Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens bespaarde lease- en legeskosten bij overschrijding van het fosfaatrecht door een melkveehouder

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 juli 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1978

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch ontneemt aan een melkveehouder het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij heeft behaald door in 2018 meer fosfaat met melkvee te produceren dan zijn fosfaatrecht toeliet. De betrokkene bespaart kosten door voor de overschrijding geen fosfaatrechten te leasen en de daarvoor verschuldigde leges niet te betalen. Het hof gaat uit van een leaseprijs van € 39,50 per kilogram fosfaat en een overschrijding van ongeveer 265 kilogram, wat neerkomt op € 10.467,50 aan bespaarde leasekosten. Daarbij komt € 100 aan bespaarde legeskosten voor de melding bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Het hof stelt het voordeel in het voordeel van de betrokkene afgerond vast op € 10.500 en legt een betalingsverplichting van dat bedrag op. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bedraagt 105 dagen.

Inleiding en context

Deze zaak betreft een ontnemingsprocedure tegen een betrokkene, een natuurlijk persoon geboren in 1970, die een melkveebedrijf voert. De procedure hangt samen met de strafzaak waarin het gerechtshof 's-Hertogenbosch de betrokkene bij arrest van 24 juli 2026, onder parketnummer 20-002370-24, veroordeelt wegens overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan. In dat arrest is bewezenverklaard dat de betrokkene in het kalenderjaar 2018 te Oeffelt als landbouwer op zijn bedrijf ongeveer 265 kilogram fosfaat meer met melkvee heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.

De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, stelt bij vonnis van 3 september 2024 het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 12.477,70, legt een betalingsverplichting voor datzelfde bedrag op en bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 97 dagen. Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Wettelijk kader en grondslag

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De grondslag van het voordeel is de veroordeling in de samenhangende strafzaak. Door voor de productie van de bewezenverklaarde hoeveelheid fosfaat geen fosfaatrechten aan te schaffen of te leasen, bespaart de betrokkene kosten. Het hof oordeelt dat de betrokkene aldus voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen. Volgens Aanwijzing ontneming 2009A003 van het College van Procureurs-Generaal kan wederrechtelijk voordeel ook bestaan uit bespaarde kosten die noodzakelijk zouden zijn geweest om de activiteiten legaal uit te voeren.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis waarvan beroep bevestigt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt het hof, gelet op het in de strafzaak gevoerde verweer tot vrijspraak, de ontnemingsvordering af te wijzen.

Oordeel gerecht

Het hof vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht, omdat het tot een andere geschatte omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt. Het hof baseert de schatting op het proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 11 juni 2020. Daaruit volgt dat de berekende leaseprijs per kilogram fosfaat in 2018 € 39,50 bedraagt. Uitgaande van de in de strafzaak vastgestelde overschrijding van ongeveer 265 kilogram fosfaat bespaart de betrokkene € 10.467,50 aan leasekosten (265 x € 39,50). Daarnaast had de betrokkene bij aanschaf of lease van fosfaatrechten de transactie moeten melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en daarvoor € 100 aan leges moeten betalen, welk bedrag hij eveneens bespaart.

In totaal bespaart de betrokkene € 10.567,50 aan kosten. Het hof merkt deze kostenbesparing aan als wederrechtelijk verkregen voordeel en stelt dit, in het voordeel van de betrokkene naar beneden afgerond, vast op € 10.500.

Betalingsverplichting en gijzeling

Het hof legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van € 10.500 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof ziet geen aanleiding de betalingsverplichting te matigen. Op grond van artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, waarbij het voor elke volle € 100 van de betalingsverplichting één dag hanteert. Gelet op de hoogte van de betalingsverplichting bepaalt het hof de duur van de gijzeling op 105 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^