Verklaringen over buitenlandse contante inkomsten voldoende: geen bewijs voor witwassen

Rechtbank Rotterdam 3 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14899

Rechtbank spreekt een man vrij van witwassen van 77.760 euro aan contante stortingen. De verdachte voert aan dat het geld afkomstig is uit contant betaald werk in Italië, Duitsland en Nederland, en uit familiegiften. Zijn verklaring wordt door de rechtbank als concreet, verifieerbaar en niet op voorhand onaannemelijk beoordeeld. Het Openbaar Ministerie verricht geen nader onderzoek naar deze verklaring, ondanks daartoe bestaande aanknopingspunten. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat het geld (on)middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. De verdachte wordt volledig vrijgesproken; de eis van vier maanden gevangenisstraf wordt afgewezen.

Context van de zaak

De zaak betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1987 in het buitenland, die op het moment van de zitting uit andere hoofde is gedetineerd in een Nederlandse penitentiaire inrichting. Hij staat terecht op verdenking van het witwassen van in totaal 77.760 euro. Deze bedragen zijn contant gestort op zijn privérekening en op de bankrekening van zijn onderneming, [bedrijf X]. De verdachte verklaart dat hij dit geld heeft verdiend met werk in Italië, Duitsland en Nederland, waarvoor hij deels contant is uitbetaald, en dat hij daarnaast geld ontving van familieleden. Hij noemt daarbij specifieke werkgevers en een buitenlandse bankinstelling.

De contante stortingen vinden plaats in de periode van 1 september 2023 tot en met 31 december 2024. Het Openbaar Ministerie acht de stortingen niet te rijmen met de bij de Belastingdienst opgegeven inkomsten en vermoedt witwassen. De zaak wordt behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.

Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat hij in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot en met 31 december 2024 te Roermond, althans in Nederland, één of meerdere geldbedragen – te weten 29.020 euro en/of 48.740 euro – heeft witgewassen. Deze handelingen zouden bestaan uit het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruiken van deze bedragen, terwijl hij wist dat deze (on)middellijk afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie voert aan dat de verdachte grote sommen contant geld heeft gestort die niet te verklaren zijn uit zijn legale inkomstenbronnen of uit de financiële prestaties van zijn onderneming. Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de verdachte over de jaren 2022 tot en met 2024 geen inkomsten heeft genoten die dergelijke stortingen kunnen rechtvaardigen. Het Openbaar Ministerie stelt zich dan ook op het standpunt dat sprake is van witwassen en vordert een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging, gevoerd door mr. E. Alija, pleit voor vrijspraak en stelt dat de verdachte een plausibele en concrete verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld. Volgens de verdediging heeft de verdachte werkzaamheden verricht in verschillende landen en daarvoor contant loon ontvangen. Daarnaast heeft hij geld ontvangen van familieleden. De verdachte noemt de namen van de betreffende werkgevers, de landen waarin hij werkte en de bank in Italië waar hij cheques heeft ingewisseld. Deze gegevens zijn volgens de verdediging controleerbaar. Het Openbaar Ministerie heeft echter nagelaten om enig nader onderzoek te doen naar deze verklaring, terwijl daartoe wel aanleiding en gelegenheid bestond.

Oordeel van het gerecht

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van witwassen vereist is dat komt vast te staan dat de desbetreffende geldbedragen (on)middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte hiervan wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden. In het dossier staat vast dat op de rekening van de verdachte en zijn onderneming contante stortingen zijn gedaan voor een totaalbedrag van 77.760 euro. Deze stortingen zijn niet verklaarbaar uit bekende inkomsten van de verdachte over de jaren 2022 tot en met 2024, noch uit de opbrengsten van zijn onderneming.

Daarmee acht de rechtbank het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd. Vervolgens rust op de verdachte de plicht om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring te geven over de herkomst van de geldbedragen. De verdachte voldoet volgens de rechtbank aan deze vereisten. Hij verklaart dat hij in Duitsland, Italië en Nederland heeft gewerkt, daarbij deels contant is betaald, cheques heeft ingewisseld bij een Italiaanse bank en geld heeft ontvangen van familie. Hij noemt in zijn verklaring concrete namen van werkgevers en de betrokken bankinstelling.

Volgens de rechtbank levert deze verklaring voldoende aanknopingspunten op voor nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Dit onderzoek is echter uitgebleven. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank concludeert dan ook dat niet aan de vereisten voor bewezenverklaring is voldaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verklaring van de verdachte is concreet genoeg om serieuze twijfel te wekken over een criminele herkomst van de gelden. Het feit dat het Openbaar Ministerie geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot nader onderzoek naar die verklaring, werkt in het voordeel van de verdachte. Nu niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, volgt vrijspraak.

Strafoplegging

Omdat geen sprake is van een bewezen strafbaar feit, komt de rechtbank niet toe aan een strafoplegging. De vordering van het Openbaar Ministerie tot het opleggen van een gevangenisstraf van vier maanden wordt daarmee afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^