Notaris zette accountant van cliënt in cc bij verrekeningsgeschil: schorsing van één week
/De Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag heeft bij beslissing van 17 september 2026 een notaris geschorst in de uitoefening van zijn ambt voor de duur van één week. De klacht kwam van een ondernemer in couturekleding met wie de notaris een vriendschappelijke relatie had en voor wie hij in 2024 een holding en een werkmaatschappij oprichtte. Over de declaratie voor die oprichting ontstond een geschil, dat verder opliep toen de ondernemer de declaratie verrekende met zijn eigen factuur aan de notaris voor het vermaken van kleding. De notaris maakte per e-mail bezwaar tegen die verrekening en zette daarbij de accountant van de ondernemer in cc. De kamer oordeelt dat de notaris daarmee zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden, en dat ook de declaratie en de informatie vooraf over de kosten tekortschoten. Toetsingskader is de tuchtnorm van artikel 93 van de Wet op het notarisambt. De beslissing is op 13 oktober 2026 gepubliceerd onder ECLI:NL:TNORDHA:2026:19.
Een vriendschap, twee facturen en een verrekening
De notaris en de klager leerden elkaar kennen via een herenmodezaak waar de klager kleding vermaakte. De notaris liet daarna jarenlang pakken, jasjes, broeken en overhemden door hem aanpassen, en tijdens die bezoeken spraken beiden geregeld over juridische aspecten van het ondernemerschap. In mei 2022 vroeg de echtgenote van de klager namens de eenmanszaak advies over de oprichting van een B.V. Eind 2023 bracht de notaris de klager in contact met een accountant. Op 14 februari 2024 passeerde de notaris de akten van oprichting van de holding en de werkmaatschappij.
Op 7 maart 2024 volgde een declaratie van € 3.058,81 aan de holding. Volgens de urenspecificatie ging het om veertien uren, waarvan vijfeneenhalf uur aan werkzaamheden van de notaris zelf op 1 oktober 2022, met een relatiekorting van 25 procent. Na bezwaar van de klager werd de declaratie verlaagd naar € 2.385,44. Op 26 augustus 2024 stuurde de klager de notaris op zijn beurt een factuur van € 2.323,88 voor kledingaanpassingen in de periode december 2023 tot en met juli 2024. Hij verrekende beide facturen en maakte het verschil van € 61,56 over.
Incassoprocedure en beslag
Bij e-mail van 2 september 2024 maakte de notaris bezwaar tegen de verrekening en betwistte hij de factuur van de klager. Die e-mail ging in cc naar de accountant. De notaris droeg de incasso vervolgens over aan een advocaat, die een procedure aanhangig maakte. Een schikkingsvoorstel van de klager leidde niet tot overeenstemming. Nadat de holding had verzuimd tijdig te antwoorden, veroordeelde de rechtbank Amsterdam haar op 28 januari 2025 tot betaling van € 2.415,39, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het executoriaal beslag dat de deurwaarder op 14 februari 2025 legde, leverde niets op, omdat de bank geen tegoeden aantrof.
Klacht en verweer
De klager voerde aan dat de notaris vooraf mondeling € 800 had genoemd voor de oprichting van een B.V. en iets minder voor een holding, dat hij geen opdrachtbevestiging had ontvangen en dat de uren op 1 oktober 2022 waren verzonnen. Hij verweet de notaris verder dat die niet had gereageerd op de vraag naar welk adres zijn factuur moest, en dat de notaris het geschil had gedeeld met zijn accountant. Volgens de klager was hij daardoor in een kwaad daglicht gesteld en wilde de accountant geen werkzaamheden meer voor hem verrichten.
De notaris bepleitte niet-ontvankelijkheid, omdat de klacht in de kern een declaratiegeschil zou betreffen, de werkzaamheden meer dan drie jaar vóór indiening van de klacht bekend waren en de civiele rechter zijn vordering had toegewezen. Inhoudelijk stelde hij dat hij op 1 juni 2022 een opdrachtbevestiging had gestuurd, dat zijn urenspecificatie transparant was en dat hij in totaal 45 procent korting had gegeven. Ter onderbouwing van een bespreking op 27 augustus 2022 legde hij een parkeerticket over. Over de accountant voerde hij aan dat die ook de klager als cliënt bediende, zelf aan een beroepsgeheim was gebonden en dat zijn algemene voorwaarden overleg met derden toestonden.
Ontvankelijkheid: meer dan een declaratiegeschil
De kamer verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid. De klacht ziet volgens de kamer op het handelen dat aan de declaratie ten grondslag ligt, waaronder de uitvoering van de opdracht, de informatieverstrekking en de zorgvuldigheid, en dat valt binnen het bereik van het tuchtrecht. Voor de vervaltermijn van artikel 99, eenentwintigste lid, Wna is bepalend wanneer de klager kennis nam of redelijkerwijs kon nemen van het verwijtbare handelen. Dat werkzaamheden meer dan drie jaar eerder zijn verricht, betekent volgens de kamer niet zonder meer dat de termijn is verstreken. Het vonnis van de rechtbank Amsterdam betrof een civiele vordering en staat aan tuchtrechtelijke toetsing niet in de weg.
