Valsheid in geschrift ten behoeve van belastingfraude: rechtbank wijkt af van eis en legt taakstraf op wegens oude feiten en overschrijding redelijke termijn
/Rechtbank Amsterdam 5 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2117
De rechtbank Amsterdam veroordeelt een verdachte voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, in de periode 2015 tot en met 2018. De verdachte maakte vanuit aan hem gelieerde ondernemingen valse facturen op voor een schoonmaakbedrijf, waarmee belastingfraude werd gefaciliteerd en werknemers zwart werden betaald. Het totaal gefactureerde bedrag bedraagt ruim € 2,4 miljoen, waarvan bijna € 775.000 aan de gelieerde ondernemingen is uitbetaald. Het Openbaar Ministerie eist zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar de rechtbank wijkt hiervan af. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, de ouderdom van de feiten, de instrumentele rol van de verdachte en de toepassing van artikel 63 Sr legt de rechtbank een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden op.
Inleiding en context
De rechtbank Amsterdam veroordeelt een verdachte voor het gedurende bijna vier jaar valselijk opmaken van facturen ten behoeve van belastingfraude. De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1972, is zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en bevindt zich ten tijde van de zitting buiten de Europese Unie. Het betreft een strafzaak in eerste aanleg, behandeld door de meervoudige strafkamer. Het vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2026. De zaak hangt samen met een grootschalige fraudeconstructie rond een schoonmaakbedrijf, waarbij ook medeverdachten zijn vervolgd. De algemeen directeur van het betrokken bedrijf is eerder vrijgesproken en de bestuurder van het bedrijf is veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van 31 januari 2015 tot en met 31 oktober 2018 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van facturen, als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat om meerdere digitale geschriften, te weten facturen afkomstig van verschillende aan de verdachte gelieerde ondernemingen, gericht aan een schoonmaakbedrijf en een daaraan verbonden vennootschap. Op deze facturen staat in strijd met de waarheid vermeld dat diensten zijn geleverd aan het bedrijf. De facturen waren bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen en zijn valselijk opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken. Centraal staan de delictsbestanddelen van het valselijk opmaken van geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, alsmede het oogmerk van gebruik als echt en onvervalst.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden. Het Openbaar Ministerie vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de eis rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr, nu de verdachte na het plegen van de onderhavige feiten reeds is veroordeeld voor een ander strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman voert geen bewijsverweer. Wel voert de verdediging een strafmaatverweer. De raadsman verzoekt de rechtbank bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast wijst de raadsman op de vonnissen in de zaken van de medeverdachten: de algemeen directeur van het betrokken bedrijf is door dezelfde rechtbank vrijgesproken ondanks zijn rol binnen de fraudeconstructie, terwijl aan de bestuurder van het bedrijf een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf zijn opgelegd. De raadsman stelt verder dat de verdachte voornemens is naar Nederland terug te keren zodra het eerder uitgevaardigde Europees Aanhoudingsbevel wordt ingetrokken. Gezien de vonnissen van de medeverdachten en de overschrijding van de redelijke termijn is volgens de verdediging een maximale taakstraf van 240 uren, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf, passend.
Oordeel gerecht
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde bewezen op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier. Omdat het een verkort vonnis betreft, worden de redengevende bewijsmiddelen bij een eventueel hoger beroep opgenomen in een aanvulling op het vonnis. De rechtbank stelt vast dat er geen omstandigheden zijn die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Bij de strafmotivering overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte heeft zich gedurende bijna vier jaar schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van facturen gericht aan het schoonmaakbedrijf ten behoeve van belastingfraude. Vanuit verschillende aan hem gelieerde ondernemingen heeft hij facturen opgemaakt en ingediend voor diensten en schoonmaakartikelen die niet daadwerkelijk zijn geleverd. Als gevolg hiervan heeft het bedrijf onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend en minder belasting afgedragen dan verschuldigd was. De verdachte heeft hierin een belangrijke rol gespeeld en daarbij gebruik gemaakt van stromanconstructies. De aan de verdachte gelieerde ondernemingen hebben van het totaal gefactureerde bedrag van € 2.421.611,04 een bedrag van bijna € 775.000 betaald gekregen. De rechtbank houdt het ervoor dat een deel van dat bedrag via contante betalingen aan werknemers in de schoonmaakbranche is teruggesluisd naar het bedrijf. Het zwart betalen van deze werknemers is door het handelen van de verdachte mogelijk gemaakt. De verdachte heeft met zijn handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer wordt gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming.
Ten aanzien van de redelijke termijn beschouwt de rechtbank de mededeling aan de verdediging van het voornemen van dagvaarden bij brief van 7 september 2023 als eerste daad van vervolging. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn met vijf maanden overschreden. De rechtbank kwalificeert dit als een beperkte overschrijding, maar weegt mee dat het zeer oude feiten betreft uit de periode 2015 tot en met 2018 en dat het strafrechtelijk onderzoek begin 2021 al was afgerond.
De rechtbank weegt voorts mee dat de rol van de verdachte weliswaar instrumenteel is geweest, maar dat het schoonmaakbedrijf de partij is geweest die het meest heeft geprofiteerd door te weinig omzetbelasting af te dragen en een deel van haar werknemers zwart te betalen. Het dossier bevat concrete aanwijzingen dat een groot deel van de uitbetaalde facturen contant naar het bedrijf is teruggesluisd en dat het geld dus niet bij de verdachte is gebleven. De rechtbank betrekt tevens de straf die de bestuurder van het bedrijf opgelegd heeft gekregen voor belastingfraude bij haar oordeel.
Bewezenverklaring
Bewezen wordt verklaard:
Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, in de periode van 31 januari 2015 tot en met 31 oktober 2018, bestaande uit het valselijk opmaken van meerdere facturen afkomstig van aan de verdachte gelieerde ondernemingen, gericht aan het schoonmaakbedrijf en de daaraan verbonden vennootschap, waarop in strijd met de waarheid staat vermeld dat diensten zijn geleverd.
De verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank wijkt af van de eis van het Openbaar Ministerie en legt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel dat bij het niet naar behoren verrichten van de taakstraf vervangende hechtenis van 120 dagen wordt toegepast. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op van vier maanden met een proeftijd van twee jaar. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De rechtbank motiveert de afwijking van de eis door te wijzen op de beperkte overschrijding van de redelijke termijn in combinatie met het feit dat het zeer oude feiten betreft en het strafrechtelijk onderzoek al begin 2021 was afgerond. Daarnaast weegt de rechtbank de instrumentele maar niet de meest profijtelijke rol van de verdachte mee, alsmede de straffen opgelegd aan medeverdachten en de toepassing van artikel 63 Sr. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient als stok achter de deur. De rechtbank benadrukt dat indien de verdachte zich niet tijdig bij de reclassering meldt voor de uitvoering van de taakstraf, deze alsnog kan worden omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Lees hier de volledige uitspraak.
