Slachtoffer en benadeelde partij in 7 mei 2026 Tweede aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering : financiële uitkering, zelfstandig hoger beroep en zes versterkingen
/Op 7 mei 2026 is de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering in internetconsultatie gegaan. Hiermee komt het inhoudelijke wetgevingstraject van het nieuwe wetboek in zijn afrondende fase. De twee vaststellingswetten zijn op 24 februari 2026 door de Eerste Kamer aangenomen en gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2026, 56 en 57), de eerste aanvullingswet is op 24 maart 2026 ingediend bij de Tweede Kamer, en met de tweede aanvullingswet wordt het pakket gecompleteerd. De beoogde inwerkingtreding van het volledige nieuwe wetboek is 1 april 2029.
In de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering krijgt het slachtoffer en de benadeelde partij in zes onderdelen een verdere versterking van de positie binnen het strafproces. Voor de bijzonder-strafrechtspraktijk zijn met name de uitwerking van het zelfstandig hoger beroep van de benadeelde partij in de artikelen 5.4.36a tot en met 5.4.36d en de geheel nieuwe regeling van een financiële uitkering wegens niet-naleving van wettelijke voorschriften jegens het slachtoffer in Hoofdstuk 7 van Boek 6 relevant. In deze blog lopen we de zes onderdelen langs en gaan we wat dieper in op deze twee meest in het oog springende vernieuwingen.
De zes onderdelen op een rij
De memorie van toelichting onderscheidt zes onderdelen die de positie van het slachtoffer en de benadeelde partij versterken.
Het eerste onderdeel betreft de bevordering van aanwezigheid op de terechtzitting. Op grond van het gewijzigde artikel 4.2.18 wordt het onderzoek op de terechtzitting in beginsel geschorst indien het slachtoffer of de spreekgerechtigde, ondanks de geuite wens om aanwezig te zijn, niet is verschenen. De rechtbank kan alleen na een uitdrukkelijke belangenafweging afzien van schorsing en hernieuwde oproeping; het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak moet dan zwaarder wegen dan het belang van het slachtoffer of de spreekgerechtigde bij aanwezigheid. Daarnaast bepaalt artikel 4.1.6, eerste lid (en in hoger beroep artikel 5.4.12), dat de dag en het tijdstip van de terechtzitting zo mogelijk in overleg met het slachtoffer, de spreekgerechtigde en de benadeelde partij worden bepaald.
Het tweede onderdeel betreft de verstrekking van een afschrift van het eindvonnis. Op grond van het gewijzigde artikel 4.3.32, eerste lid, verstrekt de Minister van Justitie en Veiligheid (feitelijk: het CJIB) een kopie van het eindvonnis aan het slachtoffer dat een verzoek als bedoeld in artikel 1.5.4 heeft gedaan. De rechter behoudt de mogelijkheid te bepalen dat dit ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het vonnis is gewezen, of van derden, achterwege moet blijven; in dat geval kan een geanonimiseerde kopie, een gedeeltelijke kopie of een uittreksel worden verstrekt. Een vergelijkbare regeling geldt voor de benadeelde partij op grond van het gewijzigde artikel 4.4.7, vijfde lid. Dit is mede uitvoering van een al in 2022 ingediende motie-Ellian (Kamerstukken II 2021/22, 33552, nr. 97) over automatische verstrekking van het vonnis.
Het derde onderdeel betreft de versterking van de positie van het slachtoffer in de tenuitvoerleggingsfase. Het nieuw ingevoegde artikel 7.1.22a geeft het slachtoffer en de spreekgerechtigde, in de gevallen waarin zij in de gelegenheid worden gesteld een verklaring af te leggen, het recht om de officier van justitie te verzoeken om kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Op grond van het toegevoegde vierde lid van artikel 7.1.24 verstrekt de voorzitter of een andere rechter die over de zaak heeft geoordeeld, op verzoek, een kopie van de beslissing aan het slachtoffer dat een verklaring heeft afgelegd. Verder wordt het slachtoffer in het kader van de beslissing over voorwaardelijke invrijheidstelling het recht toegekend om kennisneming van de stukken te verzoeken en om zich te doen bijstaan (artikel 7.3.7, zevende lid).
Het vierde onderdeel betreft het recht op zaaksgebonden informatie (artikelen 1.5.4 en 1.5.4a). De wijziging van artikel 1.5.4 sluit aan bij de Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 2025 (Stb. 2025, 124), waarin de verantwoordelijkheid voor het informeren van het slachtoffer in de tenuitvoerleggingsfase is overgedragen van het openbaar ministerie naar de minister. Daarnaast wordt een delegatiegrondslag opgenomen, zodat de momenten van informeren, de wijze waarop en de verantwoordelijke autoriteit nader bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld. Het nieuwe artikel 1.5.4a creëert een wettelijke grondslag voor het recht van het slachtoffer om geraadpleegd te worden over zijn beschermingsbehoeften, voorafgaand aan een beslissing waarbij beschermingsmaatregelen kunnen worden getroffen.
Het vijfde onderdeel is de regeling van het zelfstandig hoger beroep van de benadeelde partij. Op die regeling gaan we hieronder nader in. Het zesde onderdeel is de financiële uitkering wegens niet-naleving van wettelijke voorschriften jegens het slachtoffer. Ook dit onderdeel werken we hieronder uit.
