Veroordeling voor oplichting van zes slachtoffers, proceshouding in strafverzwarende zin meegewogen

Gerechtshof Amsterdam 16 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2320

De verdachte licht in de periode 2019 tot en met 2022 zes personen op tot afgifte van geldbedragen. Bij het eerste slachtoffer speelt de verdachte in op medeleven met verzonnen verhalen over blokkade van zijn rekening, ziekte, overlijden en dreigende zelfdoding en verkrijgt zo ongeveer 230.000 euro. Bij de vijf overige slachtoffers doet hij zich voor als bonafide investeerder in een niet-bestaande handel in elektrische apparatuur. Het gerechtshof acht alle zes feiten wettig en overtuigend bewezen en verwerpt het beroep op mislukte investeringen als ongeloofwaardig. In strafverzwarende zin weegt het gerechtshof mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in zijn leugens volhardt en eerder onherroepelijk voor oplichting is veroordeeld. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 595 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 105 uren, met toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1978. De zaak dient in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, na het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 november 2022. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Het gerechtshof komt ten aanzien van de bewezenverklaring en de straf tot andere beslissingen en vernietigt het vonnis.

De zaak betreft oplichting van zes verschillende slachtoffers over een periode van enkele jaren. Bij het eerste slachtoffer gaat het om 178 bankoverschrijvingen voor in totaal ongeveer 236.677 euro. De verdachte houdt dit slachtoffer telkens een concrete noodzaak van de overboeking voor en oefent druk uit met de belofte dat het geld zou worden terugbetaald. Bij de vijf overige slachtoffers presenteert de verdachte zich als investeerder in de handel in elektrische apparatuur die grote winsten zou opleveren.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich zesmaal schuldig heeft gemaakt aan oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Bij de feiten 1, 3 en 6 gaat het om oplichting, meermalen gepleegd; bij de feiten 2, 4 en 5 om oplichting. Centraal staan de oplichtingsmiddelen: het aannemen van een valse hoedanigheid, een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen, alsmede het in het bestanddeel "bewegen tot" besloten liggende causaal verband tussen het oplichtingsmiddel en de afgifte van de geldbedragen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert veroordeling voor alle zes feiten. Zij voert aan dat de verdachte de aangevers door het aannemen van een valse hoedanigheid als bonafide investeerder, een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen heeft bewogen tot afgifte van de geldbedragen. Zij vordert een gevangenisstraf van 595 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit integrale vrijspraak. Zij voert aan dat er tussen de verdachte en de aangevers weliswaar financiële transacties zijn geweest, maar dat dit investeringen betrof die niet zijn gelopen zoals beoogd. Het dossier bevat volgens de verdediging onvoldoende aanknopingspunten om te spreken van oplichtingsmiddelen en het vereiste causale verband tussen het oplichtingsmiddel en de afgifte ontbreekt. Daarnaast is niet gebleken van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling aan de zijde van de verdachte.

Oordeel gerecht

Het gerechtshof stelt voorop dat het kenmerk van oplichting is dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te maken. Van het in "bewegen tot" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat de ander mede onder invloed van de door het oplichtingsmiddel geroepen onjuiste voorstelling van zaken tot de gedraging is overgegaan.

Ten aanzien van feit 1 legt de verdachte in eerste aanleg een bekennende verklaring af, maar in hoger beroep komt hij daarop terug en stelt hij dat sprake was van een mislukte investering. Het gerechtshof constateert dat het slachtoffer in zijn aangifte en verhoren nergens over een investering verklaart en dat ook uit de WhatsApp-geschiedenis geen gezamenlijke investering blijkt. De verdachte onderbouwt de juistheid van zijn mededelingen niet en het politieonderzoek levert geen verifieerbare informatie op. Het gerechtshof acht de mededelingen volstrekt ongeloofwaardig en oordeelt dat de verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid, een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen het slachtoffer heeft bewogen tot afgifte van ongeveer 230.000 euro.

Ten aanzien van de feiten 2 tot en met 6 erkent de verdachte contact met de aangevers en ontvangst van de geldbedragen, maar hij stelt dat hij deze heeft geïnvesteerd in handel in elektrische apparatuur uit het buitenland. Deze handel ging naar zijn zeggen contant en zonder schriftelijke verslaglegging, zodat hij geen bewijzen of contactgegevens kan tonen. Het gerechtshof stelt vast dat op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat de verdachte zich met deze handel heeft beziggehouden. Uit het politieonderzoek rijst het beeld dat de verdachte geen eigen vermogen had en de ontvangen bedragen, die veelal direct contant werden opgenomen, aanwendde voor zijn levensonderhoud, vakantie en schulden. Het gerechtshof acht de verklaring ongeloofwaardig en oordeelt dat de aangevers door de valse hoedanigheid van bonafide zakenpartner en een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot afgifte. Het acht de feiten 2 tot en met 6 wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het gerechtshof acht bewezen:

  • feit 1: oplichting van het eerste slachtoffer tot afgifte van in totaal ongeveer 230.000 euro, meermalen gepleegd

  • feit 2: oplichting van het tweede slachtoffer tot afgifte van 2000 euro

  • feit 3: oplichting van het derde slachtoffer en zijn vriendin tot afgifte van in totaal 13.800 euro, meermalen gepleegd

  • feit 4: oplichting van het vierde slachtoffer tot afgifte van 6000 euro

  • feit 5: oplichting van het vijfde slachtoffer tot afgifte van 5500 euro

  • feit 6: oplichting van het zesde slachtoffer tot afgifte van in totaal 6000 euro, meermalen gepleegd

Van hetgeen onder 1 tot en met 6 meer of anders is tenlastegelegd wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

Het gerechtshof bepaalt de straf op grond van de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De verdachte heeft de slachtoffers op doortrapte wijze geldbedragen afhandig gemaakt en misbruik gemaakt van hun goede bedoelingen; zij dachten hem te helpen. In strafverzwarende zin houdt het gerechtshof er rekening mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep volhardt in de stelling dat hij een bonafide investeerder was en daarbij onwaarheden vertelt, en dat hij blijkens zijn strafblad eerder onherroepelijk voor oplichting is veroordeeld.

Het gerechtshof stelt vast dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM in hoger beroep met ongeveer een jaar en vier maanden is overschreden en matigt de straf om die reden. Het legt een gevangenisstraf op van 595 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 105 uren, subsidiair 52 dagen hechtenis. Waar de advocaat-generaal 595 dagen met 180 dagen voorwaardelijk vordert, komt het gerechtshof tot dezelfde gevangenisstraf, aangevuld met de taakstraf.

De vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen: 229.444 euro aan het eerste slachtoffer, 2000 euro aan het tweede, 13.800 euro aan het derde en 6000 euro aan het zesde, telkens ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen tot immateriële schade van het tweede en zesde slachtoffer worden niet-ontvankelijk verklaard wegens onevenredige belasting van het strafgeding. Het gerechtshof bepaalt de duur van de gijzeling per maatregel naar evenredigheid, zodat het maximum van 360 dagen niet wordt overschreden.

Lees hier de volledige uitspraak hier.

Print Friendly and PDF ^