Veroordeling tot gevangenisstraf voor het in voorraad hebben van valse merkkleding na verwerping van betrouwbaarheidsverweer en afwijzing getuigenverzoek
/Gerechtshof Amsterdam 2 september 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2507
Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt een verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden voor het opzettelijk in voorraad hebben van een partij valse merkkleding, tassen, schoenen en een zonnebril van merken als Gucci, Dior, Prada en Louis Vuitton. De verdediging voert aan dat de bevindingen onbetrouwbaar zijn omdat de aantallen in het proces-verbaal en de kennisgevingen van inbeslagname niet overeenkomen en de aangifte een verkeerd proces-verbaalnummer draagt. Het hof oordeelt dat de verschillen kennelijke telfouten zijn die de betrouwbaarheid van het onderzoek niet raken en dat de aan de merkhouder getoonde monsters uit de onder de verdachte inbeslaggenomen partij afkomstig zijn. Het voorwaardelijke verzoek om beide verbalisanten als getuigen te horen wijst het hof af als onmiskenbaar irrelevant, mede omdat op verzoek van de verdediging drie aanvullende processen-verbaal zijn opgemaakt. Vanwege een eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit, het taakstrafverbod en het plegen tijdens een proeftijd acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. Het hof gelast de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 117 dagen en beveelt de onttrekking aan het verkeer van de valse merkgoederen.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1984. Op 16 oktober 2021 wordt in Amsterdam een partij kleding onder hem in beslag genomen. Verbalisant 1 somt de goederen op in een proces-verbaal van bevindingen van diezelfde dag. Verbalisant 2 maakt vervolgens de kennisgevingen van inbeslagname op en toont op 20 oktober 2021 monsters uit de partij aan een controleur van een bedrijf dat namens de merkhouders optreedt. Deze controleur stelt vast dat de getoonde producten vervalsingen zijn.
De politierechter in de rechtbank Amsterdam veroordeelt de verdachte op 15 november 2024 tot een gevangenisstraf van drie maanden. De verdachte stelt hoger beroep in. Het hof behandelt de zaak op 19 augustus 2026 op tegenspraak, met een gemachtigd raadsman. Gelijktijdig is een vordering tot tenuitvoerlegging aan de orde van een voorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank Amsterdam op 15 juli 2021 heeft opgelegd.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij op of omstreeks 16 oktober 2021 in Amsterdam opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, dan wel waren die valselijk van de handelsnaam of het merk van een ander zijn voorzien of waarop zo'n merk is nagebootst, heeft ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verkocht, te koop aangeboden, afgeleverd, uitgedeeld of in voorraad gehad. Het gaat om kleding, tassen, schoenen en een zonnebril, valselijk voorzien van de woord- of beeldmerken Adidas, Balenciaga, Burberry, Christian Dior, Dolce & Gabbana, Givenchy, Gucci, Louis Vuitton, Moncler, Prada en Stone Island. De tenlastelegging bevat als strafverzwarende omstandigheid dat de verdachte van het misdrijf zijn beroep heeft gemaakt of het als bedrijf heeft uitgeoefend. Het wettelijk kader is artikel 337 Sr. Voor de beslagbeslissingen en de straf past het hof daarnaast de artikelen 36b, 36c en 63 Sr toe.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert veroordeling tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het Openbaar Ministerie vordert daarnaast de tenuitvoerlegging van de op 15 juli 2021 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak. Hij voert aan dat de juistheid en betrouwbaarheid van de bevindingen door onzorgvuldigheden in het dossier niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld. De verdediging wijst op discrepanties tussen de aantallen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant 1 en de kennisgevingen van inbeslagname van verbalisant 2, en op het feit dat boven de aangifte een proces-verbaalnummer staat dat niet overeenkomt met het nummer van het proces-verbaal van bevindingen.
Voorwaardelijk, voor het geval het hof niet tot vrijspraak komt, verzoekt de raadsman beide verbalisanten als getuigen te horen. Volgens hem geven de aanvullende processen-verbaal geen antwoord op de vraag hoe de verschillende aantallen te verklaren zijn en hoe verbalisant 2 heeft kunnen vaststellen dat de aan de aangever getoonde monsters afkomstig zijn van de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen.
Oordeel gerecht
Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Over de betrouwbaarheid van het onderzoek stelt het hof vast dat de aantallen in het proces-verbaal van bevindingen en de kennisgevingen van inbeslagname niet volledig overeenkomen. De overige inhoud van de processen-verbaal stemt op de relevante onderdelen echter zodanig overeen dat er geen twijfel bestaat dat zij op dezelfde partij betrekking hebben: de merken en soorten kleding komen vrijwel geheel overeen, de aantallen zijn in overwegende mate bijna gelijk en beide beschrijven dat de goederen afkomstig zijn van de partij die op 16 oktober 2021 onder de verdachte in beslag is genomen. Het hof acht de verschillen van ondergeschikt belang. Mede gelet op het aanvullende proces-verbaal van 22 april 2026, waarin verbalisant 2 verklaart dat verbalisant 1 heeft geteld voordat de goederen waren geordend terwijl hijzelf eerst op merk en type heeft gesorteerd, beschouwt het hof de verschillen als kennelijke telfouten.
