Bankhelpdeskfraude: rechtbank wijkt fors af van strafeis vanwege bekennende proceshouding en aantoonbaar gewijzigde levenshouding van verdachte

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3048

De rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeelt een jonge verdachte voor zijn rol in een grootschalige bankhelpdeskfraudezaak waarbij dertien aangevers daadwerkelijk zijn opgelicht en acht aangevers het slachtoffer zijn van een poging daartoe. De officier van justitie eist een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden, doch de rechtbank wijkt op grond van de proceshouding van de verdachte fors van die eis af. De verdachte heeft openheid van zaken gegeven, neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen en heeft sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis aantoonbare positieve stappen gezet in zijn leven. De rechtbank acht het niet wenselijk dat de verdachte terugkeert naar de gevangenis en legt een gevangenisstraf op van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, gecombineerd met de maximale taakstraf van 240 uren. Daarnaast constateert de rechtbank een vormverzuim bij het onderzoek aan de telefoons van de verdachte, doch volstaat zij met de enkele constatering daarvan zonder daar consequenties aan te verbinden.

Inleiding en context

De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, oordeelt over de strafzaak tegen een natuurlijke persoon, geboren in 1999, die wordt verdacht van betrokkenheid bij een grootschalige bankhelpdeskfraudezaak. De zaak vormt onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek Salford, waarin uiteindelijk vierendertig aangiftes met elkaar in verband zijn gebracht en een dadergroep van vijf personen in beeld is gekomen. Op 9 januari 2023 valt de politie binnen in een woning in Alteveer waar de verdachte samen met drie medeverdachten wordt aangetroffen. In de woning is een belcentrum ingericht met laptops waarop belscripts en bestanden van banken zijn aangetroffen, headsets, mobiele telefoons en simkaarten. Op het moment van de inval is via één van de aangetroffen telefoons al vijftig minuten een telefoongesprek met een aangever gaande. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer en is op tegenspraak op de zitting van 4 maart 2026 inhoudelijk behandeld. Tegelijkertijd wordt een vordering tot tenuitvoerlegging behandeld van een eerder door de politierechter Noord-Nederland opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 66 dagen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 30 augustus 2022 tot en met 30 december 2022, samen met anderen, zeventien personen heeft opgelicht door middel van bankhelpdeskfraude (feit 1) en in de periode van 19 september 2022 tot en met 9 januari 2023 acht personen heeft geprobeerd op te lichten op dezelfde wijze (feit 2). Daarnaast wordt hem computervredebreuk verweten (feit 3), de diefstal van een Samsung laptop en bankpassen door middel van bankhelpdeskfraude (feit 4) en het voorhanden hebben van zogenoemde leads, bestaande uit persoons- en adresgegevens, telefoonnummers, bankrekeningnummers en e-mailadressen, bestemd voor het plegen van bankhelpdeskfraude (feit 5). Het wettelijk kader wordt gevormd door de artikelen 326 (oplichting), 138ab (computervredebreuk), 311 (gekwalificeerde diefstal) en 234 van het Wetboek van Strafrecht, deze laatste bepaling ten aanzien van het overdragen en verspreiden van gegevens bestemd tot het plegen van een misdrijf met betrekking tot een niet-contant betaalinstrument. De rechtbank kwalificeert de bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 4 als eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, eerste lid, Sr.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van een partiële vrijspraak voor de computervredebreuk op de rekening van een aangever waarbij niet vastgesteld kan worden dat de verdachte of diens medeverdachten daadwerkelijk hebben ingelogd. De officier van justitie vordert oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert zij de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 66 dagen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert allereerst een vormverzuimverweer. Het uitlezen van de telefoons van de verdachte is volgens de verdediging onrechtmatig geschied omdat daarvoor geen toestemming is gegeven door de verdachte zelf, de rechter-commissaris of de officier van justitie, terwijl dit op grond van het Smartphone-arrest (ECLI:NL:HR:2017:584) en het Landeck-arrest (ECLI:NL:HR:2025:329) wel was vereist. Het onderzoek heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, beschermd door artikel 8 EVRM. Voorts bepleit de verdediging partiële vrijspraak ten aanzien van een aantal aangevers wegens onvoldoende bewijs van een aandeel van de verdachte in die specifieke oplichtingen. Wat de strafmaat betreft verzoekt de verdediging om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de positieve stappen die de verdachte heeft gezet, zijn openheid van zaken, het feit dat niet blijkt dat hij veel geld heeft verdiend met de feiten, en de overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar. De verdediging verzoekt om een voorwaardelijke gevangenisstraf, al dan niet in combinatie met een flinke taakstraf, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Oordeel gerecht

