Veroordeling van bestuurder van een thuiszorgonderneming voor medeplegen van faillissementsfraude wegens onttrekkingen aan de boedel en opzettelijke schending van de administratieplicht
/Rechtbank Amsterdam 6 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8438
De rechtbank Amsterdam veroordeelt op 6 augustus 2026 een bestuurder van een thuiszorgonderneming voor medeplegen van faillissementsfraude en medeplegen van schending van de administratieplicht. Samen met zijn toenmalige echtgenote, de medeverdachte, onttrekt de verdachte in de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 september 2022 een bedrag van € 882.885,83 aan de boedel van de vennootschap door overboekingen naar privérekeningen en uitgaven met een privékarakter. De rechtbank verwerpt het verweer dat een bedrag van € 95.000 op grond van de gebruikelijk-loonregeling als rechtmatige betaling moet worden aangemerkt en rekent de gehele onttrekking aan beide bestuurders toe. De rechtbank acht vol opzet op het niet voeren van een administratie bewezen, nu de raad van commissarissen de bestuurders vanaf 2019 meermalen op de gebrekkige administratie wijst. De overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer negen maanden leidt tot een constatering zonder gevolgen voor de strafmaat. De rechtbank wijkt af van de eis van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf en legt een gevangenisstraf op van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1981, en richt op 11 oktober 2018 samen met zijn toenmalige echtgenote, de medeverdachte, een besloten vennootschap op die thuiszorg aanbiedt. Beiden zijn bestuurder en aandeelhouder. De vennootschap wordt op 13 september 2022 in staat van faillissement verklaard. De curator meldt op 28 februari 2023 faillissementsfraude en doet op 6 juli 2023 aangifte, waarbij hij wijst op het ontbreken van jaarrekeningen vanaf 2019, het ontbreken van grootboekkaarten en kolommenbalansen en op buitensporige privéonttrekkingen. De FIOD verhoort de verdachte op 7 november 2023. De zaak wordt in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door de meervoudige strafkamer op de terechtzitting van 23 juli 2026.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij als bestuurder van de rechtspersoon, tezamen en in vereniging met een ander, in de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 september 2022 een geldbedrag van circa € 882.885,83 aan de boedel heeft onttrokken, wetende dat schuldeisers daardoor werden benadeeld (feit 1, artikel 343 Sr). Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij in de periode van 12 oktober 2018 tot en met 17 mei 2023 als bestuurder, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie (artikel 344a Sr). De administratieplicht van de bestuurder vloeit voort uit artikel 2:10 BW.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht feit 1 bewezen tot een bedrag van € 272.372,05. Voor € 182.200,81, overgemaakt naar de verdachte en zijn vader, is volgens het Openbaar Ministerie geen sprake van medeplegen; voor € 90.171,24, gezamenlijk besteed aan privéuitgaven, wel. Feit 2 acht de officier van justitie bewezen voor de periode van 12 oktober 2018 tot 1 januari 2022, omdat het opzet daarna ontbreekt wegens ziekte van de verdachte. Het Openbaar Ministerie vordert een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt het benadelingsbedrag bij feit 1 vast te stellen op maximaal € 87.200,81. De overschrijvingen naar de privérekening van de verdachte bedragen € 182.200,81, de verdachte heeft geen betrokkenheid bij de overige onttrekkingen en op dat bedrag moet het gebruikelijke loon van een aanmerkelijkbelanghouder van € 95.000 in mindering worden gebracht. Bij feit 2 voert de verdediging aan dat opzet op het niet voeren van een deugdelijke administratie ontbreekt. Als strafmaatverweer wijst de raadsman op de persoonlijke gevolgen die de verdachte heeft ondervonden en verzoekt hij strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt op basis van bankonderzoek vast dat in de tenlastegelegde periode vanaf twee rekeningen van de vennootschap in totaal € 882.885,83 is overgeboekt of opgenomen zonder zakelijke grondslag: € 569.455,77 naar rekeningen van de medeverdachte, € 179.700,81 naar de verdachte, € 2.500 naar zijn vader, € 55.528,80 aan meubels en verbouwingen van de woning, € 34.642,44 aan onder meer casinobezoeken en vakanties, en € 41.058,01 zonder omschrijving naar de rekening van de verdachte. De verdachte erkent op de terechtzitting dat deze uitgaven een privékarakter hebben. Het beroep op de gebruikelijk-loonregeling wordt verworpen: de vennootschap keerde geen vast periodiek salaris uit, en de mogelijkheid dat dit had gekund neemt de onrechtmatigheid van de onttrekkingen niet achteraf weg.
