Bewindvoerder verduistert jarenlang geld van kwetsbare clienten: hof kiest voor taakstraf boven gevangenisstraf om schadeloosstelling mogelijk te maken

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25 maart 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:804

Het gerechtshof veroordeelt een voormalig bewindvoerder in hoger beroep voor jarenlange structurele verduistering van gelden van kwetsbare clienten en valsheid in geschrifte. Anders dan de rechtbank legt het hof geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, maar kiest voor de maximale taakstraf van 480 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Het hof acht het belang van de gedupeerden bij schadeloosstelling zwaarwegender dan vergelding. Het hof verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot immateriële schadevergoeding. Volgens het hof levert de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten geen aantasting in de persoon op andere wijze op als bedoeld in artikel 6:106 BW. De redelijke termijn is ruimschoots overschreden, maar dit leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Inleiding en context

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelt in hoger beroep over een strafzaak tegen een voormalig beschermingsbewindvoerder en budgetbeheerder, geboren in 1986, die gedurende meerdere jaren structureel gelden van zijn clienten naar zijn eigen privérekening heeft overgemaakt. De verdachte beheert als bewindvoerder de financiën van personen die zelf niet in staat zijn op verantwoorde wijze voor hun geldzaken te zorgen. Het betreft een bijzonder kwetsbare groep mensen die volledig afhankelijk is van het integere handelen van hun bewindvoerder.

De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, veroordeelt de verdachte op 18 december 2024 tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie zijn betrokken bij het hoger beroep. De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis van de rechtbank. De verdediging voert verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de strafmaat.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan twee feiten. Het eerste feit betreft verduistering gepleegd door degene die het goed als bewindvoerder onder zich heeft, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 323 van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat om het structureel overmaken van gelden van clienten naar de privérekening van de verdachte. Het tweede feit betreft het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd. De verdachte overlegt valse dan wel vervalste rekeningen en verantwoordingen aan de rechtbank in het kader van zijn functie als bewindvoerder.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis van de rechtbank bevestigt. Dit houdt in dat de advocaat-generaal een gevangenisstraf van acht maanden vordert, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen conform het vonnis in eerste aanleg.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert in hoger beroep twee verweren. Ten eerste herhaalt de verdediging het in eerste aanleg gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. De verdediging voert daartoe aan dat door het lange tijdsverloop een onherstelbare inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten, waardoor geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De verdediging wijst erop dat gedurende de verstreken periode de boekhouding van de bewindvoering bij het Openbaar Ministerie is zoekgeraakt, waardoor het voor de verdediging niet meer mogelijk is om onder andere carrousselbetalingen en contante betalingen aan onder bewind gestelden te controleren.

Ten tweede bepleit de verdediging dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou ertoe leiden dat de verdachte zijn baan verliest, waardoor zijn gezin in financiële problemen raakt. Bovendien wordt met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de kans kleiner dat hij de gedupeerden op enig moment schadeloos kan stellen.

Oordeel gerecht

Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de partiële vrijspraken ten aanzien van 37 personen van wie niet is gebleken dat de verdachte gelden heeft verduisterd naar zijn privérekeningen. Op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat tegen deze vrijspraken geen hoger beroep open.

Ten aanzien van het ontvankelijkheidsverweer verenigt het hof zich met de overwegingen van de rechtbank. De redelijke termijn is aangevangen op 24 januari 2017, de datum waarop de verdachte door de politie is gehoord, en is ruimschoots overschreden. Het hof overweegt echter, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, dat enkel de overschrijding van de redelijke termijn als zodanig geen grond vormt voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Daarvoor is vereist dat sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op het recht op een eerlijke behandeling dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces. Het hof voegt aan de overwegingen van de rechtbank toe dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat iedere betaling die afkomstig was van een van zijn clienten naar zijn privérekening frauduleus was en dat hij op geen enkele van die betalingen recht had. Gelet op deze verklaring oordeelt het hof dat door het gestelde zoekraken van de boekhouding geen inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van de bewezenverklaring verenigt het hof zich met het vonnis van de rechtbank en de daarin opgenomen bewijsoverwegingen. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, onder aanvulling van gronden.

Een belangrijk geschilpunt in hoger beroep betreft de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van tien benadeelde partijen. De rechtbank wijst deze vorderingen toe tot bedragen van telkens € 500. Het hof komt tot een ander oordeel. Het hof toetst de vorderingen aan het kader van artikel 6:106 BW en oordeelt dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten niet van zodanige aard zijn dat de relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partijen onderbouwen hun vorderingen met de stelling dat het handelen van de verdachte veel impact heeft gehad, dat hun financiële problemen zijn toegenomen en dat hun vertrouwen ernstig is geschaad. Het hof acht dit onvoldoende voor toekenning van immateriële schadevergoeding en verklaart de benadeelde partijen op dit punt niet-ontvankelijk.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • verduistering gepleegd door hem die het goed als bewindvoerder onder zich heeft, meermalen gepleegd (feit 1)

  • opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd (feit 2)

De verdachte is in eerste aanleg partieel vrijgesproken ten aanzien van 37 personen van wie niet is gebleken dat gelden zijn verduisterd naar de privérekeningen van de verdachte.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de straf en komt tot een andere strafmodaliteit. Het hof overweegt dat de door de rechtbank opgelegde gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend is bij de ernst van de feiten. Het hof heeft zich echter de vraag gesteld of een strafmodaliteit die beter het belang van de gedupeerden bij schadeloosstelling dient, de voorkeur verdient. Schadeloosstelling zou bij een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf immers illusoir kunnen worden, omdat de verdachte zijn baan en daarmee zijn inkomen kan verliezen.

Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wel degelijk verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De verdachte verklaart herhaaldelijk spijt te hebben en bereid te zijn de slachtoffers schadeloos te stellen. Hij is daarvoor aan het sparen.

Het hof acht het, mede wegens het ruime tijdsverloop, op dit moment belangrijker dat op niet te lange termijn een begin kan worden gemaakt met het schadeloos stellen van de benadeelden. Het hof legt de verdachte voor beide feiten een taakstraf op van 480 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 240 dagen hechtenis. Daarnaast legt het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof legt aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen op ten behoeve van meerdere benadeelde partijen. De materiële schadevergoedingen die in eerste aanleg zijn toegewezen, blijven grotendeels in stand. De vorderingen tot immateriële schadevergoeding worden afgewezen. De totale schadevergoedingsverplichtingen belopen tienduizenden euro's, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016. Bij een aantal benadeelde partijen verwijst het hof naar een eerder civiel vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 21 november 2018 waarin reeds onherroepelijk over het verduisterde bedrag is beslist.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^