Het hof oordeelt voorts dat de aan de aangever getoonde monsters afkomstig zijn van de onder de verdachte inbeslaggenomen partij. Uit de aangifte blijkt dat het gaat om de op 16 oktober 2021 in Amsterdam inbeslaggenomen partij en dat de monsters door verbalisant 2 zijn getoond. De in de aangifte beschreven goederen wijken alleen af waar over zonnebrillen van Louis Vuitton in meervoud wordt gesproken terwijl slechts één zonnebril in beslag is genomen. Het verkeerde proces-verbaalnummer boven de aangifte is bij aanvullend proces-verbaal hersteld, en verbalisant 2 heeft bij aanvullend proces-verbaal van 19 mei 2026 verklaard dat de inbeslaggenomen goederen dezelfde zijn als die op 20 oktober 2021 aan het bedrijf zijn getoond.
Het voorwaardelijke getuigenverzoek wijst het hof af. Het hof stelt voorop dat noch het in artikel 6 EVRM verankerde ondervragingsrecht noch het arrest Keskin tegen Nederland (EHRM (Grote Kamer) 19 januari 2021, nr. 2205/16) zich ertegen verzet dat de rechter een verzoek afwijst als het horen onmiskenbaar irrelevant of overbodig is, bijvoorbeeld omdat de feiten door andere onderzoeksresultaten al buiten redelijke twijfel vaststaan (HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576). Het horen van de verbalisanten over de aantallen is naar het oordeel van het hof onmiskenbaar irrelevant, omdat de verschillen van ondergeschikt belang zijn. Dat de getoonde goederen uit de inbeslaggenomen partij komen, staat al buiten redelijke twijfel vast door de aangifte en het aanvullende proces-verbaal van 19 mei 2026, in samenhang met de overige bewijsmiddelen.
Het hof toetst vervolgens of de procedure als geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden overall fairness of the trial (HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418 en HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1461), waarbij de reden van het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid, het gewicht van de verklaring en het bestaan van compenserende factoren van belang zijn. De betwiste feiten staan volgens het hof al vast door de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek. Als compenserende factor weegt het hof mee dat op verzoek van de verdediging drie aanvullende processen-verbaal door verbalisant 2 zijn opgemaakt, waarin de vragen en gesignaleerde discrepanties genoegzaam zijn beantwoord en hersteld. Het gebruik van de bevindingen van de verbalisanten is daarom in overeenstemming met artikel 6 EVRM.
Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken in voorraad hebben. Geen omstandigheid sluit de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uit.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 16 oktober 2021 in Amsterdam opzettelijk in voorraad heeft gehad:
valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken en waren die valselijk zijn voorzien van of waarop is nagebootst de handelsnaam of het merk van een ander, dan wel die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een beschermde tekening of model, te weten een hoeveelheid kleding, tassen, schoenen en een zonnebril, valselijk voorzien van de beschermde woord- en/of beeldmerken Adidas, Balenciaga, Burberry, Christian Dior, Dolce & Gabbana, Givenchy, Gucci, Louis Vuitton, Moncler, Prada en Stone Island
Van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, waaronder de overige gedragingen (invoeren, verkopen, te koop aanbieden en dergelijke), de aanduiding van herkomst met een verdichte handelsnaam, en het als beroep of bedrijf uitoefenen, wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof legt een gevangenisstraf van drie maanden op, gelijk aan de straf van de politierechter en lager dan de eis van de advocaat-generaal van zes maanden waarvan drie voorwaardelijk. Het hof overweegt dat de verdachte een grote hoeveelheid valse merken in voorraad heeft gehad, daarmee inbreuk maakt op een groot aantal merkenrechten en bijdraagt aan grootschalige namaak, waardoor naast de merkhouders ook wederverkopers worden gedupeerd. Het hof betrekt de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 augustus 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit, dat het taakstrafverbod van toepassing is en dat het feit is gepleegd tijdens een proeftijd wegens een soortgelijk feit. Daarom kan volgens het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Het hof motiveert niet afzonderlijk waarom het onder de eis van de advocaat-generaal blijft.
Het hof beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven valse merkgoederen, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Van de overige inbeslaggenomen goederen, onder meer kleding van merken als Dsquared, Palm Angels, Amiri, Balmain, Canada Goose, Chanel en Fendi, is niet komen vast te staan dat het valse of vervalste producten zijn. Omdat de verdachte in eerste aanleg heeft verklaard dat deze goederen niet aan hem toebehoren, gelast het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende.
Het hof gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2021 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 117 dagen, omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Vanwege het ook hier toepasselijke taakstrafverbod is omzetting in een taakstraf niet mogelijk.
Lees hier de volledige uitspraak.
