Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over afstand van rechtsbijstand bij verhoor van niet-aangehouden verdachte
/Hoge Raad 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:996
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een verdachte die door het hof is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en bedreiging van een medewerker van de jeugdzorginstelling waar zij verbleef. De verdachte voert aan dat zij voorafgaand aan en tijdens het politieverhoor geen rechtsbijstand heeft gehad en dat zij op grond van onjuiste informatie afstand heeft gedaan van dat recht. De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij de uitleg van de Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid een onjuiste maatstaf heeft gebruikt en de kwetsbaarheid van de verdachte ontoereikend heeft gemotiveerd. Toch leidt dit niet tot cassatie. Niet-aangehouden verdachten hebben geen recht op kosteloze rechtsbijstand, en de politie hoeft hen niet te wijzen op de mogelijkheid van een aanvraag voor kosteloze bijstand. Omdat de verklaring van de verdachte niet voor het bewijs is gebruikt en zij geen daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, kon het hof het tot strafvermindering strekkende verweer verwerpen.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 2003. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, bevestigt bij arrest van 17 december 2024 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 februari 2024, behalve wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Bewezen is verklaard dat de verdachte op 9 maart 2023 een medewerker van een jeugdzorginstelling met een koekenpan tegen het hoofd heeft geslagen, zonder dat het beoogde zware lichamelijke letsel intrad, en dat zij diezelfde medewerker heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Het hof veroordeelt de verdachte wegens poging tot zware mishandeling (art. 302 lid 1 in samenhang met art. 45 Sr) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 lid 1 Sr) tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast beslist het hof op de vordering van de benadeelde partij en legt het in verband daarmee de schadevergoedingsmaatregel op.
De verdachte is op 20 juni 2023 als niet-aangehouden verdachte verhoord. Uit het proces-verbaal van dat verhoor blijkt dat haar is meegedeeld dat zij recht heeft op consultatiebijstand en op verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat, dat zij daarvan afstand kan doen, dat dit nadelige gevolgen kan hebben en dat zij op haar beslissing kan terugkomen. De verdachte verklaart geen gebruik te willen maken van een advocaat omdat zij dit niet kan betalen. Vervolgens verklaart zij over haar persoonlijke omstandigheden, waaronder een op haar zevende vastgestelde PDD-NOS-diagnose die tegenwoordig onder autisme valt, een sociale angststoornis, een depressie en een complexe posttraumatische stressstoornis.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, twee cassatiemiddelen voorgesteld.
Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van een verweer dat strekt tot strafvermindering in verband met een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand voorafgaand aan en tijdens het politieverhoor. De verdediging voert daartoe twee gronden aan. In de eerste plaats stelt zij dat de verdachte onjuist is voorgelicht over de kosten van rechtsbijstand, omdat zij op grond van de Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid (Ratz) aanspraak had kunnen maken op kosteloze verhoorbijstand, en dat zij op basis van die onjuiste of onvolledige informatie afstand heeft gedaan. In de tweede plaats stelt de verdediging dat de verdachte kennelijk kwetsbaar is en dat niet is gebleken dat zij vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van rechtsbijstand.
Het tweede middel bevat klachten over de uitspraak van het hof die de Hoge Raad afdoet op de voet van art. 81 lid 1 RO.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens concludeert tot verwerping van het beroep.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit zijn arrest van 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556, over het recht op rechtsbijstand van een kwetsbare verdachte als bedoeld in art. 28b lid 1 Sv en de mogelijkheid om van dat recht afstand te doen, in het bijzonder wanneer de verdachte niet is aangehouden. Als de verdachte voorafgaand aan het verhoor geen bijstand van een raadsman heeft gehad en evenmin door een raadsman over de gevolgen van afstand is voorgelicht, moet de rechter zich er anderszins van vergewissen dat de verdachte, gelet op de concrete beperkingen die met haar kwetsbaarheid samenhangen, redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand.
