Veroordeling van melkveehouder voor opzettelijke overschrijding van het fosfaatrecht door het onjuist omboeken van melkkoeien naar weide- en zoogkoeien
/Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 juli 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1977
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt een melkveehouder wegens overtreding van artikel 21b van de Meststoffenwet omdat hij in 2018 opzettelijk meer fosfaat met melkvee produceert dan zijn fosfaatrecht toelaat. De verdachte boekt melk- en kalfkoeien onterecht om naar de categorie weide- en zoogkoeien, waarvoor geen fosfaatrechten nodig zijn, deels met terugwerkende kracht. Het hof stelt vast dat een gemiddelde melkproductie van 11.670 kilogram per koe niet realistisch is en verwerpt het beroep op ander voer en selectie van beter producerende koeien. Op basis van de geleverde melk berekent het hof een fosfaattekort van ongeveer 265 kilogram, waar de tenlastelegging uitging van 312,6 kilogram. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant en komt tot een gewijzigde bewezenverklaring. De opgelegde geldboete bedraagt € 3.500, waarvan de helft voorwaardelijk, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Inleiding en context
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelt in hoger beroep een economische strafzaak tegen een verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1970, die in Oeffelt, gemeente Boxmeer, een melkveebedrijf voert in de vorm van een eenmanszaak. De eenmanszaak is gestart in 1995 en heeft als activiteit het houden van melkvee. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voert op 12 november 2019 een inspectie uit ter controle op de naleving van de meststoffenwetgeving en onderzoekt daarbij of de verdachte in het kalenderjaar 2018 meer dierlijke meststoffen met melkvee heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Ambtenaren van de NVWA relateren hun bevindingen in een proces-verbaal dat op 11 juni 2020 wordt afgesloten.
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, verklaart bij vonnis van 3 september 2024 het tenlastegelegde bewezen, kwalificeert dit als overtreding van artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet en veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 3.500, subsidiair 45 dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij in het kalenderjaar 2018 te Oeffelt, gemeente Boxmeer, al dan niet opzettelijk als landbouwer op zijn bedrijf meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in ongeveer 312,6 kilogram fosfaat, heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.
Het juridisch kader wordt gevormd door artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, in combinatie met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Op grond van artikel 21b is het een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Centraal staat het onderscheid in diercategorieën uit bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Voor melk- en kalfkoeien (diercategorie 100), koeien die ten minste eenmaal hebben gekalfd en voor de melkproductie of fokkerij worden gehouden, zijn fosfaatrechten vereist. Voor weide- en zoogkoeien (diercategorie 120), koeien die ten minste eenmaal hebben gekalfd maar geen melk- en kalfkoeien zijn, zijn geen fosfaatrechten vereist. Het aantal benodigde fosfaatrechten wordt berekend aan de hand van de melkproductie in kilogram melk per koe per kalenderjaar volgens tabel IIA en tabel IIB bij bijlage D bij de Uitvoeringsregeling.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis bevestigt, met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre opnieuw rechtdoende vordert de advocaat-generaal een geldboete van € 3.500, subsidiair 35 dagen hechtenis, waarvan € 1.750, subsidiair 17 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit primair vrijspraak. Volgens de raadsman kan op grond van het dossier niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte in 2018 meer dierlijke meststoffen met melkvee heeft geproduceerd dan zijn fosfaatrecht toeliet. De als weide- en zoogkoe geregistreerde koeien, met uitzondering van twee die nadien drachtig zijn geweest, worden volgens de verdediging niet daadwerkelijk gemolken en zijn dus geen melkkoeien in de zin van de Meststoffenwet, zodat de verdachte over voldoende fosfaatrechten beschikte.
Ter verklaring van de significant hogere gemiddelde melkproductie per koe in 2018 voert de verdediging twee mogelijkheden aan. De melkkoeien krijgen in 2018 ander voer, waardoor zij meer melk kunnen zijn gaan produceren, en de verdachte heeft de niet of slecht producerende koeien uit de selectie van melkkoeien gehaald. Voor het met terugwerkende kracht omboeken van koeien voert de verdediging aan dat het fosfaatrechtenstelsel pas in 2018 is ingevoerd, zodat de juiste categorie-registratie in eerdere jaren minder of niet relevant was, en dat de adviseur van de verdachte in 2018 ernstig ziek was, waardoor professionele hulp bij de veesaldoadministratie ontbrak.
Subsidiair voert de raadsman een straftoemetingsverweer en verzoekt hij rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, het ontbreken van documentatie en het ontbreken van vergelijkbare overtredingen in latere jaren.
Oordeel gerecht
Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank, maar neemt de bewijsoverwegingen van de rechtbank tot uitgangspunt en neemt deze grotendeels over.
Het hof stelt vast dat op het bedrijf in 2018 voor 3.249 kilogram aan benutbare fosfaatrechten rusten, waarbij de op 3 december 2018 verleasete rechten reeds zijn afgetrokken. Uit de door de verdachte zelf opgestelde veesaldoadministratie volgt dat hij in 2018 gemiddeld 49 melk- en kalfkoeien en gemiddeld 13,1 weide- en zoogkoeien houdt, en dat hij van 32 melk- en kalfkoeien de registratie heeft gewijzigd naar weide- en zoogkoe.
