Veroordeling van twee echtgenoten voor het opzettelijk medeplegen van de invoer van 232 beschermde papegaaieneieren, zonder aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude

Rechtbank Amsterdam 14 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7171 (de man) en ECLI:NL:RBAMS:2026:7170 (de vrouw)

De rechtbank Amsterdam veroordeelt twee echtgenoten die op 24 maart 2026 op Schiphol 232 papegaaieneieren van beschermde soorten uit Nicaragua binnenbrengen zonder invoervergunning en zonder de zending aan te bieden voor officiële controle. De eieren, waaronder die van de Buffons ara en de geelnekamazone, vallen onder het Cites-verdrag en de bijlagen A en B van Basisverordening (EG) nr. 338/97. De rechtbank acht bij beide verdachten medeplegen van overtreding van de Omgevingswet en de Wet Dieren bewezen, telkens opzettelijk begaan. Anders dan de officier van justitie sluit de rechtbank niet aan bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude, omdat de waarde van de zending onbekend is. De officier van justitie eist tegen de man achttien maanden en tegen de vrouw vierentwintig maanden gevangenisstraf. De rechtbank legt beiden een gevangenisstraf van 270 dagen op, waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en verklaart de in beslag genomen telefoons verbeurd.

Inleiding en context

De zaken betreffen twee natuurlijke personen, echtgenoten, beiden zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. De man is geboren in 1987 (parketnummer 81/089947-26), de vrouw in 1990 (parketnummer 81/089529-26). Beide zaken worden in eerste aanleg behandeld door de meervoudige economische kamer, tegelijk maar niet gevoegd, op de terechtzitting van 30 juni 2026, met uitspraak op 14 juli 2026. In beide zaken treedt mr. B.J.W. Tijkotte op als raadsman.

Op 24 maart 2026 komen de verdachten met een vlucht uit Nicaragua aan op Schiphol. Zij vervoeren 257 eieren in twee zwarte sporttassen die zij als handbagage meenemen, met apparatuur om de eieren warm te houden. De douane constateert de aanwezigheid van de eieren; de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit stelt vast dat het om bevruchte papegaaieneieren gaat. Van de 232 eieren die uitkomen wordt gedetermineerd om welke soorten het gaat. Beide verdachten verklaren dat zij tegen betaling naar Nicaragua zijn gereisd om daar eieren op te halen en naar Hong Kong te vervoeren.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Aan beide verdachten worden na wijziging van de tenlastelegging twee feiten verweten. Feit 1 primair betreft het medeplegen van het opzettelijk in strijd met de Omgevingswet binnenbrengen in de Gemeenschap van eieren van soorten die staan vermeld op bijlage A of B van Basisverordening (EG) nr. 338/97, subsidiair het medeplegen van het onder zich hebben van die eieren. De grondslag ligt in artikel 4.3, tweede lid, van de Omgevingswet, artikel 11.93, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 4 van de Basisverordening. Feit 2 betreft het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift van een EU-verordening, doordat de verdachten de zending papegaaieneieren binnen de Europese Unie brengen zonder deze aan te bieden voor een officiële controle als bedoeld in artikel 47 van Verordening (EU) 2017/625; dit feit is gekwalificeerd onder de artikelen 2.7 en 6.2 van de Wet Dieren. De feiten worden vervolgd als economische delicten op grond van de Wet op de economische delicten.

De tenlastelegging is in beide zaken gelijkluidend, met dien verstande dat zij in de zaak tegen de vrouw op haar rol is toegeschreven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

In beide zaken stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat feit 1 primair en feit 2 bewezen kunnen worden en dat bij de strafoplegging moet worden aangesloten bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude.

De geëiste straf verschilt per zaak. Tegen de man eist de officier van justitie een gevangenisstraf van 18 maanden. Tegen de vrouw eist de officier van justitie een gevangenisstraf van 24 maanden en stelt daarbij dat uit het dossier volgt dat zij ook op eerdere momenten papegaaieneieren heeft vervoerd.

Standpunt van de verdediging

In beide zaken refereert de verdediging zich ten aanzien van beide feiten aan het oordeel van de rechtbank en stelt zij zich op het standpunt dat ten aanzien van beide feiten sprake is van voorwaardelijk opzet. De raadsman verzoekt in beide zaken bij de strafoplegging in matigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Oordeel gerecht

De rechtbank acht in beide zaken feit 1 primair en feit 2 bewezen. Zij stelt vast dat de verdachten de feiten gezamenlijk hebben uitgevoerd door samen te reizen, waarbij ieder een zwarte sporttas met eieren bij zich had, en dat zij daarmee nauw en bewust hebben samengewerkt. Van medeplegen is daarom sprake.

