Veroordeling voor medeplegen van bankhelpdeskfraude en computervredebreuk wegens aansturende en coördinerende rol; schadevergoedingsmaatregel ook ten behoeve van banken

Rechtbank Limburg 15 oktober 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:11142

De rechtbank Limburg veroordeelt een in 2000 geboren man tot een gevangenisstraf van 42 maanden voor zijn aandeel in bankhelpdeskfraude, die in 2022 onder meer werd gepleegd vanuit een vakantiehuis dat als callcenter was ingericht. Bewezen worden het meermaals medeplegen van computervredebreuk, oplichting en gekwalificeerde diefstal, een poging tot gekwalificeerde diefstal en het medeplegen van het voorhanden hebben van leadslijsten met persoonsgegevens. De verdediging betwist dat de verdachte medepleger is, maar de rechtbank leidt uit chatberichten, een door hem beheerd spoofaccount en afbeeldingen op zijn telefoons een aansturende en coördinerende rol af. Het onderzoek aan zijn telefoons zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris levert achteraf bezien een vormverzuim op, waaraan de rechtbank geen rechtsgevolg verbindt. De officier van justitie eist zes jaar gevangenisstraf, maar de rechtbank blijft daaronder, onder meer vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met negentien maanden. De vorderingen van de benadeelde partijen worden grotendeels toegewezen, waarbij de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ook oplegt ten behoeve van vier banken die hun klanten uit coulance schadeloos hebben gesteld.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 2000. De meervoudige kamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, behandelt de zaak in eerste aanleg op tegenspraak op de zitting van 31 augustus 2026, gelijktijdig met de zaken tegen twee medeverdachten. Ter zitting worden twee benadeelde partijen gehoord, een vertegenwoordiger van ASN Bank (voorheen Volksbank N.V.) en een medewerker van Slachtofferhulp Nederland namens twee andere benadeelde partijen.

De zaak komt voort uit onderzoek ORION van het Cybercrimeteam Limburg. Aanleiding is een aangifte van 5 mei 2022 van bankhelpdeskfraude waarbij de computer van het slachtoffer via AnyDesk op afstand was overgenomen. Via de veiliggestelde AnyDesk-logging, het IP-adres en een vordering van verkeersgegevens komt de politie uit bij een telefoonnummer en een Samsung-toestel. Dat toestel wordt op 28 juni 2022 getraceerd op een vakantiepark in Uitdam. Bij de instap op 29 juni 2022 treft de politie een vakantiehuis aan dat volledig als callcenter is ingericht, met telefoons, headsets, laptops met AnyDesk en lijsten met persoonsgegevens (leads); bedden en badkamers zijn ongebruikt. Acht personen worden staande gehouden, onder wie de verdachte. In het onderzoek zijn 156 slachtoffers geïdentificeerd met een totale schade van € 1.600.000; in de tenlastelegging zijn de slachtoffers opgenomen die niet of niet volledig door hun bank zijn gecompenseerd.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is op 3 oktober 2023 geschorst; sindsdien staat hij onder reclasseringstoezicht. Tegelijk wordt een vordering tot tenuitvoerlegging behandeld van een voorwaardelijke taakstraf van 50 uur, opgelegd door de politierechter in de rechtbank Gelderland op 28 juni 2021.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 17 januari 2022 tot en met 29 juni 2022, samen met anderen, meermalen computervredebreuk heeft gepleegd (feit 1, artikel 138ab Sr) door slachtoffers te bellen als zogenaamde bankmedewerker, hen te bewegen een remote access tool te installeren en zo binnen te dringen in hun computers en internetbankierenomgeving. Feit 2 bevat cumulatief het medeplegen van oplichting (artikelen 326 en 47 Sr) en van gekwalificeerde diefstal (artikelen 310 en 311, eerste lid, onder 4 en 5, Sr), met een totaal tenlastegelegd bedrag van € 864.155,08. Feit 3 betreft het medeplegen van een poging tot oplichting en een poging tot gekwalificeerde diefstal op 28 juni 2022 ten nadele van één aangeefster (artikel 45 Sr). Feit 4 ziet op het in de periode van 27 oktober 2021 tot en met 29 juni 2022 voorhanden hebben en overdragen van circa 169 bestanden met leads, waarvan de verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van diefstal of oplichting met betrekking tot de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument (artikel 234, eerste lid, Sr). Feit 5 betreft het op 29 juni 2022 aanwezig hebben van 8,94 gram van een mengsel van amfetamine, GHB en MDMA (artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 10, derde lid, Opiumwet). De rechtbank leest de tenlastelegging verbeterd, zonder dat de verdachte daardoor in zijn verdediging is geschaad.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht feit 1 bewezen voor alle aangevers, met uitzondering van zeven. Feit 2 acht hij bewezen met uitzondering van drie aangevers; voor vier aangevers acht hij alleen de gekwalificeerde diefstal en voor vier andere alleen de oplichting bewezen. Bij feit 3 vordert hij partiële vrijspraak van de poging tot oplichting, omdat de verdachten het geld zelf van de rekening wilden halen. Feit 4 acht hij bewezen. Van feit 5 vordert hij vrijspraak, omdat de geteste verdovende middelen niet te koppelen zijn aan de in beslag genomen middelen.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van het voorarrest. Daarbij betrekt hij, onder verwijzing naar HR ECLI:NL:HR:2020:896, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, waaronder aangiften die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen. Ten aanzien van de benadeelde partijen acht hij de meeste vorderingen toewijsbaar, vraagt hij matiging of niet-ontvankelijkheid voor posten die samenhangen met de gevorderde vrijspraken en voor onvoldoende onderbouwde immateriële schade, en verzoekt hij om hoofdelijke toewijzing met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, ook ten behoeve van de banken.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van de feiten 1 en 2. De verdachte erkent een rol bij de bankhelpdeskfraude te hebben gehad, maar die rol kan volgens de verdediging niet als medeplegen worden gekwalificeerd: de verdachte had geen aansturende rol en leverde geen wezenlijke, actieve bijdrage aan de feiten. Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Een verweer over het onderzoek aan de telefoons is in het vonnis niet weergegeven.