Over het eerste onderdeel van het eerste middel oordeelt de Hoge Raad dat het hof aan de verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd dat de politie de verdachte niet onjuist heeft voorgelicht door haar mee te delen dat zij recht heeft op bijstand van een zelf te betalen raadsman. Het hof heeft overwogen dat de verdachte niet was aangehouden, dat niet-aangehouden verdachten in beginsel alleen recht hebben op een zelf te betalen raadsman, en dat de verdachte aan de Ratz geen aanspraak op kosteloze bijstand kon ontlenen omdat geen sprake is van complexe juridische vraagstukken die gespecialiseerde rechtshulp vereisen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee heeft miskend dat, gelet op het beleidskader van de Raad voor Rechtsbijstand, een adviestoevoeging zelfredzaamheid ook kan worden afgegeven wanneer sprake is van geen tot beperkte zelfredzaamheid bij de betreffende burger. Het middel klaagt daarover terecht.
Dit leidt echter niet tot cassatie. Uit het samenstel van de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechtsbijstand en de Ratz volgt dat niet-aangehouden verdachten voorafgaand aan en tijdens het verhoor geen recht op kosteloze bijstand van een raadsman hebben. De Ratz biedt de Raad voor Rechtsbijstand de mogelijkheid om op aanvraag een adviestoevoeging zelfredzaamheid af te geven, op grond waarvan een niet-aangehouden verdachte de consultatie- en verhoorbijstand kosteloos ontvangt. De verplichting op grond van art. 27c lid 2 in samenhang met art. 28 lid 1 Sv om de niet-aangehouden verdachte mededeling te doen van het recht op rechtsbijstand, omvat niet de verplichting om die verdachte te informeren over de mogelijkheden van kosteloze rechtsbijstand, waaronder de mogelijkheid een aanvraag voor een adviestoevoeging zelfredzaamheid in te dienen. Gelet hierop heeft het hof kunnen oordelen dat de wettelijk voorgeschreven mededelingen zijn gedaan, wat er ook zij van de motivering van dat oordeel. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat het wel zou aansluiten bij het in art. 2 Ratz geformuleerde doel als de politie de verdachte bij de uitnodiging voor verhoor attent maakt op de mogelijkheid van kosteloze consultatie- en verhoorbijstand, bijvoorbeeld door die mogelijkheid te benoemen in de uitnodigingsbrief en in de brochure over de rechten van de verdachte.
Over het tweede onderdeel van het eerste middel oordeelt de Hoge Raad dat het hof aan de verwerping van het verweer verder ten grondslag heeft gelegd dat de verdachte niet als kwetsbaar hoeft te worden aangemerkt, en dat dit oordeel niet toereikend is gemotiveerd. Het hof heeft vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis, een dysthyme stoornis en een sociale stoornis, maar heeft er geen blijk van gegeven te hebben onderzocht of de verdachte, gelet op die stoornissen, redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand. De andere door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, over het vermogen van de verdachte om vragen te begrijpen en de indruk die zij op de terechtzitting in hoger beroep maakte, kunnen het oordeel van het hof daarom niet dragen.
Ook dit leidt niet tot cassatie. Het verweer strekt tot strafvermindering, en voor toepassing daarvan is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, zoals volgt uit HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889. Omdat de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs is gebruikt, heeft zij in dit opzicht geen nadeel ondervonden van het ontbreken van rechtsbijstand bij het verhoor. De verdediging heeft in hoger beroep niet aangevoerd dat de verdachte hierdoor op andere wijze in haar verdediging is geschaad. Gelet daarop heeft het hof het tot strafvermindering strekkende verweer slechts kunnen verwerpen.
Het tweede middel kan niet tot vernietiging leiden. De Hoge Raad behoeft dit oordeel niet te motiveren, omdat de beoordeling van de klachten geen antwoord vergt op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 RO).
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Lees hier de volledige uitspraak.
