Valsheid in geschrift bij TVL-aanvragen en feitelijke leidinggeven aan belastingfraude: rechtbank veroordeelt directeur autohandel
/Rechtbank Amsterdam 5 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2552
De rechtbank Amsterdam veroordeelt een verdachte voor valsheid in geschrift bij TVL-aanvragen en het feitelijke leidinggeven aan fiscale fraude door een autohandelsbedrijf. De verdachte diende valse aanvragen in voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten, waardoor ten onrechte 40.000 euro werd uitgekeerd. Daarnaast gaf hij feitelijke leiding aan het niet-meewerken aan een boekenonderzoek van de Belastingdienst en het indienen van onjuiste nihilaangiften omzetbelasting. Het totale belastingnadeel bedraagt ongeveer 250.000 euro. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte slechts een katvanger was en oordeelt dat hij samen met de medeverdachte een rol van vergelijkbare grootte vervulde. De straf bestaat uit een taakstraf van 360 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, aangevuld met een schadevergoedingsmaatregel van 40.000 euro.
Inleiding en context
De rechtbank Amsterdam veroordeelt een verdachte voor valsheid in geschrift en het feitelijke leidinggeven aan fiscale delicten gepleegd door een besloten vennootschap die handelt in auto's. De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1987, is van maart 2019 tot februari 2021 directeur en enig aandeelhouder van de vennootschap. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte samen met een medeverdachte de vennootschap runt, waarbij de verdachte stelt slechts op papier leidinggevende te zijn geweest. De medeverdachte zou feitelijk alle financiele en administratieve zaken hebben geregeld. Het onderzoek, met de naam Glenavy, kent een internationale component en betreft de periode van oktober 2019 tot en met februari 2023. De verdachte is op 23 mei 2023 in verzekering gesteld.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van oktober 2019 tot en met februari 2023 schuldig heeft gemaakt aan drie feiten. Het eerste feit betreft het medeplegen van het opzettelijk gebruikmaken van valse geschriften bij de aanvraag van een Tegemoetkoming Vaste Lasten, als ware deze echt en onvervalst, strafbaar gesteld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat om twee TVL-aanvraagformulieren en een aantal btw-overzichten. Het tweede feit betreft het feitelijke leidinggeven aan het door de vennootschap opzettelijk niet voldoen aan de verplichting om de administratie beschikbaar te stellen aan de Belastingdienst ten behoeve van een boekenonderzoek, in strijd met de artikelen 47 en 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het derde feit betreft het feitelijke leidinggeven aan het door de vennootschap indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting, waarbij geen of een te laag bedrag aan omzetbelasting is opgegeven. Bij de feiten 2 en 3 staat het strekkingsvereiste centraal: de gedragingen strekken ertoe dat te weinig belasting wordt geheven. De feiten 2 en 3 zijn strafbaar gesteld in artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in verbinding met artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie acht alle ten laste gelegde feiten bewezen. Ten aanzien van feit 3 vordert het Openbaar Ministerie een partiele vrijspraak voor zover dit ziet op het tweede kwartaal van 2019. De officier van justitie vordert een taakstraf van 360 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert ten aanzien van feit 1 aan dat het medeplegen niet kan worden bewezen en verzoekt om vrijspraak op dat punt. Voor het overige heeft de verdachte feit 1 bekend en refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 bepleit de verdediging integrale vrijspraak. De verdachte stelt dat hij enkel op papier leidinggevende van de vennootschap is geweest en dat de medeverdachte feitelijk alles regelde. De verdachte zou niets weten van de administratie of het doen van belastingaangiften. Subsidiair stelt de verdediging zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt dat een veel lager benadelingsbedrag kan worden bewezen, namelijk uitsluitend het deel dat ziet op de omzet die door de verdachte zelf is gemaakt. Bij de strafmaat verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden met de ouderdom van de feiten, een schending van de redelijke termijn, het feit dat de verdachte openheid van zaken heeft gegeven en dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Oordeel van het gerecht
De rechtbank acht alle drie de feiten bewezen en spreekt de verdachte partieeel vrij van het medeplegen bij feit 1.
Ten aanzien van feit 1 volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen, nu de verdachte het feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. De rechtbank oordeelt dat het medeplegen niet kan worden bewezen. De verdachte heeft verklaard dat de medeverdachte niet bij de TVL-aanvragen betrokken is geweest, en de medeverdachte wordt in zijn eigen zaak van dit feit vrijgesproken. Hoewel de verdachte verklaart hulp te hebben gehad van een derde, kan de rechtbank niet vaststellen of sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking.
Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank vast dat de Belastingdienst op 14 augustus 2020 een boekenonderzoek heeft aangekondigd bij de vennootschap. Tot en met 14 januari 2021 zijn verschillende pogingen ondernomen om contact te leggen. Namens de vennootschap is weliswaar enige reactie gekomen, maar deze is niet inhoudelijk gericht op het boekenonderzoek. Uiteindelijk is geen administratie aangeleverd en heeft het boekenonderzoek niet plaatsgevonden.
Ten aanzien van feit 3 stelt de rechtbank vast dat de vennootschap in de aangiften omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 en het eerste tot en met het derde kwartaal van 2020 geen omzet heeft aangegeven. Uit het VAT Information Exchange System blijkt echter dat de vennootschap auto's heeft aangekocht van bedrijven in Duitsland en Belgie onder dekking van haar omzetbelastingnummer. Uit onderzoek naar de bankrekeningen blijkt dat in de betreffende periode honderdduizenden euro's aan transacties plaatsvinden met verwijzingen naar automerken, autotypes en kentekens, alsmede honderdduizenden euro's aan contante stortingen. De rechtbank oordeelt dat de vennootschap in de genoemde periode bedrijfsactiviteiten verrichtte en omzet heeft gemaakt, zodat de aangiften onjuist zijn gedaan.
Over het feitelijke leidinggeven overweegt de rechtbank uitvoerig. De verklaring van de verdachte dat hij slechts op papier leidinggevende was, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit het dossier blijkt dat de verdachte contact had met een boekhouder, dat hij zonder medeweten van de medeverdachte TVL-aanvragen heeft ingediend namens de vennootschap, en dat hij veelvuldig betrokken was bij de overdracht van de vennootschap. WhatsApp-berichten tonen aan dat de verdachte brieven van de Belastingdienst doorstuurde naar de medeverdachte en hem verzocht contact op te nemen. De rechtbank oordeelt dat zowel de verdachte als de medeverdachte rollen van vergelijkbare grootte hebben gehad en beiden als feitelijke leidinggever kunnen worden aangemerkt. De verdachte is geen willoze katvanger geweest.
De rol van de medeverdachte wordt onderbouwd met onder meer het feit dat aangiften omzetbelasting zijn gedaan vanaf een IP-adres dat ook is gebruikt om in te loggen op de bankrekening van de medeverdachte, dat verkoopprijzen van auto's op naam van de vennootschap op de priverekening van de medeverdachte werden overgemaakt, en dat de medeverdachte kort na de aankondiging van het boekenonderzoek een nieuwe onderneming met vergelijkbare bedrijfsactiviteiten heeft opgericht.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen:
opzettelijk gebruikmaken van valse geschriften, te weten twee TVL-aanvraagformulieren en een aantal btw-overzichten, als ware deze echt, meermalen gepleegd (feit 1)
feitelijke leidinggeven aan het door de vennootschap opzettelijk niet beschikbaar stellen van de administratie aan de Belastingdienst en het niet verlenen van medewerking aan een boekenonderzoek, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven (feit 2)
feitelijke leidinggeven aan het door de vennootschap opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 en het eerste tot en met het derde kwartaal van 2020, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (feit 3)
De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen bij feit 1.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 360 uren, met aftrek van de tijd die in verzekering is doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank volgt hiermee de eis van het Openbaar Ministerie.
Bij de strafmotivering overweegt de rechtbank dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van de TVL-compensatieregeling, waardoor ten onrechte een bedrag van 40.000 euro aan de vennootschap is uitgekeerd. Daarnaast heeft de verdachte het vertrouwen in het belastingstelsel geschaad door het niet-meewerken aan een boekenonderzoek en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Het belastingnadeel bedraagt ongeveer 250.000 euro. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij ten aanzien van feit 1 openheid van zaken heeft gegeven en niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Ten aanzien van de redelijke termijn oordeelt de rechtbank dat, hoewel de periode van 34 maanden de gebruikelijke termijn van 24 maanden overschrijdt, de omvang van het onderzoek en de internationale component rechtvaardigen dat de redelijke termijn in dit geval langer is. Van een schending is geen sprake.
De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van 40.000 euro aan materiele schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2020. De rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel op. Het verweer van de verdediging dat de schadevergoedingsmaatregel niet zou moeten worden opgelegd omdat de benadeelde partij een overheidsinstantie is, wordt verworpen onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Gerechtshof Amsterdam.
Lees hier de volledige uitspraak.
