Taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor bestuurder die na een ongeval geen toezicht houdt op niet gedane en onjuiste aangiften omzetbelasting
/Rechtbank Oost-Brabant 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7289
De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt de enig bestuurder van een vennootschap voor feitelijk leidinggeven aan belastingfraude met omzetbelasting. De vennootschap doet over negen kwartalen in de periode 2019 tot en met 2021 niet of niet tijdig aangifte en dient over twee kwartalen nihilaangiften in, terwijl zij wel omzet behaalt. De aangiften worden na een auto-ongeluk van de bestuurder eind 2018 door anderen ingediend met zijn inloggegevens. Volgens de rechtbank ontslaat dat hem niet van zijn verantwoordelijkheid: hij had toezicht moeten (laten) houden of zich als bestuurder moeten uitschrijven. Het Openbaar Ministerie eist negen maanden gevangenisstraf. De rechtbank legt wegens de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1991. Hij is in de tenlastegelegde periode enig bestuurder van een vennootschap, die in het vonnis als medeverdachte wordt aangeduid. Eind 2018 raakt de verdachte betrokken bij een auto-ongeluk, waarbij hij van achteren wordt aangereden. Sindsdien heeft hij volgens de rechtbank problemen met het verwerken van prikkels, het organiseren van dagelijkse zaken en het overzien en prioriteren van verplichtingen. Na het ongeluk laat hij het doen van de aangiften omzetbelasting aan anderen over, die daarvoor zijn inloggegevens gebruiken. Het bedrijf is inmiddels niet meer actief.
De zaak wordt in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door de meervoudige strafkamer op de terechtzitting van 29 september 2026. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 februari 2026.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat de vennootschap in de periode van 1 juli 2019 tot en met 1 februari 2022 opzettelijk de aangiften omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2019, het eerste, derde en vierde kwartaal van 2020 en alle kwartalen van 2021 niet of niet tijdig heeft gedaan, terwijl dat ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, en dat hij daartoe opdracht heeft gegeven dan wel daaraan feitelijk leiding heeft gegeven (artikel 69 lid 1 AWR en artikel 51 Sr).
Onder feit 2 wordt hem verweten dat de vennootschap in de periode van 1 april 2019 tot en met 31 juli 2020, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting heeft gedaan over het tweede kwartaal van 2019 en het tweede kwartaal van 2020, en dat hij ook daartoe opdracht heeft gegeven dan wel daaraan feitelijk leiding heeft gegeven (artikel 69 lid 2 AWR en de artikelen 47 en 51 Sr).
Centraal staan het opzet van de rechtspersoon, het strekkingsvereiste, de toerekening van de gedragingen aan de rechtspersoon en het feitelijk leidinggeven door de verdachte.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en vordert een gevangenisstraf van negen maanden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak en voert drie verweren aan. Zij stelt dat de verklaringen van de verdachte bij de Belastingdienst en de FIOD van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat het nemo tenetur-beginsel en het recht op verhoorbijstand zijn geschonden. Daarnaast staat volgens de verdediging onvoldoende vast dat de vennootschap op de hoogte was van haar verplichting om aangifte omzetbelasting te doen en dat opzettelijk is gehandeld. Ten slotte is het nadeel volgens de verdediging niet exact vast te stellen.
Ten aanzien van de straf verzoekt de verdediging primair te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, subsidiair met een geheel voorwaardelijke straf en meer subsidiair met matiging van de straf gelet op de uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Oordeel gerecht
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
De rechtbank stelt vast dat de vennootschap over de tenlastegelegde kwartalen aangifteplichtig was en over de kwartalen van feit 1 niet of niet tijdig aangifte heeft gedaan. Over het tweede kwartaal van 2019 en het tweede kwartaal van 2020 zijn nihilaangiften ingediend, terwijl uit de gegevens van het controleonderzoek van de Belastingdienst volgt dat de vennootschap in die kwartalen wel omzet behaalde.
Het opzet op de onjuiste aangiften leidt de rechtbank af uit het indienen van nihilaangiften terwijl de vennootschap actief was en overduidelijk omzet behaalde. De medewerkers die de aangiften deden, moeten dat volgens de rechtbank hebben geweten, en dat opzet kan aan de vennootschap worden toegerekend. Voor feit 1 overweegt de rechtbank dat de vennootschap is uitgenodigd tot het doen van aangifte en over het tweede kwartaal van 2019 ook aangifte heeft gedaan. Zij was dus op de hoogte van haar aangifteplicht. Alle aangiften onder feit 1 dateren van na die aangifte, zodat de vennootschap ook daar opzettelijk heeft gehandeld.