Ten aanzien van het opzet op feit 1 loopt de motivering per zaak uiteen. Bij de man verwerpt de rechtbank de verklaring dat hij dacht dat het om kippeneieren als voedsel ging; die acht zij niet aannemelijk, mede gelet op zijn verklaring dat het doel van de reis was eieren op te halen, deze naar Hong Kong te vervoeren en daarvoor te worden betaald. Gelet op de wijze waarop het vervoer is geregeld en uitgevoerd, moet hij worden geacht willens en wetens de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat het om een waardevol transport ging en om eieren van bedreigde, door het Cites-verdrag en de Verordening beschermde soorten. Bij de vrouw stelt de rechtbank vast dat het voor haar duidelijk was dat zij papegaaieneieren vervoerde; dat zij niet precies wist welk aantal per soort zij vervoerde doet daaraan niet af, omdat zij gelet op de wijze van vervoer eveneens moet worden geacht de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat het om beschermde bedreigde soorten ging. In beide zaken is het vereiste voorwaardelijk opzet op feit 1 daarmee gegeven.

Ten aanzien van feit 2 oordeelt de rechtbank in beide zaken dat sprake is van vol opzet. De verdachten hebben voorafgaand aan en na aankomst op Schiphol niet gemeld dat zij papegaaieneieren vervoerden en waren ook niet van plan dat te doen; hun bedoeling was juist het vervoer verborgen te houden.

De bewezen geachte feiten zijn strafbaar en er is geen rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond aannemelijk geworden; beide verdachten zijn strafbaar.

Bewezenverklaring

In beide zaken wordt hetzelfde bewezen verklaard:

  • medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, opzettelijk begaan (feit 1 primair): het binnenbrengen in de Gemeenschap van 232 eieren van papegaaiachtigen (Psittaciformes spp), te weten 8 eieren van de geelwangamazone (Amazona autumnalis, bijlage B), 208 eieren van de geelnekamazone (bijlage A), 14 eieren van de geelvleugel ara (Ara macao, bijlage A) en 2 eieren van de Buffons ara (Ara ambiguus, bijlage A);

  • medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.7, eerste en tweede lid, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet Dieren, opzettelijk begaan (feit 2): het als verantwoordelijke exploitant binnen de Europese Unie brengen van de zending van 232 papegaaieneieren uit Nicaragua zonder deze aan te bieden voor een officiële controle als bedoeld in artikel 47 van Verordening (EU) 2017/625.

Wat meer of anders is ten laste gelegd verklaart de rechtbank in beide zaken niet bewezen; van dat deel worden de verdachten vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank kwalificeert de feiten in beide zaken als ernstig. Zij overweegt dat de eieren afkomstig zijn van soorten die tot de strengst beschermde soorten behoren, waaronder de Buffons ara, waarvan in het wild vermoedelijk nog minder dan 1000 exemplaren leven, en de geelnekamazone, waarvan de wilde populatie op tussen de 1000 en 2500 exemplaren wordt geschat. Papegaaien van deze soorten worden op de zwarte markt voor forse bedragen verkocht, en de verdachten hebben met de smokkel van deze hoeveelheid eieren bijgedragen aan de illegale handel in ernstig bedreigde diersoorten.

In beide zaken ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om aan te sluiten bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Het gaat weliswaar om smokkel gericht op financieel voordeel, maar er is geen informatie beschikbaar over de waarde die de zending vertegenwoordigt, en er kan niet zonder meer worden aangeknoopt bij de waarde van volwassen vogels omdat onbekend is hoe het onzekere proces van het tot volle wasdom laten komen van dergelijke vogels financieel wordt vertaald. De ernst van de feiten wordt volgens de rechtbank in het bijzonder bepaald doordat het gaat om gedragingen ten aanzien van bedreigde diersoorten. De rechtbank zoekt evenmin aansluiting bij straffen die in het buitenland voor dit soort feiten worden opgelegd, omdat onbekend is welke bandbreedte de buitenlandse rechter ter beschikking staat.

De persoonlijke omstandigheden verschillen deels per zaak. In beide zaken weegt de rechtbank mee dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld en dat de verdachten twee minderjarige kinderen hebben die de zorg van beide ouders al lange tijd missen. In de zaak tegen de vrouw weegt de rechtbank daarnaast mee dat het voorarrest voor haar bijzonder zwaar moet zijn geweest doordat zij door de taalbarrière niet in staat is met anderen te communiceren. In diezelfde zaak overweegt de rechtbank uitdrukkelijk dat zij niet meeweegt dat de vrouw ook op eerdere momenten eieren zou hebben vervoerd, omdat dit in deze procedure niet is komen vast te staan.

De rechtbank legt beide verdachten dezelfde straf op: een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 170 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en aftrek van het voorarrest. Het voorwaardelijk deel dient om de ernst van de feiten uit te drukken en herhaling te voorkomen. Daarmee wijkt de rechtbank in beide zaken af van de eis; de opgelegde straf is lager dan de gevorderde 18 maanden tegen de man en de gevorderde 24 maanden tegen de vrouw, en in beide zaken gelijk.

In beide zaken verklaart de rechtbank de onder de verdachte in beslag genomen mobiele telefoon verbeurd, omdat de bewezenverklaarde feiten met behulp daarvan zijn voorbereid en begaan. In de zaak tegen de man betreft dit een iPhone 13, in de zaak tegen de vrouw een iPhone 16 Pro Max.

Lees hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de man en hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de vrouw.

Print Friendly and PDF ^