Veroordeling voor schending administratie: vrijspraak voor witwassen en benadeling schuldeisers, dagvaarding valsheid nietig
/Rechtbank Overijssel 15 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:146
De rechtbank Overijssel veroordeelt een bestuurder tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 180 uur wegens schending van de administratieplicht bij faillissementen. De verdachte verstrekt opzettelijk geen volledige administratie aan de curator, waardoor de afhandeling wordt bemoeilijkt. Feit 3 (valsheid in geschrift) wordt nietig verklaard wegens onvoldoende specificatie. Hierdoor volgt ook vrijspraak voor witwassen (feit 4). De verdachte wordt tevens drie jaar uitgesloten van het uitoefenen van bestuursfuncties. Vorderingen van benadeelden zijn niet-ontvankelijk.
Context van de zaak
De strafkamer van de rechtbank Overijssel oordeelt over een strafzaak tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1988, die als bestuurder betrokken is bij twee vennootschappen: bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. Beide ondernemingen zijn in 2020 failliet verklaard. De verdachte is formeel bestuurder van bedrijf 2 en wordt als feitelijk bestuurder van bedrijf 1 aangemerkt.
De aanleiding van de strafzaak is gelegen in een aangifte van faillissementsfraude door de curator en een aangifte van hypotheekfraude door de ABN AMRO Bank, gericht tegen de echtgenote van verdachte. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de FIOD onder de naam ‘Balmullo’.
De tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij:
als bestuurder niet voldoet aan de administratieplicht en opzettelijk geen administratie verstrekt aan de curator;
geld uit de boedel onttrekt en/of onrechtmatige betalingen doet aan gelieerde partijen;
gebruikmaakt van valse documenten ten behoeve van een hypotheekaanvraag;
zich schuldig maakt aan witwassen van geldbedragen afkomstig van die valse documenten.
Partiële nietigheid van de dagvaarding – valsheid in geschrift
Een belangrijk juridisch aandachtspunt in deze zaak betreft de partiële nietigheid van de dagvaarding voor feit 3 (valsheid in geschrift). De rechtbank stelt ambtshalve vast dat uit de tenlastelegging niet blijkt waaruit de vermeende valsheid van de documenten zou bestaan. Er wordt enkel verwezen naar arbeidsovereenkomsten, werkgeversverklaringen en facturen, zonder specificatie van wat daaraan vals of vervalst zou zijn. Dit kwalificeert volgens de rechtbank slechts als een juridische omschrijving van het strafbare feit en niet als een concrete feitelijke gedraging.
De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding op dit punt niet voldoet aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering en verklaart feit 3 nietig. Daarmee verdwijnt het centrale gronddelict onder feit 4 (witwassen) eveneens uit beeld, omdat het vermeende witwassen direct gekoppeld was aan de valsheid in geschrift.
Vrijspraak van faillissementsfraude (artikel 343 Sr) en witwassen
De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 2 (benadeling van schuldeisers) op grond van artikel 343 Sr. Hiervoor is vereist dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld terwijl het faillissement voorzienbaar was. De rechtbank stelt vast dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit blijkt dat een faillissement voor bedrijf 1 of bedrijf 2 in de relevante periode daadwerkelijk voorzienbaar was. Financiële transacties naar gelieerde partijen zijn deels verklaarbaar en kunnen niet zonder meer als benadeling van schuldeisers worden aangemerkt.
Nu feit 3 nietig is verklaard en er geen andere misdrijven zijn vastgesteld die als gronddelict kunnen dienen, volgt vrijspraak van het ten laste gelegde witwassen onder feit 4.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht de feiten 1, 2 en 4 bewezen en eist een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarbij wordt rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging pleit voor vrijspraak van alle feiten. Ten aanzien van feit 1 wordt betoogd dat verdachte geen formeel bestuurder is van bedrijf 1. Bovendien zou de administratie wel zijn overgedragen. Voor feit 2 wordt aangevoerd dat de overboekingen zakelijk te verklaren zijn. Wat betreft feit 4 stelt de verdediging dat zonder bewezen valsheid geen sprake kan zijn van witwassen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1 bewezen. Verdachte is formeel bestuurder van bedrijf 2 en feitelijk bestuurder van bedrijf 1. Hij blijkt langdurig en structureel te hebben nagelaten een adequate administratie te voeren en/of deze ter beschikking te stellen aan de curator. De curator, de Belastingdienst en diverse boekhouders bevestigen dat de administratie incompleet, ongeorganiseerd en onbruikbaar is. Ook digitaal werd geen bruikbare toegang tot het boekhoudsysteem geboden. De administratie was dermate gebrekkig dat de afwikkeling van het faillissement ernstig werd bemoeilijkt.
De rechtbank oordeelt dat dit handelen – of nalaten – bewust en opzettelijk is geweest. Verdachte toont zich ter zitting nonchalant, noemt zichzelf een ‘sloddervos’ en legt de verantwoordelijkheid voor de administratie bij anderen neer, terwijl uit het dossier blijkt dat hij zelf nalatig en slecht bereikbaar was.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als bestuurder:
niet voldoet aan de administratieplicht
opzettelijk geen administratie aan de curator verstrekt
waardoor de afwikkeling van het faillissement wordt bemoeilijkt
De strafoplegging
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank een gevangenisstraf op zijn plaats. Door zijn handelen heeft verdachte het werk van de curator ernstig belemmerd en de schuldeisers benadeeld. Hoewel sprake is van een eerste veroordeling en het langlopende proces een extra belasting vormde, blijft de verantwoordelijkheid bij verdachte liggen.
De rechtbank houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn – bijna 9 maanden – en het feit dat slechts één van de vier ten laste gelegde feiten bewezen is. Daarom legt zij een gevangenisstraf op van drie maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, gecombineerd met een taakstraf van 180 uur.
Daarnaast wordt verdachte voor drie jaar ontzet uit het recht om het beroep van statutair of feitelijk bestuurder van een rechtspersoon uit te oefenen. De rechtbank acht dit noodzakelijk gelet op het structurele karakter van de tekortkomingen en het feit dat verdachte betrokken is (geweest) bij meerdere ondernemingen, waarvan sommigen inmiddels failliet of ontbonden zijn.
Benadeelde partijen en beslag
De vorderingen van zowel de ABN AMRO Bank als de curator worden niet-ontvankelijk verklaard. Voor beide geldt dat zij zich baseren op feiten waarvoor verdachte is vrijgesproken of waarvoor de dagvaarding nietig is verklaard. De inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder een caravan en geldbedragen, worden aan verdachte teruggegeven.
Conclusie
Deze zaak toont aan dat schending van de administratieplicht ernstige juridische gevolgen kan hebben, ook in afwezigheid van bewezen fraude. Tegelijkertijd illustreert de uitspraak het belang van een voldoende concrete tenlastelegging: het ontbreken van specificaties over wat precies vals of vervalst zou zijn, leidt tot nietigheid van de dagvaarding op dat punt en tot vrijspraak van samenhangende feiten zoals witwassen.
Lees hier de volledige uitspraak.