Declaratie en informatie over de kosten
De notaris heeft volgens de kamer op geen enkele wijze duidelijk gemaakt wat hij op zaterdag 1 oktober 2022 gedurende vijfeneenhalf uur voor de klager heeft gedaan. De klager legde tegenover het parkeerticket een app-bericht van de notaris over, waaruit bleek dat de notaris op 27 augustus 2022 op eigen verzoek met zijn vrouw en dochter de zaak van de klager was komen bekijken en broeken meenam om te laten vermaken. De kamer gaat uit van het voor de notaris meest gunstige scenario, namelijk dat de werkzaamheden van 27 augustus 2022 per abuis onder 1 oktober 2022 zijn geboekt, en noemt dat onzorgvuldig.
Voor die dag bracht de notaris twee uur reistijd in rekening, terwijl het bezoek geen zakelijk doel had. Dat de resterende drie à drieënhalf uur volledig aan advisering zijn besteed, acht de kamer ongeloofwaardig, mede gelet op de betrekkelijk geringe complexiteit van de oprichting van een holding en een werkmaatschappij. De kamer kwalificeert het opmaken van de declaratie als onbehoorlijk; de relatiekorting en de latere tweede korting doen daar niet aan af.
Over de kosten vooraf overweegt de kamer dat een mondelinge prijsafspraak niet is komen vast te staan, en evenmin dat de opdrachtbevestiging is verstuurd of geantedateerd. Ook als die bevestiging wel is verstuurd, volstaat zij niet: zij vermeldt alleen dat wordt gewerkt tegen betaling van een uurtarief, zonder het tarief, het verwachte aantal uren of de voorziene kosten te noemen. Artikel 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie schrijft voor dat de notaris de cliënt over de financiële consequenties inlicht. Dat onderdeel is klachtwaardig.
De incasso zelf is op zichzelf niet klachtwaardig. De declaratie en de factuur van de klager konden volgens de kamer niet worden verrekend, de notaris hoefde geen minnelijke regeling te treffen en mocht dagvaarden en beslag laten leggen. Wel heeft de notaris zakelijke en privéactiviteiten te veel door elkaar laten lopen, onder meer door niet te reageren op de vraag naar welk privéadres de klager zijn factuur kon sturen, en heeft hij het beroep op verrekening daarmee in de hand gewerkt.
Geheimhoudingsplicht en algemene voorwaarden
Op grond van artikel 22 Wna is de notaris tot geheimhouding verplicht, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald. De kamer oordeelt dat voor het delen van informatie over het verrekeningsgeschil met de accountant geen rechtvaardiging bestond. De stelling ter zitting dat de klager toestemming had gegeven, is niet gebleken. De e-mail van 2 september 2024 vermeldde dat de accountant was meegenomen om op de hoogte te zijn van de discussie over de boekhouding van de klager en om hem te kunnen bevestigen dat verrekening niet was toegestaan. Volgens de kamer duidt dat bepaald niet op voorafgaande toestemming. Het beroep op de algemene voorwaarden verwerpt de kamer: het beroepsgeheim kan niet worden doorbroken met een beroep op algemene voorwaarden.
De wettelijke uitzonderingen op het notariële ambtsgeheim, zoals de meldplicht op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, beschrijft de KNB in haar handleiding voor notarissen bij een strafrechtelijke doorzoeking. Daarin wijst de KNB er ook op dat opzettelijke schending van het ambtsgeheim strafbaar kan zijn op grond van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Die vraag lag in deze tuchtprocedure niet voor.
Maatregel en kosten
Bij de keuze van de maatregel rekent de kamer de notaris de schending van de geheimhoudingsplicht in het bijzonder aan. De geheimhoudingsplicht behoort volgens de kamer tot de kernwaarden van het notarisambt. De notaris heeft de informatie gedeeld zonder rechtvaardigingsgrond en haar bovendien ingezet in het geschil met de klager, als drukmiddel om zijn eigen financiële belang te dienen. De kamer weegt verder mee dat de notaris uren in rekening heeft gebracht die hij niet heeft gemaakt, privé en zakelijke belangen onvoldoende heeft gescheiden en geen inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn handelen. Aan de notaris zijn volgens de beslissing al eerder meerdere maatregelen opgelegd. De kamer legt een schorsing van één week op.
De notaris moet op grond van artikel 99, vijfde lid, Wna het griffierecht van € 50 aan de klager vergoeden en op grond van artikel 103b, eerste lid, onder a, Wna de forfaitair vastgestelde kosten van de klager van € 50. Op grond van onderdeel b van die bepaling wordt hij veroordeeld in de kosten van de behandeling van de zaak, vastgesteld op € 2.000 en te betalen aan de kamer, binnen vier weken nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.
Afsluiting
De Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag heeft de klacht gegrond verklaard en de notaris geschorst voor de duur van één week. De kamer achtte de klager ontvankelijk, oordeelde dat de notaris zijn geheimhoudingsplicht had geschonden en dat de declaratie en de informatie vooraf over de kosten tekortschoten, terwijl de incasso zelf niet klachtwaardig werd geacht. Tegen de beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van de aangetekende brief waarmee de beslissing aan partijen is gezonden. Uit de gepubliceerde beslissing valt niet af te leiden of hoger beroep is ingesteld.
