Geldboete voor feitelijk leidinggeven aan belastingfraude met deelvrijspraak wegens niet verstreken aanmaningstermijn
/Rechtbank Amsterdam 3 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8778
De rechtbank Amsterdam veroordeelt een verdachte wegens feitelijk leidinggeven aan belastingfraude door zijn besloten vennootschap. De vennootschap doet over meerdere jaren geen aangifte vennootschapsbelasting en dient onjuiste aangiften omzetbelasting in. Het berekende belastingnadeel bedraagt bijna € 30.000. De rechtbank spreekt de verdachte deels vrij, omdat de aanmaningstermijn voor de aangifte over 2020 niet binnen de tenlastegelegde periode is verstreken. De verweren over het strekkingsvereiste en de ontbrekende aangiften verwerpt de rechtbank. De verdachte krijgt een onvoorwaardelijke geldboete van € 10.000.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1969. Hem wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan belastingfraude die door zijn besloten vennootschap is gepleegd. De meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam behandelt de zaak in eerste aanleg op de terechtzittingen van 26 juni 2025 en 20 augustus 2026 en beslist op tegenspraak. De tenlastelegging is op de zitting van 25 juni 2025 gewijzigd.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan twee gedragingen van de vennootschap. Het eerste feit betreft het opzettelijk niet doen van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020. Het tweede feit betreft het opzettelijk onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over het eerste, derde en vierde kwartaal van 2018 en het derde kwartaal van 2019, doordat in die aangiften een onjuist bedrag aan voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting is opgegeven. Beide feiten strekken ertoe dat te weinig belasting wordt geheven. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, dat het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon begaan strafbaar feit strafbaar stelt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie vordert een taakstraf van 80 uren, met bevel dat bij niet naar behoren verrichten vervangende hechtenis van 40 dagen wordt toegepast.
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt een deels voorwaardelijke geldboete van € 4.000 voor. Ten aanzien van de vennootschapsbelasting over 2018 bepleit hij vrijspraak, omdat over dat tijdvak sprake is van een negatief fiscaal resultaat waarover geen vennootschapsbelasting verschuldigd is, zodat het feit er niet toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Ten aanzien van de aangiften omzetbelasting bepleit hij eveneens vrijspraak, omdat de ingediende aangiften niet in het dossier zijn gevoegd.
Oordeel gerecht
Voor een bewezenverklaring van het niet doen van een aangifte in de zin van artikel 69, eerste lid, AWR is vereist dat de vennootschap tot het doen van aangifte is uitgenodigd en daartoe is aangemaand. De vennootschap is op 28 juli 2021 aangemaand de aangifte over 2020 te doen. Die datum ligt na de tenlastegelegde periode, die eindigt op 1 juni 2021, zodat niet kan worden vastgesteld dat de vennootschap de aangifte over 2020 binnen die periode niet heeft gedaan. De rechtbank spreekt de verdachte in zoverre vrij. Omdat de vennootschap is aangemaand de aangifte over 2019 uiterlijk op 20 januari 2021 in te dienen, beperkt de rechtbank het einde van de bewezenverklaarde periode tot die datum.
Het verweer over het strekkingsvereiste verwerpt de rechtbank. Een feit strekt ertoe dat te weinig belasting wordt geheven indien de te geringe heffing naar redelijke verwachting waarschijnlijk is, waarbij het gaat om een van buitenaf waarneembare eigenschap van de gedraging die op grond van ervaringsregels kan worden aangenomen. Het niet doen van een aangifte vennootschapsbelasting is in het algemeen geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven, zodat ook het strekkingsvereiste is bewezen. De rechtbank verwijst hierbij naar ECLI:NL:HR:2001:ZD2493, rechtsoverweging 3.5, en voor het aanmaningsvereiste naar ECLI:NL:PHR:2026:76, rechtsoverweging 6.14.
Ook het verweer dat de aangiften omzetbelasting in het dossier ontbreken verwerpt de rechtbank. Zij constateert dat die aangiften als bijlage zijn gevoegd bij de ambtsedige verklaring omzetbelasting van 17 augustus 2026.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen:
feit 1: het feitelijke leiding geven aan het opzettelijk niet doen van bij de belastingwet voorziene aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2017, 2018 en 2019, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
feit 2: het feitelijke leiding geven aan het opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting over het eerste, derde en vierde kwartaal van 2018 en het derde kwartaal van 2019, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
De verdachte wordt vrijgesproken van het niet doen van de aangifte vennootschapsbelasting over 2020.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt een onvoorwaardelijke geldboete op van € 10.000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 75 dagen. Zij overweegt dat de verdachte zich gedurende meerdere jaren schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en dat het berekende belastingnadeel neerkomt op bijna € 30.000. De verdachte voerde nauwelijks administratie en slaagde er naar eigen zeggen niet in zijn aangiften in te vullen, maar moet zich hebben gerealiseerd dat hij de Belastingdienst benadeelde. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij het belastingnadeel inmiddels heeft voldaan, aan zijn fiscale verplichtingen voldoet, zijn bedrijfsvoering heeft verbeterd en een boekhouder heeft ingeschakeld. Doordat het veroorzaakte belastingnadeel ongedaan is gemaakt, ontstaat ruimte voor een geldboete als strafsoort. Bij de hoogte betrekt de rechtbank het veroorzaakte belastingnadeel en het grote tijdsverloop in de zaak. De rechtbank wijkt daarmee af van de door het Openbaar Ministerie gevorderde taakstraf.
Lees hier de volledige uitspraak.
