Thuisdetentie is geen voorarrest: Hoge Raad trekt grens bij aftrek van schorsingstijd
/Hoge Raad 24 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:482
Hoge Raad oordeelt dat thuisdetentie tijdens geschorste voorlopige hechtenis niet in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf op grond van artikel 27 lid 1 Sr. Ook artikel 5 EVRM verplicht niet tot aftrek, zelfs niet bij vergaande bewegingsbeperkingen met elektronisch toezicht. De zaak betreft de veroordeling van een moeder tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens moord op haar elfjarige zoon in Zevenbergen in 2020 door toediening van medicijnen. De Hoge Raad laat wel ruimte voor de feitenrechter om schorsingsvoorwaarden mee te wegen bij de straftoemeting. Motivering is vereist wanneer de verdediging hierover een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt.
Achtergrond
Deze zaak draait om het overlijden van de elfjarige zoon van de verdachte in Zevenbergen. In de vroege ochtend van 13 februari 2020 wordt het kind zonder hartslag in zijn bed aangetroffen. De stiefvader start een reanimatie en de hulpdiensten brengen het jongetje naar het Erasmus Medisch Centrum, waar na verdere reanimatiepogingen wordt vastgesteld dat hij is overleden.
De lijkschouwer geeft te kennen niet overtuigd te zijn van een natuurlijke doodsoorzaak. Op last van de officier van justitie volgt een forensisch radiologisch onderzoek, waaruit blijkt dat het kind tekenen vertoont van doorgemaakt zuurstoftekort in de hersenen. Dit leidt tot nader onderzoek en uiteindelijk, op 18 juni 2021, tot de aanhouding van de verdachte, de moeder van het slachtoffer. De verdachte, een natuurlijk persoon, geboren in 1987, ontkent steeds zich schuldig te hebben gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte bij arrest van 4 december 2024 wegens twee feiten. Ten eerste betreft het moord in de zin van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht: de verdachte heeft haar elfjarige zoontje medicijnen toegediend die tot zijn dood hebben geleid. Ten tweede is zij veroordeeld wegens het opzettelijk in een hulpeloze toestand brengen en laten van een persoon tot wiens verzorging zij krachtens de wet verplicht is, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, strafbaar gesteld in artikel 255 juncto artikel 257 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof legt een gevangenisstraf op van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest, en legt daarnaast de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op.
Een bijzonder aspect van deze zaak vormt de periode van thuisdetentie. De voorlopige hechtenis van de verdachte is van 15 november 2022 tot 13 juli 2023 geschorst geweest onder strikte voorwaarden. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verbindt aan die schorsing onder meer een locatiegebod: de verdachte dient aanwezig te zijn op haar verblijfadres en mag haar woning niet verlaten, met uitzondering van ten minste twee uur per dag in de tuin. De naleving wordt gecontroleerd door middel van elektronische monitoring. Daarnaast gelden voorwaarden over medische behandeling (die zoveel mogelijk thuis plaatsvindt), beperkt contact met haar dochter (uitsluitend op neutraal terrein onder regie van Jeugdbescherming Brabant) en het verbod om zonder toestemming op een ander adres te verblijven. De verdachte mag ook onder geen beding de zorg voor andere personen dan haar partner op zich nemen.
De verdediging stelt zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op het standpunt dat deze periode van thuisdetentie gelijkgesteld moet worden met voorlopige hechtenis en daarom in mindering moet worden gebracht op de opgelegde gevangenisstraf. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat huisarrest en thuisdetentie in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis niet als vrijheidsbeneming gelden, maar als een verregaande beperking van de vrijheid. De verdachte heeft binnen haar woning en tuin immers de volledige vrijheid gehad om te doen en laten wat zij wilde. Die situatie is volgens het hof niet gelijk te stellen aan detentie in een huis van bewaring of gevangenis.
Namens de verdachte stelt advocaat J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, vier middelen van cassatie voor. Advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens concludeert in haar conclusie tot verwerping van het beroep.
Eerste, tweede en derde middel
De precieze inhoud van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel wordt in het arrest niet weergegeven. Uit de uitspraak blijkt enkel dat deze middelen klachten bevatten over de uitspraak van het hof.
Beoordeling eerste, tweede en derde middel
De Hoge Raad beoordeelt de eerste drie middelen gezamenlijk en oordeelt dat de klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet nader en verwijst naar artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie: bij de beoordeling van deze klachten is het niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.
