Uitspraak EHRM verwacht in McArdle tegen Nederland: veroordeling in hoger beroep na vrijspraak, zonder hernieuwd verhoor van de belastende getuige
/Naar verwachting doet het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 1 september 2026 uitspraak in de zaak McArdle tegen Nederland, klachtnummer 31220/20. De klacht is op 17 juli 2020 ingediend en op 16 december 2022 door de Third Section gecommuniceerd aan de Nederlandse regering. De zaak draait om een strafzaak waarin de rechtbank Amsterdam tot vrijspraak kwam en het gerechtshof Amsterdam vervolgens tot een veroordeling, terwijl het bewijs in beide instanties in de kern uit dezelfde getuigenverklaring bestond. Het gerechtshof wees de verzoeken van de verdediging om die getuige in hoger beroep opnieuw te horen af. De klager stelt dat hij daardoor geen eerlijk proces heeft gehad in de zin van artikel 6, eerste lid, en derde lid onder d, EVRM. Het Hof heeft partijen één vraag voorgelegd en verwijst daarbij naar drie arresten: Schatschaschwili tegen Duitsland, Júlíus Þór Sigurþórsson tegen IJsland en Keskin tegen Nederland.
De procedure in Nederland
De rechtbank Amsterdam sprak de klager vrij van het tenlastegelegde. In de weergave van het Hof was er geen sluitend technisch bewijs beschikbaar, waardoor de zaak in belangrijke mate neerkwam op de verklaring van getuige X. Die verklaring achtte de rechtbank onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring te komen. De Engelstalige communicatie van het Hof spreekt van complicity in manslaughter.
Het gerechtshof Amsterdam veroordeelde de klager wel. Het hof onderkende dat sluitend technisch bewijs ontbrak en dat behoedzaamheid ten aanzien van de verklaring van X geboden was, maar achtte die verklaring voldoende betrouwbaar omdat zij steun vond in ander bewijsmateriaal. Het Hof noemt in dat verband telefoongegevens die het relaas van X ondersteunden en die in tegenspraak waren met de verklaring van de klager.
De vraag aan partijen
Het Hof heeft partijen de vraag voorgelegd of de klager een eerlijk proces heeft gehad bij de vaststelling van de tegen hem ingebrachte strafrechtelijke beschuldiging, in overeenstemming met artikel 6, eerste lid, en derde lid onder d, EVRM. De klacht zelf is toegespitst op de weigering van het hof om X te horen, terwijl datzelfde hof de bewijswaarde van de verklaring van die getuige opnieuw beoordeelde en op basis daarvan tot een veroordeling kwam na de vrijspraak in eerste aanleg.
Bij de vraag verwijst het Hof naar Schatschaschwili tegen Duitsland, nr. 9154/10, paragrafen 100 tot en met 131, naar Júlíus Þór Sigurþórsson tegen IJsland, nr. 38797/17, paragrafen 30 tot en met 38, en naar Keskin tegen Nederland, nr. 2205/16, paragrafen 44 tot en met 51.
Het verschil met Keskin
In Keskin tegen Nederland van 19 januari 2021 ging het om getuigen à charge die de verdediging in geen enkel stadium van de procedure had kunnen ondervragen. Het Hof oordeelde daar dat bij een verklaring met belastende strekking het belang bij ondervraging is gegeven en dat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dat belang mag worden verlangd. De Hoge Raad heeft die lijn verwerkt in het arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, waarin het belang bij het horen van een getuige à charge wordt voorondersteld.
In de zaak McArdle is getuige X in eerste aanleg wel in aanwezigheid van de verdediging gehoord. Het onderscheidende element ligt daarmee niet bij de vraag of de verdediging de getuige heeft kunnen ondervragen, maar bij de vraag of het gerechtshof, na een vrijspraak die berustte op het oordeel dat de verklaring onvoldoende betrouwbaar was, op basis van diezelfde verklaring tot een veroordeling kon komen zonder de getuige zelf te horen.
Sigurþórsson tegen IJsland
De verwijzing naar Júlíus Þór Sigurþórsson tegen IJsland van 16 juli 2019 betreft die laatste vraag. In dat arrest constateerde het Hof een schending van artikel 6, eerste lid, EVRM in een zaak waarin de appelrechter een vrijspraak vernietigde en tot een veroordeling kwam op grond van een eigen, hernieuwde waardering van het bewijs, zonder de klager of de getuigen in persoon te horen. Het Hof stelt in dat verband voorop dat een hernieuwde beoordeling van de geloofwaardigheid van getuigen een directe waarneming van het bewijs vergt wanneer die beoordeling doorslaggevend is voor de uitkomst. Het thema is door het Hof zelf beschreven in het Key Theme-document over de aanwezigheid bij de appelbehandeling na een vrijspraak in eerste aanleg.
De lijn van de Hoge Raad
De Hoge Raad heeft zich meermaals uitgelaten over de situatie waarin het gerechtshof een getuigenverklaring voor het bewijs gebruikt die de rechtbank onbetrouwbaar achtte. In het arrest van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943, en in het arrest van 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:59, formuleert de Hoge Raad een bijzondere motiveringsplicht. Het gerechtshof moet ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing de redenen opgeven waarom het de verklaring wel betrouwbaar acht.
Over de herkomst van die gronden overweegt de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2020:59: "In het bijzonder moet de rechter in hoger beroep vermelden op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht. Die gronden kunnen, maar behoeven niet te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep." De gronden kunnen worden gevonden in de mate waarin de verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen en in de bezwaren die het Openbaar Ministerie tegen de vrijspraak heeft aangevoerd. In hetzelfde arrest overweegt de Hoge Raad dat het niet opnieuw horen van de getuige, ook in het licht van artikel 6 EVRM, niet in de weg staat aan het gebruik van diens verklaringen voor het bewijs.
Samenhangende zaak Brunell
De klager is veroordeeld in dezelfde strafzaak als de klager in Brunell tegen Nederland, klachtnummer 30395/20. Die zaak is op dezelfde dag gecommuniceerd. Het Hof vermeldt de samenhang uitdrukkelijk in het communicatiedocument in de zaak McArdle.
Afsluiting
De zaak is sinds 16 december 2022 gecommuniceerd en de partijen hebben zich over de gestelde vraag kunnen uitlaten. Het Hof beoordeelt of de procedure als geheel eerlijk is geweest, met de in Schatschaschwili, Sigurþórsson en Keskin ontwikkelde maatstaven als kader. De uitspraak wordt verwacht op 1 september 2026. In de samenhangende zaak Brunell tegen Nederland is nog geen uitspraakdatum bekend.
Klik hier voor het communicatiedocument van het Hof in de zaak McArdle tegen Nederland.
