelen of die verzameling noodzakelijk is, is in strijd met het Unierecht. Een dergelijke regeling zou namelijk leiden tot een ongedifferentieerde en algemene verzameling van biometrische gegevens.

Het nationale recht moet de concrete doeleinden van de verzameling voldoende nauwkeurig omschrijven en de bevoegde autoriteit moet in elk afzonderlijk geval beoordelen of de verzameling strikt noodzakelijk is. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de aard en ernst van het ten laste gelegde feit, de bijzondere omstandigheden, het mogelijke verband met andere lopende procedures en de gerechtelijke antecedenten of het profiel van de betrokkene.

2. Motiveringsplicht

Het Hof bevestigde dat de bevoegde autoriteit in elk individueel geval afdoende moet motiveren waarom de verzameling van biometrische gegevens strikt noodzakelijk is. Die motivering mag beknopt zijn, maar moet voldoende duidelijk zijn om de betrokkene in staat te stellen te begrijpen waarom de maatregel wordt genomen en om zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte uit te oefenen.

Belangrijk is dat de rechterlijke toetsing achteraf deze motiveringsplicht van de autoriteit niet kan vervangen. De bevoegde autoriteit moet zelf de beoordeling verrichten; juist die beoordeling maakt een doeltreffende rechterlijke controle mogelijk. Het Hof wees er daarbij op dat deze verplichting geen onredelijke belasting vormt, aangezien de verzameling hoe dan ook niet systematisch mag plaatsvinden.

3. Strafbaarstelling van weigering onder voorwaarden toelaatbaar

Op de derde vraag oordeelde het Hof dat het Unierecht zich niet verzet tegen nationale wetgeving die de weigering om mee te werken aan de verzameling van biometrische gegevens als zelfstandig strafbaar feit aanmerkt, ook als de betrokkene niet is vervolgd of veroordeeld voor het onderliggende delict. Daar gelden echter twee belangrijke voorwaarden voor:

  • De beoogde verzameling van gegevens moet voldoen aan het vereiste van strikte noodzakelijkheid in de zin van artikel 10 van Richtlijn 2016/680.

  • De strafrechtelijke sanctie die voor de weigering wordt opgelegd, moet in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel (artikel 49, lid 3, Handvest).

De rechter die over de sanctie beslist, moet daarbij rekening houden met het gedrag en het profiel van de betrokkene, eerder gepleegde strafbare feiten en de ernst van het onderliggende delict.

Relevantie voor de Nederlandse praktijk

Dit arrest heeft directe consequenties voor alle EU-lidstaten. De boodschap van het Hof is helder: het verzamelen van biometrische gegevens in het kader van strafrechtelijk onderzoek mag niet op de automatische piloot. De bevoegde autoriteit moet per geval beoordelen en motiveren waarom de verzameling strikt noodzakelijk is, met inachtneming van de concrete omstandigheden. En hoewel de strafbaarstelling van een weigering om mee te werken in beginsel is toegestaan, moet de onderliggende gegevensverzameling zelf aan alle Unierechtelijke vereisten voldoen.

Het arrest sluit aan bij de lijn die het Hof eerder uitzette in de arresten Ministerstvo na vatreshnite raboti (C-205/21) en Policejní prezidium (C-57/23), maar voegt daar een belangrijke dimensie aan toe: de uitdrukkelijke erkenning dat ook de strafbaarstelling van de weigering om mee te werken aan gegevensverzameling binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, en dat de rechtmatigheid van die strafbaarstelling afhankelijk is van de rechtmatigheid van de gegevensverzameling zelf.

Print Friendly and PDF ^