Aan het strekkingsvereiste is voldaan. In de onjuiste aangiften is te weinig belasting aangegeven, en het niet tijdig aangifte doen over een periode waarin omzet wordt behaald strekt ertoe dat te weinig belasting wordt geheven. De precieze omvang van het nadeel is daarvoor niet van belang. Het doen van belastingaangifte vindt bij uitstek plaats in de sfeer van de rechtspersoon en past binnen de normale bedrijfsvoering, zodat de gedragingen aan de vennootschap kunnen worden toegerekend.
Over het feitelijk leidinggeven overweegt de rechtbank dat daarin een zelfstandig opzetvereiste besloten ligt: de verdachte moet ten minste de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verboden gedragingen plaatsvinden. Feitelijk leidinggeven kan ook bestaan uit het achterwege laten van maatregelen door degene die daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is. De verdachte was enig bestuurder en de aangiften zijn ingediend met de inloggegevens die hij aan anderen beschikbaar had gesteld. Dat hij het doen van de aangiften na zijn ongeluk noodgedwongen aan anderen heeft overgelaten, ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid. Hij had moeten controleren of de aangiften juist werden gedaan, of ten minste iemand met de benodigde kennis moeten vragen dat voor hem te doen. Dat kon volgens de rechtbank ook in zijn omstandigheden van hem worden gevraagd. Was hij werkelijk niet meer in staat zijn bedrijf te leiden, dan had hij zich als bestuurder moeten uitschrijven. Door het bedrijf voort te zetten zonder toezicht te (laten) houden op de aangiften, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangiften niet tijdig en onjuist zouden worden gedaan.
Het verweer over schending van het nemo tenetur-beginsel en het recht op verhoorbijstand bespreekt de rechtbank niet, omdat zij de verklaringen waarop het verweer ziet niet voor het bewijs gebruikt. De overige verweren merkt de rechtbank aan als bewijsverweren, die worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.
De rechtbank kwalificeert feit 1 als opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd. Feit 2 kwalificeert zij als opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door de vennootschap:
in de periode van 1 juli 2019 tot en met 1 februari 2022 opzettelijk niet of niet tijdig doen van de aangiften omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2019, het eerste, derde en vierde kwartaal van 2020 en het eerste tot en met vierde kwartaal van 2021, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven (feit 1);
in of omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en met 31 juli 2020 opzettelijk onjuist en onvolledig doen van de aangiften omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2019 en het tweede kwartaal van 2020, door een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven (feit 2).
De verdachte wordt vrijgesproken van wat meer of anders is tenlastegelegd. Het opdracht geven en het medeplegen door de vennootschap maken geen deel uit van de bewezenverklaring.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt een taakstraf op van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. Bijkomende straffen of maatregelen worden niet opgelegd.
Bij de ernst van de feiten weegt de rechtbank mee dat de vennootschap een wederrechtelijk belastingvoordeel heeft verkregen en dat de Belastingdienst in ieder geval ruim € 150.000 is misgelopen. De verdachte heeft daarmee de Staat en de gemeenschap benadeeld, terwijl bij belastingheffing gewichtige gemeenschapsbelangen zijn betrokken.
De rechtbank sluit aan bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting. Gelet daarop en op het benadelingsbedrag zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf normaal gesproken op zijn plaats zijn. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank reden daarvan af te zien. De klachten na het ongeluk hebben invloed gehad op de feiten en beperken de verdachte nog steeds. Hij zorgt met zijn vrouw voor twee kinderen van 6 en 8 jaar, en hij probeert met de Belastingdienst een regeling te treffen om de belastingschulden af te betalen, waarvoor hij bij zijn broer in het bedrijf wil gaan werken. De rechtbank houdt verder rekening met de overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar. Het aanvangsmoment van die termijn vermeldt het vonnis niet. De voorwaardelijke gevangenisstraf moet de ernst van de feiten tot uitdrukking brengen en de verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van negen maanden gevangenisstraf. Het verzoek van de verdediging om te volstaan met een schuldigverklaring zonder straf of met een geheel voorwaardelijke straf volgt zij niet.
De strafoplegging is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51 en 57 Sr en de artikelen 68 en 69 AWR.
Lees hier de volledige uitspraak.
