Veroordeling van een rechtspersoon voor medeplegen van witwassen van vastgoed via een loan-back-constructie met buitenlandse vennootschappen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6492

De rechtbank veroordeelt een Bosnische vennootschap voor het medeplegen van witwassen van vijf panden in Nederland en de daarvoor gebruikte bedragen van in totaal € 1.640.000. De aankopen worden gefinancierd door een Belgische en een Sloveense onderneming, waarbij de rechtbank een loan-back-constructie aanneemt met de vertegenwoordiger als spil. Omdat een concreet gronddelict ontbreekt, past de rechtbank het in de jurisprudentie ontwikkelde zes-stappenplan voor witwassen toe. De rechtbank oordeelt dat de geldleningsovereenkomsten en een minnelijke overeenkomst valselijk zijn opgemaakt en dat WhatsApp-gesprekken op een geldstroom vanuit de vertegenwoordiger wijzen. De gedragingen worden op grond van artikel 51 Sr en het Drijfmest-arrest aan de rechtspersoon toegerekend. De rechtbank legt een geldboete van € 36.000 op, verlaagd wegens overschrijding van de redelijke termijn, en verklaart de drie registergoederen verbeurd.

Inleiding en context

De verdachte is een rechtspersoon naar Bosnisch recht, een vennootschap gevestigd in Bosnië en Herzegovina die volgens de rechtbank vergelijkbaar is met de Nederlandse besloten vennootschap. De vennootschap wordt vertegenwoordigd door een natuurlijk persoon, geboren in 1979 in voormalig Joegoslavië, die enig aandeelhouder en feitelijk eigenaar is en tevens de uiteindelijk belanghebbende (UBO). Op papier is een ander als bestuurder ingeschreven. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer, zittingsplaats Breda. De inhoudelijke behandeling vindt plaats op 20 mei 2026 en het onderzoek ter terechtzitting wordt gesloten op 16 juli 2026. Het feitencomplex draait om de aankoop in november 2018 van vijf panden in Nederland door de Bosnische vennootschap, gefinancierd door een Belgische onderneming en mede door een Sloveense onderneming waarvan volgens de rechtbank dezelfde persoon de uiteindelijk belanghebbende is.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van onroerend goed en van geldbedragen van € 540.000 en € 1.100.000, samen € 1.640.000, waarmee de panden zijn aangekocht. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 420bis, en subsidiair artikel 420quater, in verbinding met artikel 47 Sr. Omdat de verdachte een rechtspersoon is, staat daarnaast de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon op grond van artikel 51 Sr centraal. Voor de bewezenverklaring is bepalend of de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. De rechtbank stelt vast dat een direct verband met een concreet misdrijf ontbreekt en past daarom het zes-stappenplan toe.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat de rechtspersoon het ten laste gelegde feit heeft begaan. Er is geen concreet brondelict, maar de stukken in het dossier en de witwasindicatoren leveren een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen op. De verklaring van de vertegenwoordiger voldoet volgens het Openbaar Ministerie niet aan het criterium dat het moet gaan om een concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk relaas, maar is desondanks onderzocht. Uit dat onderzoek volgt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de bedragen van € 540.000 en € 1.100.000 een legale herkomst hebben. Het Openbaar Ministerie vordert de verbeurdverklaring van de betreffende panden en een geldboete van € 50.000, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging concludeert tot vrijspraak. De startinformatie voor de witwasverdenking is volgens de verdediging onbetrouwbaar en moet buiten beschouwing blijven. Het ontbreken van een rentepercentage of terugbetalingstermijn bij de lening is geen sterke indicator voor witwassen. De WhatsApp-gesprekken tussen de vertegenwoordiger en een getuige moeten volgens de verdediging anders worden uitgelegd, mogelijk gaan zij alleen over de verhuur van auto's, zodat niet kan worden geconcludeerd tot een loan-back-constructie. Er hebben geen contante of girale geldstromen vanuit de vertegenwoordiger naar de Belgische onderneming plaatsgevonden, en dergelijke overboekingen zijn ook niet aangetoond. Tot slot voert de verdediging aan dat de vertegenwoordiger niet als UBO van de Sloveense onderneming kan worden aangemerkt. Bij een veroordeling verzoekt de raadsman geen andere straf of maatregel op te leggen dan de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen onroerend goed.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Op het eerste verweer over de WhatsApp-gesprekken overweegt de rechtbank dat daaruit blijkt dat transacties worden besproken die de Belgische onderneming via de bank verricht naar de notaris ten behoeve van de aankoop van het vastgoed. In de gesprekken worden concrete bedragen en data genoemd die exact overeenkomen met de transactiegegevens van de derdengeldrekening van de notaris. De alternatieve uitleg dat het bericht over teruggeven na een reis naar Spanje over de verhuur van een auto zou gaan, overtuigt de rechtbank niet, mede gelet op het bericht over een terug te geven bedrag. Conversaties over voertuigen dateren pas van na de transacties naar de notaris en betreffen een als dank beloofde auto. Het verweer faalt.