Over de straf voert de verdediging aan dat de eis veel te hoog is. Onder verwijzing naar jurisprudentie en gelet op de persoonlijke omstandigheden, de beperkte rol van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn acht zij een taakstraf van 240 uur passend, eventueel gecombineerd met nog een taakstraf van 240 uur gelet op het aantal feiten.

Ten aanzien van de benadeelde partijen bepleit de verdediging primair niet-ontvankelijkheid gelet op de gevorderde vrijspraak. Subsidiair voert zij per vordering verweer: onduidelijkheid over chargeback-vergoedingen door de bank, onvoldoende concreet onderbouwde immateriële schade, onduidelijkheid over wat al is vergoed, een gestolen telefoon die niet in de tenlastelegging zou staan en onvoldoende onderbouwde onderzoekskosten van ABN AMRO.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat onderzoek is gedaan aan de inhoud van de in beslag genomen telefoons, waarbij eerst een forensische kopie wordt gemaakt en daarna zaaksgericht onderzoek plaatsvindt. Uit HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, gewezen in navolging van het Landeck-arrest van het Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2024:830), volgt dat daarvoor vooraf toestemming van de rechter-commissaris nodig was. Achteraf bezien is daarom sprake van een vormverzuim, dat tijdens het politieonderzoek niet voorzienbaar was. Bij de toetsing aan de factoren van artikel 359a, tweede lid, Sv weegt de rechtbank mee dat het onderzoek plaatsvond overeenkomstig de toen geldende waarborgen en dat de rechter-commissaris, gelet op de ernst van de verdenking, toestemming zou hebben gegeven. De verdachte is niet in een nadeliger positie geraakt. De rechtbank volstaat met de constatering van het vormverzuim.

De rechtbank beschrijft de werkwijze van de daders: slachtoffers worden gebeld door een zogenaamde bankmedewerker, vaak via hetzelfde gespoofde nummer, worden urenlang aan de lijn gehouden, installeren AnyDesk en keuren overboekingen naar rekeningen van geldezels goed, of geven hun bankpassen en pincodes mee aan een persoon die kort daarna aan de deur komt, waarna wordt gepind. Volgens de rechtbank vergt deze vorm van fraude een zekere organisatie, met verschillende rollen die nauw en chronologisch samenhangen en waarbij snelheid is geboden. Kan worden bewezen dat de verdachte ten minste één van de noodzakelijke handelingen heeft verricht, dan is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestaat uit gezamenlijke uitvoering.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte twee iPhones gebruikte, wat hij ter zitting erkent. Het spoofaccount waarmee de meeste aangevers zijn gebeld, is op 9 maart 2022 door hem aangemaakt; uit zijn telefoon blijkt dat hij het beheerde en ervoor betaalde. Uit Snapchatberichten blijkt dat hij besliste of een nieuwe beller mocht meedoen, welke nummers werden gebeld, of een beller moest doorgaan en wat die moest zeggen, en dat hij personen aanstuurde die bij slachtoffers pinpassen ophaalden. Via Telegram ontving hij in 4.667 berichten van een persoon die hij als de grote baas aanduidt telefoonnummers, namen en rekeningnummers, koppelde hij de resultaten terug en werd de buit na aftrek van de kosten voor halers en bellers tussen beiden verdeeld. In WhatsAppberichten en een audiofragment geeft hij aan dat alles via hem loopt en dat hij uitbetaalt. Ter zitting erkent hij de stem te zijn die in een tapgesprek op 28 juni 2022 instructies geeft aan een persoon in de woning van een aangeefster. Op zijn telefoon staan afbeeldingen van adressen, bankomgevingen, bankpassen, geldautomaten en rekeningen van geldezels, waarvan aanmaakdatum en tijdstip overeenkomen met de pleegmomenten. De verklaring dat hij alleen uit interesse foto’s van andere fraudeurs ontving, acht de rechtbank ongeloofwaardig, onder meer omdat hij van de meeste foto’s zelf screenshots maakte. De rechtbank ziet in die afbeeldingen een bevestiging dat anderen aan hem verantwoording aflegden.

