Veroordeling voor medeplegen van computervredebreuk, oplichting en diefstal met valse sleutels bij bankfraude, met constatering van een vormverzuim zonder rechtsgevolg

Gerechtshof Den Haag 26 augustus 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2745

Het gerechtshof Den Haag veroordeelt een in 1995 geboren verdachte in hoger beroep voor het in vereniging plegen van computervredebreuk, oplichting en diefstal met valse sleutels rond rekeningen bij Robeco, en voor het verwerven en voorhanden hebben van bots via Genesis Market. Het hof stelt een onherstelbaar vormverzuim vast omdat voorafgaand aan het onderzoek van inbeslaggenomen gegevensdragers geen toestemming van de rechter-commissaris is verleend, maar verbindt daaraan geen rechtsgevolg omdat de verdachte onvoldoende in zijn persoonlijke belangen is geschaad. Het hof oordeelt dat de oplichting van de bank en de diefstal met valse sleutels van het geld van rekeninghouders naast elkaar bewezen kunnen worden verklaard indien uit de oplichting het bewegen tot afgifte van geldbedragen wordt weggestreept. Ten aanzien van feit 3, waarvoor de rechtbank ontslag van alle rechtsvervolging uitsprak, oordeelt het hof dat de bewezenverklaarde handelingen wél strafbaar zijn en kwalificeert deze als overtreding van artikel 234 Sr. De verdachte krijgt een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 voorwaardelijk, met matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het hof wijst de vorderingen van twee benadeelde partijen deels toe en legt de schadevergoedingsmaatregel op.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1995. De zaak betreft hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2025. In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest voor de feiten 1, 2 en 4 in de zaak met parketnummer 10-163135-22 en het feit in de zaak met parketnummer 10-297198-23. Voor feit 3 is de verdachte in eerste aanleg ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hoger beroep is namens de verdachte ingesteld.

De zaak draait om fraude met rekeningen bij Robeco. De verdachte en zijn mededaders nemen de volledige online identiteit van rekeninghouders over, loggen in op de MijnRobeco-omgeving, wijzigen tegenrekeningen, verkopen fondsen, heffen rekeningen op en laten geldbedragen overmaken. Door het gebruik van bots houden zij toegang tot de getroffen accounts, ook nadat gedupeerden hun wachtwoorden wijzigen. In de tweede zaak gaat het om toegang tot ongeveer 377 bots via de website Genesis Market.

Tenlastelegging en wettelijk kader

In de zaak met parketnummer 10-163135-22 wordt de verdachte verweten dat hij, telkens in vereniging, opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in de geautomatiseerde werken van Robeco en daarbij gegevens van rechtmatige gebruikers heeft overgenomen (feit 1, computervredebreuk), Robeco heeft opgelicht tot een bedrag van ongeveer 274.297,53 euro (feit 2), lijsten met inloggegevens en wachtwoorden van MijnRobeco voorhanden heeft gehad bestemd voor het in artikel 231b Sr omschreven misdrijf (feit 3), en geldbedragen heeft weggenomen door middel van valse sleutels, te weten onrechtmatig verworven inloggegevens (feit 4, diefstal met valse sleutels).

In de zaak met parketnummer 10-297198-23 wordt de verdachte verweten dat hij een computerwachtwoord, toegangscode of vergelijkbaar gegeven heeft verworven en voorhanden heeft gehad met het oogmerk daarmee een misdrijf als bedoeld in de artikelen 138ab, 138b of 139c Sr te plegen, door op Genesis Market toegang tot ongeveer 377 bots te verwerven met gebruikersnamen, wachtwoorden, browsercookies en browser fingerprints van anderen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis en veroordeling voor de feiten 1, 2, 3 en 4 in de eerste zaak en het feit in de tweede zaak tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van de benadeelde partij die zich als natuurlijk persoon heeft gevoegd concludeert de advocaat-generaal tot toewijzing van 10.074,75 euro met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van Robeco Nederland B.V. concludeert de advocaat-generaal tot toewijzing van 201.394,14 euro met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw voert aan dat zich een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan bij het onderzoek aan de inbeslaggenomen gegevensdragers, omdat is nagelaten toestemming van de rechter-commissaris te verkrijgen om die gegevensdragers te onderzoeken. Volgens de verdediging is niet van belang of de gegevensdragers handmatig of met een technisch hulpmiddel zijn doorzocht, omdat in beide gevallen een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers wordt gemaakt. De vorderingen van de benadeelde partijen worden door en namens de verdachte betwist.

Oordeel gerecht

Het hof stelt vast dat voor het onderzoek aan de gegevensdragers geen toestemming door de rechter-commissaris is verleend en dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert. Het hof wijst op de Landeck-jurisprudentie, recent aangescherpt in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 juli 2026, ECLI:EU:C:2026:585, met name de rechtsoverwegingen 114 tot en met 117. Opsporingsdiensten moeten, ongeacht de aard en ernst van de inbreuk, voorafgaand aan het veiligstellen en raadplegen van op gegevensdragers aanwezige gegevens toestemming van een rechter of andere onafhankelijke autoriteit verkrijgen. Het hof overweegt dat de praktijk waarin gegevensdragers zonder voorafgaande toestemming worden uitgelezen en de gegevens pas na latere toestemming van de rechter-commissaris beschikbaar komen voor onderzoeksteams, zich naar het zich laat aanzien niet met deze rechtspraak verdraagt.