Op het tweede verweer over de UBO van de Sloveense onderneming overweegt de rechtbank dat de notaris op 14 november 2018, na een vordering ex artikel 126nd Sv, schriftelijk heeft aangegeven dat de vertegenwoordiger de UBO van die onderneming is. Een dergelijke vordering is op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet op het notarisambt uitgezonderd van de geheimhoudingsplicht. De schriftelijke reactie kan daarom voor het bewijs worden gebruikt. De mondelinge verklaring die de notaris op 13 juli 2020 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, en waarvoor hij tuchtrechtelijk een waarschuwing heeft gekregen, gebruikt de rechtbank niet. De klacht dat de notaris in strijd met de werkelijkheid heeft verklaard, is tuchtrechtelijk ongegrond verklaard. De schriftelijke mededeling wordt bovendien ondersteund door een getuigenverklaring. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank hanteert vervolgens het zes-stappenplan. Zij stelt vast dat de panden aan de betreffende adressen op 14 november 2018 zijn aangekocht, met een aankoopprijs van € 525.000 waarvoor in vijf termijnen in totaal € 540.000 is overgemaakt, en dat de woonboerderij op 12 november 2018 is aangekocht voor € 1.060.000 waarvoor in zeven termijnen in totaal € 1.100.000 is overgeboekt. Voor geen van de aankopen is een hypotheek afgesloten. De rechtspersoon ontplooit geen economische activiteiten, de bankrekening wordt vrijwel uitsluitend gevoed vanaf de privérekening van de vertegenwoordiger, en de onderneming fungeert volgens de rechtbank als dekmantelorganisatie voor het onderbrengen van onroerend goed. Bij de financierende Belgische onderneming heeft niet de op papier ingeschreven zaakvoerder de zeggenschap, maar een getuige die wegens een eerder faillissement niet als eigenaar kon optreden.

De rechtbank oordeelt dat de geldleningsovereenkomsten meerdere gebreken vertonen. De overeenkomsten zijn namens de papieren zaakvoerder ondertekend door de feitelijk leidinggevende terwijl zij niet aanwezig was, en haar handtekeningen zijn volgens de politie nagemaakt. Van beide overeenkomsten zijn meerdere, onderling afwijkende versies in omloop. Bij een looptijd van dertig jaar is geen rente bedongen en is geen zekerheid gesteld, wat de rechtbank onzakelijk acht. Ook van de minnelijke overeenkomst, waarin een lening van € 1.100.000 via compensatie zou zijn kwijtgescholden, bestaan meerdere versies met afwijkende handtekeningen, en dit stuk is ongedateerd en volgens de vertegenwoordiger voor een ander doel opgesteld. De rechtbank concludeert dat de overeenkomsten valselijk zijn opgemaakt en dat de notarissen zijn misleid.

Uit de WhatsApp-gesprekken leidt de rechtbank af dat eerst een geldstroom heeft plaatsgevonden vanuit de vertegenwoordiger naar de getuige en de Belgische onderneming, waarna dat geld via een vermeende lening is gebruikt voor de aankoop van het vastgoed. Zij wijst daarbij op een betaling van € 280.000 door de Sloveense onderneming aan de Belgische onderneming op 29 oktober 2018, kort nadat om het rekeningnummer is gevraagd, en op een daaropvolgende overboeking van € 300.000 van die rekening naar de notaris op 30 oktober 2018. Dit past volgens de rechtbank bij een loan-back-constructie. De rechtbank concludeert dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het bedrag van € 1.640.000 een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.

Voor de toerekening aan de rechtspersoon wijst de rechtbank op artikel 51, eerste lid, Sr en op het Drijfmest-arrest (Hoge Raad 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938). De vertegenwoordiger heeft de vennootschap uit hoofde van zijn functie vertegenwoordigd bij de aankopen, heeft de financiering op zijn initiatief tot stand gebracht en heeft zich als eigenaar en bestuurder gepresenteerd. De gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en zijn haar dienstig geweest, zodat zij aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend en de vennootschap als dader kan worden aangemerkt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen:

  • het medeplegen van witwassen van het onroerend goed aan de in de tenlastelegging genoemde adressen en van een geldbedrag van € 540.000;

  • het medeplegen van witwassen van het onroerend goed van de woonboerderij en van een geldbedrag van € 1.100.000;

  • gepleegd in de periode van 22 september 2018 tot en met 18 mei 2020 in Nederland, Spanje, België en Bosnië en Herzegovina;

  • terwijl de rechtspersoon wist dat deze voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Van wat meer of anders ten laste is gelegd, wordt de verdachte vrijgesproken. Het bewezenverklaarde levert op: het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke geldboete van € 40.000 passend en geboden. Zij betrekt daarbij dat de rechtspersoon onderdeel heeft uitgemaakt van een constructie met dekmantelorganisaties, buitenlandse vennootschappen, vervalste overeenkomsten en katvangers, en dat een notaris en banken zijn misleid. De rechtspersoon heeft een aanzienlijk voordeel genoten doordat zonder legale inkomstenbron en zonder hypotheeklast panden zijn verworven die in gebruik zijn als huurappartementen en woonboerderij, in waarde zijn gestegen en huurinkomsten hebben opgeleverd.

Over de redelijke termijn oordeelt de rechtbank dat deze op 18 mei 2020 is aangevangen met de aanhouding van de vertegenwoordiger. Wegens de internationale component, met rechtshulpverzoeken, overgedragen dossiers en internationale getuigenverhoren, wordt de termijn van twee jaar verlengd met één jaar tot 18 mei 2023. De redelijke termijn is met meer dan drie jaar overschreden, wat leidt tot een vermindering van tien procent. De rechtbank legt daarom een geldboete van € 36.000 op.

De rechtbank verklaart de drie inbeslaggenomen registergoederen verbeurd, omdat de rechtspersoon voor het medeplegen van witwassen wordt veroordeeld en de onroerende goederen de witwasobjecten zijn. De rechtbank wijkt af van de eis van het Openbaar Ministerie, dat een geheel voorwaardelijke geldboete van € 50.000 had gevorderd, omdat zij een voorwaardelijke straf gelet op de ernst van het feit niet opportuun acht. De beslissing berust op de artikelen 23, 33, 33a, 47, 51, 57 en 420bis Sr.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^