Voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete na procesafspraken in hoger beroep voor feitelijk leidinggeven aan onjuiste aangiften omzetbelasting en medeplegen van gewoontewitwassen

Gerechtshof Den Haag 28 augustus 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2939

Het gerechtshof Den Haag veroordeelt op 28 augustus 2026 een verdachte voor feitelijk leidinggeven aan het onjuist doen van aangiften omzetbelasting en het verstrekken van valse facturen aan de Belastingdienst, en voor medeplegen van gewoontewitwassen. Het Openbaar Ministerie en de verdachte hebben in hoger beroep procesafspraken gemaakt, neergelegd in een overeenkomst van 4 maart 2026. Het hof toetst die afspraken aan het kader van de Hoge Raad van 27 september 2022 en stelt vast dat de verdachte vrijwillig en na adequate voorlichting door zijn raadsman heeft ingestemd. Bij feit 4 komt het hof op een gering onderdeel tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank, zonder gevolgen voor de kwalificatie en binnen de door partijen aanvaarde bandbreedte. De redelijke termijn is in hoger beroep met ruim zes jaren overschreden, wat volgens het hof voldoende in de overeengekomen afdoening is verdisconteerd. Het hof legt een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 5.000 op.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1988, die ten tijde van de behandeling in hoger beroep uit anderen hoofde is gedetineerd. De zaak betreft onjuiste aangiften omzetbelasting van twee rechtspersonen over tijdvakken in 2010 en 2011, valse facturen die aan de Belastingdienst zijn verstrekt en het witwassen van de door de Belastingdienst uitbetaalde vooraftrek. De rechtbank Den Haag veroordeelt de verdachte op 21 juni 2018 voor het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Op 5 juli 2018 wordt namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Op 2 december 2020 wordt de verdachte in Duitsland veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, die hij in het kader van een overdrachtsprocedure in Nederland ondergaat. In hoger beroep komen het Openbaar Ministerie en de verdachte procesafspraken overeen, vastgelegd in een door de advocaat-generaal, de verdachte en zijn raadsman ondertekende overeenkomst van 4 maart 2026. Het hof wordt daarover op 13 juli 2026 per e-mail geïnformeerd en behandelt de zaak op de terechtzitting van 14 augustus 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Onder feit 1 primair wordt de verdachte verweten dat hij opdracht heeft gegeven tot, dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan, het door een rechtspersoon in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen van bescheiden aan de Belastingdienst in de periode van 23 juli 2010 tot en met 30 januari 2011. Het gaat om vier facturen van drie bedrijven, waarop in strijd met de waarheid werkzaamheden en diensten zijn vermeld die niet hebben plaatsgevonden. Feit 2 primair ziet op het opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting van dezelfde rechtspersoon over het eerste kwartaal van 2010 tot en met het eerste kwartaal van 2011, door een te hoog bedrag aan voorbelasting en een te hoog terug te vragen bedrag op te geven. Feit 3 primair betreft hetzelfde verwijt voor een tweede rechtspersoon, over het eerste en vierde kwartaal van 2010 en het derde kwartaal van 2011. Bij de feiten 1 tot en met 3 is subsidiair medeplegen tenlastegelegd, meer subsidiair feitelijk leidinggeven aan het gebruik van valse of vervalste geschriften en meest subsidiair het medeplegen daarvan. Onder feit 4 wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 6 mei 2010 tot en met 20 februari 2015 in Nederland, Hongkong, Duitsland en Letland samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen van in totaal 281.871,41. De tenlastelegging vermeldt bij dit bedrag geen valuta. Het hof noemt als toepasselijke voorschriften de artikelen 68 en 69 AWR en onder meer de artikelen 47, 51, 57, 420bis en 420ter Sr.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis, behoudens de strafoplegging. Overeenkomstig de procesafspraken vordert hij een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 5.000.

Standpunt van de verdediging

Formele verweren of bewijsverweren vermeldt het arrest niet. Overeenkomstig de procesafspraken doet de verdediging afstand van de reeds ingediende onderzoekswensen en dient zij geen nadere of nieuwe onderzoekswensen in. De raadsman refereert zich bij pleidooi aan de vordering van de advocaat-generaal en vraagt het hof rekening te houden met de veroordeling van de verdachte in Duitsland.