De rechtbank verwerpt de lezing dat de verdachte slechts een tussenpersoon was. Hij stond in nauw contact met de leidinggevende persoon, deelde in de buit, gaf opdrachten aan bellers en ontving, legde vast of gaf door op beslissende momenten tijdens de feiten; op 29 juni 2022 was hij bovendien aanwezig in het vakantiehuis. Mogelijk had hij niet de leidende rol, maar wel een aansturende en coördinerende rol die volgens de rechtbank van aanzienlijke en cruciale betekenis was. Die rol is van voldoende gewicht voor medeplegen.

De rechtbank spreekt de verdachte, met de officier van justitie, partieel vrij van de feiten 1 en 2 ten aanzien van vier aangevers, onder wie een vereniging. Voor de ene aangever komen de data van de afbeeldingen niet overeen met de pleegmomenten, bij twee andere zijn op de telefoon alleen gegevens van katvangers aangetroffen, en bij de vierde is het aantreffen van een e-mailadres en het bestaan van contact vanuit het spoofaccount onvoldoende voor medeplegen. Feit 3 acht de rechtbank bewezen als poging tot gekwalificeerde diefstal; van de poging tot oplichting volgt vrijspraak. Feit 4 acht de rechtbank bewezen. Van feit 5 spreekt de rechtbank de verdachte vrij, omdat het NFI-rapport niet te koppelen is aan de in de woning in beslag genomen middelen.

De rechtbank kwalificeert het bewezene als medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd (feit 1), medeplegen van oplichting en diefstal door twee of meer verenigde personen met gebruik van een valse naam of hoedanigheid of listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, telkens meermalen gepleegd (feit 2), een poging tot die gekwalificeerde diefstal (feit 3) en medeplegen van het ontvangen, verwerven en voorhanden hebben van gegevens bestemd tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 311 en 326 Sr met betrekking tot de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument (feit 4).

Bewezenverklaring

  • Feit 1: in de periode van 17 januari 2022 tot en met 29 juni 2022 in Nederland, samen met anderen, meermalen opzettelijk en wederrechtelijk binnendringen in webservers van vijf banken met daarop de internetbankierenomgeving van twintig aangevers en in hun computers en telefoons, door het aannemen van een valse hoedanigheid als bankmedewerker of ICT-medewerker en het laten installeren van een remote access tool.

  • Feit 2: in dezelfde periode, samen met anderen, meermalen oplichting van achttien aangevers, die als zogenaamde bankmedewerkers werden bewogen tot het ter beschikking stellen van inloggegevens, verificatiecodes, pinpassen, creditcards, pincodes, apparatuur en sieraden en tot het overboeken van geldbedragen.

  • Feit 2: in dezelfde periode, samen met anderen, meermalen diefstal van geldbedragen van twintig aangevers, door met valselijk verkregen inloggegevens, codes en pinpassen in te loggen, geld over te boeken, limieten te wijzigen, rekeningen of cryptoaccounts te koppelen en geld op te nemen.

  • Feit 3: op 28 juni 2022, samen met anderen, een poging tot gekwalificeerde diefstal van geldbedragen ten nadele van één aangeefster, door zich als ICT-medewerker van de Rabobank toegang te verschaffen tot haar computer en in te loggen op haar internetbankierenomgeving.

  • Feit 4: in de periode van 27 oktober 2021 tot en met 29 juni 2022, samen met anderen, het ontvangen, verwerven en voorhanden hebben van circa 164 bestanden met leads op de iPhone van de verdachte en vijf bestanden op twee werktelefoons, bestemd tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 311 en 326 Sr met betrekking tot de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument.