De rechtbank acht de feiten 1 tot en met 5 wettig en overtuigend bewezen, met enkele partiële vrijspraken ten aanzien van specifieke aangevers waarvoor de betrokkenheid van de verdachte onvoldoende uit het dossier blijkt. Centraal in de bewijsoverwegingen staat de modus operandi van de dadergroep en het oordeel dat bij deze vorm van georganiseerde fraude een nauwe en bewuste samenwerking kan worden aangenomen wanneer ten minste één van de noodzakelijke handelingen door de verdachte wordt verricht. De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd voor zijn betrokkenheid en heeft erkend telefoongesprekken onder een alias te hebben gevoerd op basis van het belscript dat in de woning is aangetroffen.

Ten aanzien van het vormverzuimverweer overweegt de rechtbank dat het onderzoek aan de telefoons van de verdachte aan de hand van zoektermen heeft plaatsgevonden, waardoor een min of meer compleet beeld kon worden verkregen van een bepaald aspect van het persoonlijke leven van de verdachte. Voor een dergelijk onderzoek is in het licht van artikel 8 EVRM toestemming van de rechter-commissaris vereist. Daar staat echter tegenover dat sprake was van een ernstige verdenking en dat de rechter-commissaris die toestemming bij voorlegging zonder nadere beperkingen had kunnen geven. De rechtbank volstaat daarom met de enkele constatering dat sprake is geweest van een vormverzuim, zonder daaraan een rechtsgevolg in de zin van artikel 359a Sv te verbinden.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen:

  • het medeplegen van oplichting van dertien aangevers, meermalen gepleegd in de periode van 8 september 2022 tot en met 30 december 2022 (feit 1)

  • het medeplegen van poging tot oplichting van acht aangevers, meermalen gepleegd in de periode van 19 september 2022 tot en met 9 januari 2023 (feit 2)

  • het medeplegen van computervredebreuk ten aanzien van tien aangevers, meermalen gepleegd in de periode van 8 september 2022 tot en met 6 januari 2023 (feit 3)

  • het medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel van een Samsung laptop en pinpassen op 9 januari 2023 (feit 4)

  • het overdragen en verspreiden van gegevens waarvan de verdachte weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 326 Sr, voor zover het feit betrekking heeft op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument, gepleegd op 9 januari 2023 (feit 5 primair)

De verdachte wordt partieel vrijgesproken van de oplichtingen ten aanzien van vier aangevers onder feit 1 en van de computervredebreuk ten aanzien van twee aangevers onder feit 3, omdat zijn betrokkenheid bij die specifieke deelgedragingen niet uit het dossier blijkt of slechts sprake is geweest van een poging.

Strafoplegging en maatregelen

In de strafmotivering kent de rechtbank doorslaggevend gewicht toe aan de proceshouding van de verdachte. Hoewel de aard en ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, acht de rechtbank het niet wenselijk dat de verdachte terugkeert naar de gevangenis. De rechtbank betrekt daarbij dat de verdachte al een lange periode in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bijna volledig verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en openheid van zaken heeft gegeven over zijn eigen rol. Sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis heeft hij hard gewerkt aan een positieve invulling van zijn leven: hij heeft werk gevonden, woont begeleid, is gestopt met het gebruiken van drugs en heeft afstand genomen van zijn oude sociale netwerk. De rechtbank constateert dat de verdachte echt op het rechte pad lijkt te zijn en oordeelt dat het niet in het belang van de samenleving is wanneer deze positieve ontwikkeling rigoureus zou worden doorkruist door een langdurige gevangenisstraf. Het risico op recidive zou bij terugkeer naar detentie reëel worden.

Tegenover deze strafmatigende factoren staan strafverzwarende omstandigheden. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en bovendien nog liep in de proeftijd van een eerdere veroordeling. De rechtbank weegt voorts de overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar in strafmatigende zin mee, alsmede het door haar zelf geconstateerde vormverzuim.

Alles afwegende legt de rechtbank op een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel verbindt de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de verplichting tot dagbesteding. Om de ernst van de feiten te benadrukken legt de rechtbank daarnaast de maximale taakstraf van 240 uren op. De inbeslaggenomen iPhones worden verbeurd verklaard. Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging gelast de rechtbank de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf, te weten 30 dagen, en zet deze om in een taakstraf van 120 uren, eveneens om de positieve ontwikkeling van de verdachte niet te doorkruisen. Voorts wijst de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen, waaronder die van een aangever ter hoogte van € 158.031,41 en die van de Rabobank ter hoogte van € 70.932,33, hoofdelijk toe, telkens vermeerderd met de wettelijke rente en, ten aanzien van natuurlijke personen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^