Het hof oordeelt dat de verdachte koeien van diercategorie 100 ten onrechte heeft omgeboekt naar diercategorie 120. Daarvoor acht het hof verschillende omstandigheden van belang. Uit de administratie volgt dat gemiddeld 49 melkkoeien een productie van gemiddeld 11.670 kilogram melk per koe realiseren, wat het hof niet realistisch acht voor een bedrijf als dat van de verdachte, mede gelet op de aanzienlijk lagere gemiddelde melkproductie in de jaren 2014 tot en met 2017 en 2019. In 2018 wordt per melkkoe gemiddeld 3.164 kilogram meer melk geadministreerd dan in 2017, een stijging van 37,2 procent, terwijl de verdachte in 2017 gemiddeld 15,8 meer melkkoeien houdt. Het hof vindt steun voor deze vaststelling in verklaringen van een voedingsadviseur, een medewerker en een dierenarts, waaruit volgt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat bij de bedrijfsvoering en het rantsoen van de verdachte een gemiddelde melkproductie van 11.670 kilogram per koe kan worden gerealiseerd. De verklaringen van de verdediging over ander voer en selectie van koeien acht het hof, mede omdat zij nauwelijks zijn onderbouwd, niet aannemelijk. Daarbij weegt het hof mee dat de verdachte in een bezwaarschrift van 28 maart 2018 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland rekent met een gemiddelde melkproductie van 8.625 tot 9.124 kilogram per koe.
Het hof acht voorts van belang dat de verdachte op 3 december 2018 een deel van zijn fosfaatrechten ter waarde van 150 kilogram fosfaat verleast, terwijl hij op die dag volgens zijn veesaldokaarten enkel melkvee van diercategorie 100 en jongvee aanwezig heeft en waarschijnlijk een tekort aan fosfaatrechten zou hebben. Op vier tijdstippen in december 2018 en zelfs medio 2019 boekt de verdachte vervolgens met terugwerkende kracht runderen om van diercategorie 100 naar diercategorie 120, terwijl de registratie van dergelijke wijzigingen wettelijk binnen drie dagen dient plaats te vinden. Het hof neemt in aanmerking dat de bedrijfsresultaten na deze omboekingen op papier exact binnen de rustende fosfaatrechten blijven passen, dat vier na 3 december 2018 aangekochte hoogproductieve melkkoeien met terugwerkende kracht als weide- en zoogkoe worden geregistreerd, en dat twee omgeboekte koeien na de omboekingsdatum nog hebben gekalfd, terwijl koeien die hebben gekalfd gemolken moeten worden en dus niet als weide- en zoogkoe kunnen worden geregistreerd. Ook wordt in het bedrijfsbehandelplan, het bedrijfsgezondheidsplan en het Koekompas over 2018 geen melding gemaakt van de aanwezigheid van weide- en zoogkoeien.
Anders dan de NVWA, die in haar berekening ervan uitgaat dat op het bedrijf in 2018 geen enkele weide- of zoogkoe aanwezig was, acht het hof aannemelijk dat er wel een beperkt aantal weide- en zoogkoeien aanwezig is. Op basis van het gemiddelde over de vijf andere jaren stelt het hof dit op gemiddeld 2,02 weide- en zoogkoeien, zodat gemiddeld 60,08 melk- en kalfkoeien aanwezig zijn. Uitgaande van de in 2018 aan het handelshuis geleverde 571.843 kilogram melk komt het hof, ten voordele van de verdachte rekenend met geleverde in plaats van geproduceerde melk, op gemiddeld 9.518 kilogram melk per koe. Bij die hoeveelheid geldt een fosfaatexcretienorm van 44,9 kilogram fosfaat per koe per jaar, zodat voor de melk- en kalfkoeien 2.697,592 kilogram aan fosfaatrechten nodig is. Voor het aanwezige jongvee is 816,78 kilogram nodig. In totaal heeft de verdachte 3.514,372 kilogram aan fosfaatrechten nodig, tegenover 3.249 kilogram benutbare rechten, een tekort van 265,372 kilogram.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in 2018 op zijn bedrijf ongeveer 265 kilogram meer dierlijke meststoffen met melkvee heeft geproduceerd dan het fosfaatrecht toeliet, en dat hij dit gelet op het met terugwerkende kracht omboeken opzettelijk heeft gedaan. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen. Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht bewezen dat:
De verdachte in het kalenderjaar 2018 te Oeffelt, gemeente Boxmeer, opzettelijk als landbouwer op zijn bedrijf meer dierlijke meststoffen met melkvee, te weten ongeveer 265 kilogram fosfaat, heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.
Van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, waaronder het in de tenlastelegging genoemde hogere aantal van ongeveer 312,6 kilogram fosfaat, wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof betrekt bij de straf de aard en de ernst van het bewezenverklaarde. De verdachte handelt in strijd met het doel en de strekking van het stelsel van fosfaatrechten, dat via het terugdringen van het mestoverschot beoogt te waarborgen dat de mestproductie in de melkveehouderij beheersbaar blijft, en heeft economisch voordeel gehad ten opzichte van bedrijven die zich wel aan de regelgeving houden. Het gemak waarmee de verdachte de wet overtreedt door dieren om te boeken en tegelijk fosfaatrechten te verleasen, rekent het hof hem zwaar aan. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld, doch niet recent. Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de moeilijke jaren voor zijn bedrijf, de uitkeringssituatie van zijn echtgenote en diverse zakelijke en privéschulden.
Het hof neemt als uitgangspunt een geldboete van € 3.800, subsidiair 38 dagen hechtenis, en legt vanwege de financiële situatie van de verdachte de helft daarvan voorwaardelijk op, met een proeftijd van twee jaren. De verdachte is voor het eerst verhoord op 4 maart 2020 en de rechtbank heeft op 3 september 2024 vonnis gewezen, zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met tweeënhalf jaar is overschreden zonder rechtvaardigende bijzondere omstandigheden. Het hof verdisconteert deze overschrijding door de geldboete met € 300 te verlagen.
Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 3.500, subsidiair 35 dagen hechtenis, waarvan € 1.750, subsidiair 17 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 21b van de Meststoffenwet.
Lees hier de volledige uitspraak.
