Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over de vraag of een verpleegkundige in een Wvggz-zorginstelling ambtenaar is in de zin van artikel 304 Sr
/Hoge Raad 25 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1362
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld wegens onder meer twee mishandelingen, waaronder de mishandeling van een verpleegkundige, en aan wie terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd. Het slachtoffer is een verpleegkundige die werkzaam is in een zorginstelling voor verplichte en gedwongen zorg, waar de verdachte op grond van een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg is opgenomen. Het vierde cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat deze verpleegkundige een ambtenaar is in de zin van artikel 304 lid 1, aanhef en onder 3, Sr. De Hoge Raad herhaalt dat onder ambtenaar ook valt degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Het oordeel van het hof dat de verplichte en gedwongen zorg een overheidstaak is en dat de verpleegkundige daarom als ambtenaar kan worden aangemerkt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het zesde middel over de overschrijding van de redelijke termijn slaagt, maar omdat de opgelegde maatregel zich niet voor vermindering leent, volstaat de Hoge Raad met de vaststelling van die overschrijding.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1981. Het gerechtshof Den Haag veroordeelt hem op 19 december 2024 wegens vijf bedreigingen, drie beledigingen en twee mishandelingen. Het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd, waarbij de totale duur van de maatregel de periode van vier jaren niet te boven kan gaan. Daarnaast beslist het hof op de vordering van de benadeelde partij en legt het een schadevergoedingsmaatregel op.
Het vierde feit betreft de mishandeling van een verpleegkundige. Op 21 maart 2023 slaat de verdachte deze verpleegkundige, werkzaam bij de zorginstelling, meermalen met kracht tegen het gezicht. De verpleegkundige spreekt de verdachte aan op het dragen van een muts tijdens het eten, waarna een woordenwisseling ontstaat. De verdachte spuugt naar haar en loopt weg, waarna een worsteling volgt waarbij hij haar tweemaal met de vuist op de wang raakt. De verpleegkundige houdt kaakklachten aan het incident over.
De verdachte is op het moment van het feit in de zorginstelling opgenomen op grond van een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De rechtbank verleent op 11 januari 2023 een aansluitende zorgmachtiging op grond van artikel 67 Wvggz, geldig tot en met 14 januari 2024.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen zes cassatiemiddelen voorgesteld. Het vierde middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verpleegkundige die werkzaam was in de zorginstelling voor verplichte en gedwongen zorg kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 304 lid 1, aanhef en onder 3, Sr. Het zesde middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De overige middelen komen op tegen andere onderdelen van de uitspraak van het hof. De advocaat-generaal Van Kampen concludeert tot verwerping van het beroep.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 2.3.1 vast dat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 300 lid 1 Sr in samenhang met artikel 304 lid 1, aanhef en onder 3, Sr, zodat het begrip ambtenaar de betekenis heeft die het in die bepaling toekomt. Artikel 304 lid 1, aanhef en onder 3, Sr bepaalt dat de in de artikelen 300 tot en met 303 Sr genoemde gevangenisstraffen met een derde kunnen worden verhoogd indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De term ambtenaar in deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat daaronder ook is begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd, zoals volgt uit HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6793 (rechtsoverweging 2.3.3).
Het hof heeft vastgesteld dat de verpleegkundige ten tijde van het feit werkzaam was in een zorginstelling voor verplichte en gedwongen zorg, waar de verdachte was opgenomen op grond van een zorgmachtiging in het kader van de Wvggz. Het hof neemt dit toetsingskader tot uitgangspunt en oordeelt dat de verpleegkundige als ambtenaar kan worden aangemerkt. Het overweegt daartoe dat de verplichte en gedwongen zorg van een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing in het kader van de Wvggz is opgenomen een overheidstaak is, en dat de inhoud en de reikwijdte van de taken van de verpleegkundigen die deze taak uitvoeren van overheidswege zijn bepaald. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de werkzaamheden van die verpleegkundigen worden uitgevoerd onder toezicht en controle van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die over vergaande bevoegdheden beschikt met betrekking tot het bestuur van en het toezicht op een zorginstelling waar die taak wordt uitgevoerd. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Het vierde middel faalt in zoverre.
Het zesde middel is gegrond. De Hoge Raad overweegt in rechtsoverweging 3.2 bovendien dat hij in deze zaak, waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Omdat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zich naar zijn aard niet voor vermindering leent, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt hij daaraan geen ander rechtsgevolg.
De overige klachten kunnen niet tot vernietiging van de uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft dit oordeel niet te motiveren, omdat de beoordeling van deze klachten geen beantwoording vergt van vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, artikel 81 lid 1 RO.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Lees hier de volledige uitspraak hier