De verdachte wordt vrijgesproken van feit 5, van de feiten 1 en 2 ten aanzien van vier aangevers, van de poging tot oplichting onder feit 3 en van wat verder meer of anders is tenlastegelegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank weegt mee dat de verdachte gedurende een half jaar in wisselende samenstelling tientallen, vaak oudere slachtoffers op geraffineerde wijze geld afhandig heeft gemaakt. Uit het dossier rijst het beeld van een grootschalige en professioneel opgezette onderneming, met vakantiehuizen als callcenters en bellers die op ervaring in echte callcenters werden geworven. Het handelen heeft het vertrouwen in het digitale betalingsverkeer en het bankwezen geschaad en grote impact gehad op de slachtoffers, van wie er één ter zitting verklaart dat een deel van haar pensioen verloren is en dat zij zich schaamt.

Blijkens het uittreksel justitiële documentatie van 1 september 2026 is de verdachte eerder veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder telecomfraude en fraude met betaalproducten; de telecomfraude is gepleegd minder dan drie weken na het aantreffen van de verdachte in het vakantiehuis. Uit het reclasseringsrapport van 13 augustus 2026 blijkt dat hij zich aan de afspraken houdt en dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de raadsman, vast dat de redelijke termijn van twee jaar met 19 maanden is overschreden, wat niet aan de verdediging is te wijten.

De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 42 maanden met aftrek van het voorarrest. Zij wijkt af van de geëiste zes jaar gelet op de ouderdom van de zaak en weegt mee dat de verdachte een groot deel van zijn leven bezig zal zijn met het afbetalen van de toegewezen schadevergoedingen. De gevangenisstraf wordt volledig ten uitvoer gelegd in de penitentiaire inrichting tot het moment van deelname aan een penitentiair programma of van voorwaardelijke invrijheidstelling.

De vorderingen van de benadeelde partijen worden als volgt beoordeeld. Aan zeven natuurlijke personen wordt materiële schade toegewezen tot bedragen van € 29.426,40, € 2.000, € 400, € 2.000, € 69.873,44, € 6.603,80 en € 7.325,86, telkens met wettelijke rente. Bij één aangeefster gaat de rechtbank uit van het door de bank vergoede bedrag van € 4.000 in plaats van € 500, zodat € 400 resteert. De vorderingen van een zus en een broer behandelt de rechtbank als één vordering, omdat de zus de schade van haar broer heeft vergoed; de telefoon staat, anders dan de verdediging stelt, in de tenlastelegging. Een vordering die als immateriële schade is ingediend, begrijpt de rechtbank op grond van de onderbouwing deels als materiële schade. Immateriële schade wordt telkens niet-ontvankelijk verklaard, omdat concrete gegevens over psychisch letsel ontbreken en de aard en ernst van de normschending de gevolgen niet zo voor de hand doen liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen (artikel 6:106, eerste lid, onder b, BW). Een vordering zonder ingevuld bedrag voldoet niet aan artikel 51g Sv en is niet-ontvankelijk, evenals de vorderingen die samenhangen met de partiële vrijspraken.

Aan de banken wijst de rechtbank de coulancevergoedingen toe die zij hun rekeninghouders hebben betaald voor zover die samenhangen met het bewezenverklaarde: € 17.700 aan ABN AMRO Bank N.V., € 5.000,53 aan ING Bank N.V., € 45.226,40 aan Coöperatieve Rabobank U.A. en € 1.000 aan ASN Bank N.V., met wettelijke rente vanaf het moment van uitbetaling aan de rekeninghouder. De onderzoekskosten worden telkens niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing; posten van ING die niet rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde eveneens.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op, ook ten behoeve van de banken. Zij overweegt dat banken die de weggenomen bedragen hebben vergoed recht hebben op vergoeding van hun schade, dat hun hoedanigheid als financiële instelling daar niet aan afdoet en dat moet worden voorkomen dat banken in de toekomst niet meer tot vergoeding overgaan omdat de maatregel alleen voor private partijen wordt opgelegd. Daarbij betrekt zij dat de voorschotregeling niet geldt voor rechtspersonen. Omdat de gijzeling bij optelling de maximale duur van één jaar zou overschrijden (artikel 36f, vijfde lid, Sr), verdeelt de rechtbank de gijzeling naar evenredigheid over de natuurlijke personen (90, 7, 1, 7, 208, 21 en 22 dagen) en legt zij voor de banken telkens één dag op. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk met zijn mededaders.

De vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen, omdat die volgens de justitiële documentatie al op 11 december 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is toegewezen. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven. Het vonnis bevat geen beslissing over in beslag genomen voorwerpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^