Vierde middel
Het vierde cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de periode van geschorste voorlopige hechtenis niet in mindering moet worden gebracht op de opgelegde gevangenisstraf. Het middel berust op de opvatting dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de rechter op grond van artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht ook verplicht is het daarin bedoelde aftrekbevel te geven ten aanzien van de tijd waarin de voorlopige hechtenis was geschorst, wanneer de schorsingsvoorwaarden ertoe strekken dat de verdachte haar woning slechts in zeer beperkte mate mocht verlaten en de naleving daarvan met elektronisch toezicht werd gecontroleerd. Daarnaast wordt een beroep gedaan op artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Beoordeling vierde middel
De Hoge Raad stelt voorop wat artikel 27 lid 1 Sr inhoudt. Op grond van deze bepaling beveelt de rechter bij het opleggen van een tijdelijke vrijheidsstraf dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak heeft doorgebracht in verzekering, in voorlopige hechtenis, in gijzeling op grond van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering, in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting bestemd voor klinische observatie, of in detentie in het buitenland naar aanleiding van een Nederlands verzoek om uitlevering of overlevering, bij de uitvoering van de vrijheidsstraf in mindering wordt gebracht.
De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat de opvatting die aan het middel ten grondslag ligt, geen steun vindt in het recht. Artikel 27 lid 1 Sr verplicht de rechter dus niet om de tijd van geschorste voorlopige hechtenis in aftrek te brengen, ook niet wanneer de schorsingsvoorwaarden ertoe strekken dat de verdachte haar woning slechts in zeer beperkte mate mag verlaten en de naleving met elektronisch toezicht wordt gecontroleerd.
Ten aanzien van het beroep op artikel 5 EVRM oordeelt de Hoge Raad dat ook deze verdragsbepaling in een dergelijk geval geen verplichting meebrengt om tot gehele of gedeeltelijke aftrek over te gaan. Dit geldt zelfs als sprake is van een zodanig vergaande beperking van de bewegingsvrijheid als gevolg van de schorsingsvoorwaarden dat sprake is van "vrijheidsontneming" in de zin van artikel 5 EVRM. Het vierde middel is daarom tevergeefs voorgesteld.
De Hoge Raad voegt hier echter een belangrijk overweging aan toe. Het vorenstaande neemt namelijk niet weg dat de voorwaarden waaronder schorsing van de voorlopige hechtenis plaatsvindt, met zich kunnen brengen dat de verdachte gedurende de periode van schorsing in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt. In welke mate die bewegingsvrijheid wordt beperkt en wat de concrete gevolgen daarvan zijn voor het dagelijks leven van de verdachte, is afhankelijk van drie factoren: ten eerste de inhoud van de voorwaarden die de rechter in het individuele geval aan de schorsing heeft verbonden en waartoe de verdachte zich bereid heeft verklaard deze na te komen, ten tweede de duur van de schorsingsvoorwaarden en ten derde de verdere omstandigheden van het geval.
Het is aan de rechter om te beoordelen of bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met dergelijke beperkingen en gevolgen. De rechter hoeft de beslissing of en, zo ja, hoe hij daarmee rekening houdt, in beginsel niet te motiveren. Dat is anders, zo benadrukt de Hoge Raad, wanneer de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt over de concrete gevolgen van de schorsingsvoorwaarden voor de verdachte en de betekenis daarvan voor de straftoemetingsbeslissing. In dat geval zal de rechter dat standpunt wel gemotiveerd moeten bespreken.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Slotsom
Deze uitspraak maakt duidelijk dat thuisdetentie in het kader van een geschorste voorlopige hechtenis, hoe streng de voorwaarden ook zijn, niet op grond van artikel 27 lid 1 Sr in mindering hoeft te worden gebracht op een opgelegde gevangenisstraf. Zelfs een beroep op artikel 5 EVRM baat de verdachte niet. Wel laat de Hoge Raad ruimte voor de feitenrechter om bij de straftoemeting rekening te houden met de beperkingen die de schorsingsvoorwaarden meebrengen, en verplicht de Hoge Raad de rechter tot motivering wanneer de verdediging daarover een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt. Het arrest biedt daarmee een helder kader voor de praktijk: geen aftrek, maar wel de mogelijkheid van strafmatiging.
Lees hier de volledige uitspraak.
