Kledinghandelaar medeplichtig aan merkfraude: wetenschap van valse labels blijkt uit tapgesprekken
/Gerechtshof Amsterdam 25 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:815
Het gerechtshof veroordeelt een kledinghandelaar voor medeplichtigheid aan bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen en witwassen. De verdachte levert vanuit zijn winkel merkloze jassen aan een medeverdachte, die deze laat voorzien van valse labels van merken als Canada Goose, Stone Island en Parajumpers. Uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat de verdachte wetenschap heeft van het aanbrengen van de valse merklabels. Het hof verwerpt verweren over niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en onrechtmatige telefoontaps. Ten aanzien van het witwassen spreekt het hof grotendeels vrij, omdat de verdediging een concrete en verifieerbare verklaring geeft voor de legale herkomst van contante geldbedragen en het Openbaar Ministerie nalaat nader onderzoek te verrichten. Wel acht het hof witwassen bewezen voor een bedrag van 12.500 euro dat de verdachte contant ontvangt voor de jassenverkoop en buiten de boekhouding houdt. Wegens forse overschrijding van de redelijke termijn legt het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op.
Inleiding en context
Deze zaak betreft het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2021. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1971, die samen met zijn echtgenote een kledingwinkel exploiteert in de vorm van een vennootschap onder firma. De FIOD start in 2017 een onderzoek naar een medeverdachte die volgens het Team Criminele Inlichtingen een van de grootste handelaren in merkvervalste goederen in Nederland is. Het onderzoek leidt naar de verdachte, die vanuit zijn winkel merkloze jassen levert die vervolgens worden voorzien van valse merklabels. Op 28 maart 2018 worden de verdachte en drie medeverdachten aangehouden. De rechtbank veroordeelt de verdachte in eerste aanleg tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Het hof vernietigt dit vonnis en komt tot een andere bewezenverklaring.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt twee feiten verweten. Ten aanzien van feit 1 wordt hem primair verweten dat hij in de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2018 als medepleger dan wel alleen beroeps- of bedrijfsmatig heeft gehandeld in merkvervalste goederen. Subsidiair wordt hem verweten dat hij medeplichtig is geweest aan de bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen door drie medeverdachten. Het gaat om kleding die valselijk is voorzien van beschermde woord- en beeldmerken, waaronder Canada Goose, Parajumpers en Stone Island. De tenlastelegging is gebaseerd op artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht, in verbinding met de artikelen 47 en 48 Sr. Ten aanzien van feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij zich in de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018 samen met een ander of alleen schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van diverse contante geldbedragen, als bedoeld in artikel 420bis Sr.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal requireert dat het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 bewezen kan worden verklaard, te weten medeplichtigheid aan bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen. Daartoe wijst hij op de tapgesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte, de observaties waarbij jassen worden opgehaald bij de winkel van de verdachte en afgeleverd bij het naaiatelier, de aangetroffen merkvervalste kleding en labels, de bij de medeverdachte aangetroffen stempels van kledingmerken en diens verklaring bij de raadsheer-commissaris. Ten aanzien van feit 2 stelt de advocaat-generaal dat de verdachte en zijn echtgenote zich schuldig hebben gemaakt aan het witwassen van een bedrag van 436.500 euro. De contante gelden zijn volgens het Openbaar Ministerie niet te verklaren uit de winkelinkomsten en de door de verdediging gestelde verklaring van jarenlang sparen is onvoldoende onderbouwd. De advocaat-generaal vordert een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat de verdachte na het plegen van de feiten niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw voert ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie twee verweren. Ten eerste stelt zij dat de Aanwijzing intellectuele-eigendomsfraude bepaalt dat civielrechtelijke handhaving vooropstaat en dat de omvang van de goederen in aanmerking komt voor een transactieaanbod, zodat het uitblijven daarvan het gelijkheidsbeginsel schendt. Ten tweede betoogt zij dat tapgesprekken in de taal Urdu opzettelijk onjuist zijn uitgewerkt en dat de rechter-commissaris op basis van deze onjuiste uitwerkingen een machtiging voor een telefoontap heeft verleend, waardoor de tap onrechtmatig is. Primair dient dit tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te leiden, subsidiair tot bewijsuitsluiting.
Ten aanzien van feit 1 bepleit de raadsvrouw vrijspraak. De verdachte verkoopt uitsluitend merkloze jassen en heeft geen wetenschap van de activiteiten van de medeverdachte. In de telefoongesprekken wordt gesproken over kleding met Chinese labels, en de vermelding van merknamen dient slechts ter verduidelijking van kwaliteit en type model. De bijdrage van de verdachte is volgens de verdediging te ver verwijderd van de strafbare kern om als medeplichtigheid te kwalificeren.