Oordeel gerecht

Het hof verenigt zich niet met een onderdeel van de bewezenverklaring van feit 4 en vernietigt daarom het vonnis. Het acht bewezen dat de verdachte de door de Belastingdienst uitbetaalde vooraftrek telkens heeft doorgesluisd, en daarmee overgedragen, naar andere bankrekeningen waartoe hij gemachtigd was. Daarmee heeft hij de herkomst van die geldbedragen willen verhullen. Dat levert volgens het hof witwassen op van geldbedragen die middellijk, en dus niet onmiddellijk, uit misdrijf zijn verkregen. Gelet op het aantal overboekingen heeft de verdachte hiervan een gewoonte gemaakt. De bewezenverklaring wijkt daardoor op een gering onderdeel af van die van de rechtbank, zonder dat de kwalificatie wijzigt. Volgens het hof valt dit binnen de bij de procesafspraken aanvaarde bandbreedte. De verdediging en de advocaat-generaal delen ter zitting desgevraagd mee dat zij hierin geen reden zien om heropening van het onderzoek te vragen.

De procesafspraken houden in dat een bewezenverklaring kan volgen conform het vonnis van de rechtbank, dat het Openbaar Ministerie de hiervoor genoemde straffen eist en dat de verdediging afziet van onderzoekswensen. Het hof toetst de afspraken aan het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, waaruit volgt dat de rechter alleen acht kan slaan op een afdoeningsvoorstel als is gewaarborgd dat aan de eisen van artikel 6 EVRM wordt voldaan. Het hof bespreekt de afspraken ter zitting met de verdachte en zijn raadsman. Partijen bevestigen daarbij twee verbeteringen van de overeenkomst: de slotzin van de tweede alinea op pagina 3 moet zo worden gelezen dat een voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met een geldboete het beoogde doel dient, en de datering op de pagina's 2 tot en met 4 moet 4 maart 2026 zijn in plaats van 14 januari 2026. Het hof stelt vast dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om weloverwogen tot een ondubbelzinnige beslissing te komen, dat hij zich met bijstand van zijn raadsman rekenschap heeft kunnen geven van de inhoud, de strekking en de rechtsgevolgen van de afspraken, en dat hij vrijwillig heeft ingestemd en adequaat is voorgelicht. Slachtoffers of benadeelde partijen zijn er in deze zaak niet. Het hof oordeelt dat het acht kan slaan op de procesafspraken.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart bewezen het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde en spreekt de verdachte vrij van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. In de gepubliceerde tekst is de bewezenverklaring gelijkluidend aan de tenlastelegging weergegeven, zodat daaruit niet blijkt welke onderdelen zijn weggelaten. Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als volgt:

  • Feit 1 primair: feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen van bescheiden waartoe deze ingevolge de belastingwet verplicht is, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

  • Feit 2 primair: feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon opzettelijk onjuist doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

  • Feit 3 primair: feitelijk leidinggeven aan het door een tweede rechtspersoon opzettelijk onjuist doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

  • Feit 4: medeplegen van gewoontewitwassen

Strafoplegging en maatregelen

Het hof legt een gevangenisstraf van negen maanden op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een geldboete van € 5.000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijftig dagen hechtenis. Dat is overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het afdoeningsvoorstel. Bijkomende straffen of maatregelen legt het hof niet op.

Het hof weegt mee dat de verdachte gedurende ongeveer twee jaren opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan en daarvoor rechtspersonen heeft opgericht die slechts als doel hadden voorbelasting van de Belastingdienst te verkrijgen en de verkregen bedragen wit te wassen. Hij heeft valse facturen aan de Belastingdienst verzonden om de bedragen te verantwoorden en de ontvangen gelden overgeboekt naar (buitenlandse) bankrekeningen waarop hij gemachtigd was. Volgens het hof heeft de verdachte misbruik gemaakt van het Nederlandse systeem van omzetbelasting, dat berust op het vertrouwen in de juistheid van geschriften en documenten en dat door dergelijk misbruik ernstig wordt ondermijnd. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 27 juli 2026 blijkt de Duitse veroordeling tot twaalf jaren gevangenisstraf. Het hof betrekt ook de persoonlijke omstandigheden die de verdachte ter zitting naar voren brengt. Bij de vaststelling van de geldboete houdt het rekening met zijn draagkracht.

De redelijke termijn in hoger beroep vangt aan op 5 juli 2018 en is met ruim zes jaren overschreden. Volgens de schriftelijke toelichting op het afdoeningsvoorstel is dat veroorzaakt doordat de verdachte lange tijd in Duitsland gedetineerd was en geen gebruik kon maken van zijn aanwezigheidsrecht. De overschrijding is bij de procesafspraken betrokken en naar het oordeel van het hof voldoende verdisconteerd in de overeengekomen afdoening. Het hof beantwoordt de vraag of de overeengekomen straffen in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak bevestigend en acht die straffen passend en geboden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^