Het DOJ publiceert zijn eerste departementbrede handhavingsbeleid voor corporate criminal matters
/Op 10 maart 2026 publiceerde het Amerikaanse Department of Justice (DOJ) het eerste departementbrede Corporate Enforcement and Voluntary Self-Disclosure Policy (CEP). Het beleid geldt voor alle corporate criminal matters binnen het DOJ, met uitzondering van antitrustzaken. Het vervangt alle bestaande richtlijnen van de afzonderlijke DOJ-onderdelen en de 93 U.S. Attorney's Offices in het land.
Achtergrond
Het nieuwe beleid heeft een lange voorgeschiedenis. In 2016 introduceerde de Criminal Division van het DOJ het FCPA Pilot Program, specifiek voor zaken onder de Foreign Corrupt Practices Act (FCPA), de Amerikaanse anti-omkopingswet. Dat programma bood bedrijven die zelf wangedrag meldden de mogelijkheid om strafrechtelijke vervolging te ontlopen. In 2017 werd het FCPA Pilot Program omgezet in een permanent beleid, het FCPA Corporate Enforcement Policy.
In januari 2023 breidde het DOJ het beleid uit tot alle corporate criminal matters die door de Criminal Division werden behandeld, niet meer alleen FCPA-zaken. Het heette voortaan het Corporate Enforcement and Voluntary Self-Disclosure Policy. In mei 2025 volgden verdere aanpassingen onder de tweede Trump-administratie, als onderdeel van een breder White Collar Enforcement Plan.
Al die tijd gold het beleid echter alleen voor de Criminal Division en niet voor de U.S. Attorney's Offices of andere DOJ-onderdelen. Elk van die kantoren hanteerde eigen richtlijnen, wat leidde tot uiteenlopende uitkomsten afhankelijk van welk kantoor een zaak behandelde. In december 2025 kondigde Deputy Attorney General Todd Blanche tijdens een conferentie van het American Conference Institute aan dat het DOJ in 2026 een uniform, departementbreed beleid zou publiceren. Op 24 februari 2026, twee weken voor de publicatie van het departementbrede beleid, lanceerde de U.S. Attorney's Office voor het Southern District of New York nog een eigen Corporate Enforcement Program voor financiële misdrijven. Ook dat programma wordt nu vervangen door het nieuwe departementbrede beleid.
Het drielagenmodel
Het CEP hanteert een drielagenmodel voor de afhandeling van corporate criminal matters.
Laag 1: Declination (geen vervolging)
Het DOJ zal een bedrijf niet vervolgen wanneer aan vier voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet het bedrijf het wangedrag vrijwillig hebben gemeld bij het juiste DOJ-onderdeel. Ten tweede moet het bedrijf volledig hebben meegewerkt aan het onderzoek. Ten derde moet het bedrijf de misstanden tijdig en adequaat hebben gesaneerd. Ten vierde mogen er geen verzwarende omstandigheden zijn, zoals bijzonder ernstig of wijdverspreid wangedrag, ernstige schade, of recidive.
Een belangrijk verschil met eerdere versies van het beleid is de formulering. Waar voorheen sprake was van een "vermoeden" dat het DOJ niet zou vervolgen, staat in het nieuwe beleid dat het DOJ vervolging "zal" afwijzen wanneer aan de criteria is voldaan. Volgens Gibson Dunn beoogt het DOJ hiermee bedrijven meer zekerheid te bieden.
Het bedrijf moet als onderdeel van een declination wel alle wederrechtelijk verkregen winst terugbetalen (disgorgement) en eventuele slachtoffers compenseren. Er wordt geen strafrechtelijke boete opgelegd. Het DOJ maakt alle declinations openbaar.
Laag 2: Near miss (non-prosecution agreement)
Bedrijven die wel te goeder trouw hebben gemeld maar niet aan alle eisen voor een declination voldoen, vallen onder de zogeheten "near miss"-categorie. Dit kan het geval zijn wanneer de melding niet volledig aan de definitie van vrijwillige zelfmelding voldoet, of wanneer er verzwarende omstandigheden zijn.
In die situaties biedt het DOJ volgens het beleid een non-prosecution agreement (NPA) aan, met een looptijd van minder dan drie jaar. Er wordt geen onafhankelijke compliance-monitor aangesteld. Het bedrijf kan rekenen op een boetevermindering van 50 tot 75 procent ten opzichte van het laagste punt van de richtlijnen van de U.S. Sentencing Guidelines.
Een verschil met het eerdere beleid van de Criminal Division: dat bood in near-miss-gevallen een vaste korting van 75 procent. Het nieuwe departementbrede beleid verlaagt de ondergrens naar 50 procent, wat aanklagers meer beoordelingsruimte geeft.
Laag 3: Overige zaken
Bedrijven die niet in aanmerking komen voor laag 1 of laag 2 vallen onder laag 3. Hier beschikken aanklagers over volledige beoordelingsvrijheid wat betreft de vorm van de schikking, de looptijd, compliance-verplichtingen (inclusief de mogelijke aanstelling van een monitor) en de hoogte van boetes. De maximale boetevermindering bedraagt in deze categorie 50 procent.