De schuld van de vennootschap bedraagt in 2021 al bijna € 200.000, begin 2022 circa € 500.000 en bij het faillissement circa € 1.100.000. De verdachte verklaart bekend te zijn geweest met de schulden. De rechtbank leidt hieruit af dat hij in ieder geval vanaf 1 januari 2021 wist dat de vennootschap haar schuldeisers niet meer betaalde, dat zicht op een faillissement bestond en dat de onttrekkingen de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden benadeelden. Voor het medeplegen overweegt de rechtbank dat beide bestuurders gezamenlijk verantwoordelijk waren voor de financiële gang van zaken, beiden beschikkingsmacht hadden over de bankrekeningen en het saldoverloop konden inzien, en de geldstromen langdurig in stand hebben gelaten. Dat een groot deel naar de medeverdachte ging, doet daaraan niet af; de gehele onttrekking wordt aan beiden toegerekend.
Bij feit 2 stelt de rechtbank vast dat nauwelijks administratie is gevoerd en dat grootboekkaarten en een kolommenbalans ontbraken, waardoor de afwikkeling van het faillissement is bemoeilijkt. De rechtbank neemt vol opzet aan: de raad van commissarissen heeft de bestuurders vanaf 2019 meermalen op de gebrekkige administratie gewezen en de verdachte verklaart zich ervan bewust te zijn geweest dat de administratie niet op orde was. De administratieplicht geldt ook tijdens de afwikkeling van het faillissement, zodat de rechtbank voor de pleegperiode aansluit bij het derde faillissementsverslag. Ook hier neemt de rechtbank medeplegen aan, nu beide bestuurders vanaf de start wisten dat geen deugdelijke administratie werd bijgehouden.
Bewezenverklaring
Feit 1: medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat daardoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, geldbedragen van in totaal € 882.885,83 aan de boedel onttrekken, in de periode van 1 januari 2021 tot en met 13 september 2022.
Feit 2: medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens en voor het faillissement, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt, in de periode van 12 oktober 2018 tot en met 17 mei 2023.
Wat meer of anders is tenlastegelegd, acht de rechtbank niet bewezen; daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt een gevangenisstraf op van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Zij weegt de ernst van de feiten zwaar: een boedeltekort van circa € 1.200.000, onbetaald gebleven aanslagen loonheffing, structureel te laat uitbetaald salaris aan medewerkers en niet afgedragen pensioenpremies van meer dan € 129.000. De verdachte handelde uit persoonlijk gewin, onder meer door verbouwingen aan de gezamenlijke woning te bekostigen, en gaf zijn eigen belangen langdurig voorrang boven die van schuldeisers. Dat een substantieel groter deel van de gelden bij de medeverdachte terechtkwam en door haar grotendeels is vergokt, vermindert het verwijt niet, omdat de verdachte als medebestuurder dezelfde verantwoordelijkheid droeg. De LOVS-oriëntatiepunten hanteren bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000 of meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden als uitgangspunt. De rechtbank houdt rekening met het blanco strafblad van de verdachte en de zorg voor drie minderjarige kinderen. De redelijke termijn is met ongeveer negen maanden overschreden, gerekend vanaf het FIOD-verhoor van 7 november 2023, maar gelet op de aard en complexiteit van de verdenking volstaat de rechtbank met een constatering. Anders dan het Openbaar Ministerie vordert, acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden, met een voorwaardelijk deel als stok achter de deur. Bijkomende straffen of maatregelen worden niet opgelegd.
Lees hier de volledige uitspraak.