Bij de vraag naar het rechtsgevolg beoordeelt het hof of aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden. Ook een schending van de persoonlijke levenssfeer kan in beginsel voldoende concreet nadeel opleveren. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat meerdere personen toegang hadden tot en gebruik maakten van de inbeslaggenomen gegevensdragers. Verder is noch door de verdachte noch door de raadsvrouw enig ander concreet belang aangevoerd waarin de verdachte persoonlijk zou zijn geraakt. Het hof oordeelt dat de verdachte onvoldoende in zijn persoonlijke belangen is geschaad om aan het vormverzuim enig rechtsgevolg te verbinden en volstaat met de constatering van het vormverzuim.

Over de verhouding tussen de oplichting van de bank (feit 2) en de diefstal met valse sleutels van het geld op de rekeningen (feit 4) overweegt het hof dat beide feiten tegelijk bewezen kunnen worden verklaard indien uit feit 2 het bewegen tot afgifte van geldbedragen wordt weggestreept. Robeco is door meerdere oplichtingsmiddelen bewogen tot het verlenen van diensten, bestaande uit het verkopen van fondsen van klanten, het opheffen van rekeningen en het overmaken van geldbedragen; deze handelingen leveren een voltooide oplichting op. Het gevolg is dat het geld van de aangevers van hun rekening is afgeboekt en zij de beschikkingsmacht zijn verloren, waarmee dat geld door middel van valse sleutels is gestolen. Omdat de handelingen waartoe Robeco is bewogen van andere aard zijn dan het wegnemen van een geldbedrag, kunnen beide feiten bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 3 oordeelt het hof anders dan de rechtbank, die tot ontslag van alle rechtsvervolging kwam omdat het bewezenverklaarde niet kon worden gekwalificeerd. Hoewel de steller van de tenlastelegging onder de tekst van feit 3 verwijst naar artikel 139d lid 2 aanhef en sub b Sr, blijkt uit de tekst van het tenlastegelegde feit niet dat een wezenlijk ander feit is bedoeld dan het hof bewezen verklaart. De aanduiding van een artikel in de dagvaarding is geen dwingend kader; alleen de tekst van de tenlastelegging is dwingend. De bewezenverklaarde handelingen zijn te kwalificeren als overtreding van artikel 234 Sr en leveren dus een strafbaar feit op.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen:

  • feit 1 (zaak 10-163135-22): medeplegen van computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt;

  • feit 2 (zaak 10-163135-22): medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

  • feit 3 (zaak 10-163135-22): medeplegen van gegevens voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 231b Sr omschreven misdrijf, gekwalificeerd als overtreding van artikel 234 Sr;

  • feit 4 (zaak 10-163135-22): medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

  • het feit in de zaak 10-297198-23: het met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, 138b of 139c Sr wordt gepleegd, verwerven en voorhanden hebben van een computerwachtwoord, toegangscode of vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, meermalen gepleegd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen; daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof bepaalt de straf op grond van de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De verdachte heeft samen met zijn mededaders de volledige online identiteit van de aangevers overgenomen, hun grote financiële schade toegebracht en hun een gevoel van onveiligheid bezorgd dat verder gaat dan een regulier geval van computervredebreuk. Door het gebruik van bots konden zij toegang houden tot de accounts, ook na wijziging van wachtwoorden. Het hof acht de rol van de verdachte niet zo beperkt als hij ter zitting heeft willen doen geloven, wat met name blijkt uit de inhoud van zijn digitale apparaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 24 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De verdachte is op 23 augustus 2022 in verzekering gesteld en de rechtbank heeft op 29 oktober 2025 vonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met meer dan een jaar overschreden. Hoewel het hoger beroep voortvarend is afgedaan en de procedure als geheel binnen vier jaren is afgerond, leidt de overschrijding in eerste aanleg tot matiging. Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden en matigt deze tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. Daarmee legt het hof een lagere straf op dan de door de advocaat-generaal gevorderde 36 maanden waarvan 12 voorwaardelijk.

De benadeelde partij die zich als natuurlijk persoon heeft gevoegd, vordert 11.736,99 euro, bestaande uit 10.000 euro immateriële schade, 74,75 euro materiële schade voor een vervangen paspoort en 1.662,24 euro advocaatkosten. Het hof wijst 74,75 euro aan materiële schade toe, vermeerderd met wettelijke rente, en verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. De advocaatkosten zijn niet onderbouwd met een factuur en de immateriële schade voldoet niet aan de door de Hoge Raad gestelde vereisten. Het hof legt de schadevergoedingsmaatregel op tot 74,75 euro, met een gijzeling van ten hoogste één dag.

Robeco Nederland B.V. vordert 263.519,08 euro, bestaande uit 245.978,57 euro materiële schade en 17.540,51 euro proceskosten, aangevuld met 896 euro voor het hoger beroep. Het hof wijst 191.946,67 euro aan materiële schade toe, opgebouwd uit de aan drie gedupeerden vergoede bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, en sluit daarbij aan bij de daadwerkelijk ontvreemde bedragen zonder gevorderde waardestijgingen of rentes. De kosten voor het externe recherchebureau zijn onvoldoende onderbouwd en de vordering is voor het overige niet-ontvankelijk. De kosten van rechtsbijstand stelt het hof conform het liquidatietarief vast op in totaal 8.313 euro. Het hof legt de schadevergoedingsmaatregel op tot 191.946,67 euro, met een gijzeling van ten hoogste 359 dagen, en ziet in de omstandigheid dat het om een bank gaat geen reden om van deze betalingsverplichting aan de Staat af te zien, omdat het onwenselijk is dat de bank die haar klanten uit coulance schadeloos heeft gesteld met het incassorisico wordt belast.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^