Voorwaarden voor vrijwillige zelfmelding
Het beleid stelt vijf eisen aan een geldige vrijwillige zelfmelding. Volgens Latham & Watkins en Sidley Austin moet het bedrijf (1) te goeder trouw melding doen bij het juiste DOJ-onderdeel, (2) wangedrag melden dat nog niet bekend was bij het DOJ, (3) geen bestaande wettelijke verplichting hebben om het te melden, (4) melden voordat er een dreiging van ontdekking of een overheidsonderzoek is, en (5) melden binnen een redelijk snelle termijn na ontdekking van het wangedrag. De bewijslast voor de tijdigheid ligt bij het bedrijf.
Een melding die uitsluitend wordt gedaan bij toezichthouders, andere overheidsinstanties of civielrechtelijke handhavingsorganen, telt in principe niet als vrijwillige zelfmelding onder het CEP. Wel kan het DOJ dergelijke meldingen in bepaalde gevallen meewegen bij de beoordeling van de medewerking en remediëring van het bedrijf.
De klokkenluidersuitzondering
Het beleid bevat een uitzondering die samenhangt met het Corporate Whistleblower Awards Pilot Program van het DOJ. Wanneer een klokkenluider tegelijkertijd een interne melding doet bij het bedrijf en een melding bij het DOJ, kan het bedrijf alsnog in aanmerking komen voor een declination. De voorwaarde is dat het bedrijf het wangedrag zo snel als redelijkerwijs mogelijk, maar uiterlijk binnen 120 dagen na ontvangst van de interne klokkenluidersmelding, zelf meldt bij het DOJ.
De formulering is iets strenger dan in het eerdere beleid van de Criminal Division. Dat beleid stelde de termijn op 120 dagen; het nieuwe departementbrede beleid voegt daar de woorden "zo snel als redelijkerwijs mogelijk" aan toe, wat een extra prikkel vormt om snel te handelen.
Medewerking en remediëring
Om in aanmerking te komen voor de voordelen van het beleid moet een bedrijf volledig meewerken aan het onderzoek. Dat houdt volgens het beleid in dat het bedrijf tijdig, waarheidsgetrouw en nauwkeurig alle relevante niet-geprivilegieerde feiten en bewijsstukken aan het DOJ verstrekt. Het bedrijf moet daarbij specifiek aangeven welke personen betrokken waren bij het wangedrag, ongeacht hun rang of functie. Het beleid vereist dat bedrijven lopende updates geven naarmate het interne onderzoek vordert en proactief relevante documenten en aanwijzingen aandragen, ook wanneer het DOJ daar niet specifiek om vraagt.
Op het gebied van remediëring verwacht het DOJ dat bedrijven passende disciplinaire maatregelen nemen tegen betrokken personen, de oorzaken van het wangedrag aanpakken, en een effectief complianceprogramma implementeren of verbeteren. Het beleid vermeldt ook dat het gebruik van verdwijnende berichten (ephemeral messaging) een aandachtspunt is bij de beoordeling van remediëring. Het DOJ verwacht dat bedrijven adequaat beleid en controles hanteren voor het bewaren van documenten en communicatie.
Verzwarende omstandigheden en recidive
Het beleid definieert vier categorieën verzwarende omstandigheden die een declination in de weg kunnen staan: de aard en ernst van het misdrijf, de mate waarin het wangedrag wijdverbreid was binnen het bedrijf, de ernst van de veroorzaakte schade, en recidive.
De definitie van recidive is in het nieuwe beleid verruimd. Waar het eerdere beleid van de Criminal Division keek naar strafrechtelijke veroordelingen of schikkingen op basis van soortgelijk wangedrag in de afgelopen vijf jaar, omvat het nieuwe beleid zowel veroordelingen of schikkingen in de afgelopen vijf jaar als veroordelingen of schikkingen op basis van soortgelijk wangedrag ongeacht wanneer deze plaatsvonden.
Goedkeuring en transparantie
Alle schikkingen onder het CEP moeten worden goedgekeurd door de Assistant Attorney General van de betreffende divisie of de U.S. Attorney van het betreffende district, in overleg met het kantoor van de Deputy Attorney General. Het beleid schrijft verder voor dat aanklagers in elke schikking moeten toelichten waarom een bedrijf een bepaalde mate van krediet voor medewerking heeft ontvangen.
Het DOJ heeft ook aangegeven dat het bedrijven zo snel als praktisch mogelijk zal informeren over de vraag of hun melding kwalificeert als vrijwillige zelfmelding dan wel als near miss. Een concrete termijn noemt het beleid daarvoor niet.
Vervangen beleid
Het nieuwe CEP vervangt een reeks bestaande richtlijnen. Cleary Gottlieb noemt onder meer het Corporate Enforcement and Voluntary Self-Disclosure Policy van de Criminal Division (laatst herzien in mei 2025), het SDNY Corporate Enforcement and Voluntary Self-Disclosure Program for Financial Crimes (24 februari 2026), het National Security Division Policy for Business Organizations, en het Environmental Crimes Section Voluntary Self-Disclosure Policy. De enige uitzondering is het Leniency Policy van de Antitrust Division, dat apart blijft bestaan.