Ten aanzien van feit 2 bepleit de raadsvrouw primair eveneens vrijspraak. Zij stelt dat bij een volledige reconstructie van de zakelijke bankrekening van de winkel blijkt dat de als witgewassen aangemerkte contante bedragen volledig kunnen worden gedekt door legale contante opnamen uit de onderneming over de periode 2004 tot en met 2017. De totale contante opnamen bedragen 475.323,38 euro. De verdediging legt een gedetailleerd overzicht van bankrekeningafschriften over en stelt dat het Openbaar Ministerie deze stukken niet heeft weersproken.
Oordeel gerecht
Het hof verwerpt beide verweren inzake de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof dat de verdachte niet alleen wordt verdacht van handel in merkvervalste goederen, maar ook van witwassen, zodat de strafeis mede door dat feit is ingegeven. Ten aanzien van de tapgesprekken oordeelt het hof dat deze in het Urdu zijn gevoerd en met behulp van een tolk zijn uitgewerkt. Van opzettelijke onjuiste uitwerking is niet gebleken, ook niet nu de verdediging de uitwerking op twee onderdelen betwist.
Ten aanzien van feit 1 stelt het hof vast dat een samenwerkingsverband heeft bestaan dat zich bezighield met handel in merkvervalste kleding. De medeverdachte koopt merkloze jassen in bij de verdachte, laat deze bij een andere medeverdachte voorzien van labels van onder meer Canada Goose, Stone Island en Parajumpers, en verkoopt de jassen vervolgens door. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij van niets wist ongeloofwaardig. Het hof slaat met name acht op de tapgesprekken waarin de verdachte zelf spreekt over het inzetten van labels, een whatsappbericht van 5 november 2016 waarin de verdachte om een monster en sticker van Canada Goose vraagt, de verklaring van de medeverdachte dat hij uitsluitend bij de verdachte kleding koopt en dat het om 500 tot 700 jassen gaat, en het openstaande bedrag van 1.800 euro dat duidt op een langdurige handelsrelatie. Het hof kwalificeert de handelingen als medeplichtigheid en niet als medeplegen, en spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 2 hanteert het hof het toetsingskader voor witwassen zonder direct bewijs van brondelicten. Het hof stelt vast dat sprake is van een vermoeden van witwassen, gelet op het feit dat de contante uitgaven, stortingen en aangetroffen gelden fors hoger zijn dan de winkelinkomsten, er meermalen contante stortingen op verschillende bankrekeningen hebben plaatsgevonden en in de kluis coupures van 500 euro zijn aangetroffen. Het hof oordeelt vervolgens dat de verdachte met de overgelegde stukken, waaronder het niet door het Openbaar Ministerie weersproken overzicht van bankrekeningafschriften over 2004 tot en met 2017, een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van de contante geldbedragen. Nu het Openbaar Ministerie nader onderzoek naar die verklaring achterwege heeft gelaten, kan niet worden geoordeeld dat deze bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. De verdachte wordt van het witwassen van deze bedragen vrijgesproken. Het hof acht wel bewezen dat de verdachte een bedrag van 12.500 euro, ontvangen voor de verkoop van 500 jassen aan de medeverdachte, heeft witgewassen door dit bedrag niet in de boekhouding op te nemen en te laten vermengen met legaal ontvangen contante gelden.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
medeplichtigheid aan het medeplegen van bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen, te weten kleding valselijk voorzien van de beschermde woord- en beeldmerken Canada Goose, Parajumpers en Stone Island, in de periode van 1 november 2016 tot en met 28 maart 2018, door gelijkende jassen te bestellen en af te leveren en telefonisch contact te onderhouden over het bestellen en ophalen daarvan
witwassen van een geldbedrag door de werkelijke aard daarvan te verhullen en dit voorwerp voorhanden te hebben, terwijl de verdachte wist dat het van misdrijf afkomstig was, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 maart 2018
De verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde medeplegen van bedrijfsmatige handel in merkvervalste goederen en van het witwassen van de overige ten laste gelegde geldbedragen.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden, gelet op de ernst van de feiten. De verdachte heeft medewerking verleend aan een samenwerkingsverband dat merkenrechten schendt, oneerlijke concurrentie bedrijft en merkhouders inkomsten doet mislopen. Daarnaast heeft de verdachte 12.500 euro witgewassen, waarmee hij de opbrengsten van misdrijf aan het zicht van justitie heeft onttrokken. Het hof neemt echter in aanmerking dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM aanzienlijk is overschreden: in eerste aanleg met bijna twintig maanden en in hoger beroep met ruim 27 maanden. Gelet op deze overschrijdingen legt het hof de gevangenisstraf van twee maanden geheel voorwaardelijk op, met een proeftijd van twee jaren. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Het hof beveelt de onttrekking aan het verkeer van een bedrag van 44.600 euro aan vals geld en gelast de teruggave van in beslag genomen sieraden, buitenlands geld en vorderingen op bankrekeningen aan de verdachte.