Procedureregels zelfstandig hoger beroep benadeelde partij
In de eerste vaststellingswet is voor de benadeelde partij de mogelijkheid geïntroduceerd om zelfstandig hoger beroep in te stellen tegen de gehele of gedeeltelijke afwijzing van haar vordering, indien die vordering meer dan € 1.750 bedraagt (artikel 5.4.35, eerste lid). Daarmee is het hoger beroep van de civiele naar de strafrechtelijke kolom verplaatst. Naar geldend recht wordt het hoger beroep in deze situatie nog behandeld volgens de regels van burgerlijk recht (huidig artikel 421, vierde lid). Het procedurele gevolg is volgens de toelichting belangrijk: omdat het hoger beroep door de strafkamer van het gerechtshof wordt behandeld, kan ook de schadevergoedingsmaatregel aan het oordeel van het hof worden onderworpen. Dat brengt mee dat de Staat met de tenuitvoerlegging is belast en dat de voorschotregeling van toepassing is.
In de eerste vaststellingswet was echter niet bepaald welke procedureregels op dit zelfstandig hoger beroep van toepassing zijn. Aanvankelijk werd verwezen naar een te ontwikkelen "afgesplitste procedure" met een eigen schadevergoedingskamer (de gereserveerde Boek 4, Afdeling 4.1.2), maar inmiddels is duidelijk dat aan deze afdeling, in elk geval voor inwerkingtreding van het nieuwe wetboek, geen invulling zal worden gegeven. De tweede aanvullingswet voorziet daarom alsnog in een eigen regeling, opgenomen in vier nieuwe artikelen 5.4.36a tot en met 5.4.36d.
Artikel 5.4.36a regelt de basis: indien alleen de benadeelde partij hoger beroep heeft ingesteld, is ook de beslissing over de schadevergoedingsmaatregel aan het oordeel van het gerechtshof onderworpen (eerste lid). De benadeelde partij is niet-ontvankelijk indien de behandeling van de vordering bij gevoegde behandeling een onevenredige belasting voor de behandeling van de zaak zou opleveren (tweede lid). De advocaat-generaal kan aan de behandeling deelnemen, maar is daartoe niet verplicht (derde lid). Artikel 5.4.36b regelt de oproeping en de toepasselijkheid van een groot aantal bepalingen uit Boek 4. Artikel 5.4.36c regelt de beraadslaging en beslissing van het gerechtshof: het gerechtshof kan zich onbevoegd verklaren, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep dan wel in haar vordering, of de vordering inhoudelijk beoordelen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Artikel 5.4.36d regelt het arrest, de inhoud en de cassatiemogelijkheid.
De toelichting onderstreept dat het zelfstandig hoger beroep alleen ziet op vorderingen die in eerste aanleg zijn afgewezen en die door de rechtbank dus niet als te complex zijn aangemerkt. Het uitgangspunt is dat de benadeelde partij in het zelfstandig hoger beroep niet meer en geen andere mogelijkheden heeft dan bij een gevoegde behandeling. Bepalingen die niet bij deze procedure passen, zoals die over de verschijningsplicht van de verdachte en de uitoefening van het spreekrecht, zijn buiten toepassing gelaten.
Financiële uitkering wegens niet-naleving van slachtofferrechten
Het zesde en meest opvallende slachtofferonderdeel van de tweede aanvullingswet is de invoering van een financiële uitkeringsregeling. De aanleiding is de aangenomen motie-Ellian (Kamerstukken II 2024/25, 36327, nr. 65), waarin de regering werd verzocht effectieve remedies of rechtsmiddelen voor slachtoffers te introduceren, met als uitgangspunt dat het toekennen van een remedie evenredig moet zijn aan de ernst van de niet-naleving en toegevoegde waarde voor slachtoffers moet hebben.
De wetgever heeft afgewogen of nieuwe rechtsmiddelen geïntroduceerd zouden moeten worden, maar daarvan afgezien. Een rechterlijke procedure biedt volgens de toelichting in veel gevallen geen oplossing wanneer een voorschrift niet is nageleefd. Wanneer een slachtoffer ten onrechte niet is opgeroepen voor de terechtzitting en die zitting inmiddels heeft plaatsgehad, of niet in kennis is gesteld van de invrijheidstelling van een veroordeelde, kan een rechtsmiddel niet meer in herstel voorzien. Daarnaast worden rechtsmiddelen voor sommige typen niet-naleving niet proportioneel geacht. In plaats daarvan wordt de naleving op drie manieren versterkt: door bevordering van aanwezigheid op de terechtzitting (zie hierboven), door de hierna te bespreken financiële uitkering en, als derde versterking, door de in dit wetsvoorstel opgenomen verplichting om het slachtoffer voorafgaand aan beschermingsbeslissingen te raadplegen (artikel 1.5.4a).
In Boek 6 wordt een geheel nieuw Hoofdstuk 7 ingevoegd, "Financiële uitkering wegens niet-naleving van wettelijke voorschriften jegens het slachtoffer", bestaande uit de artikelen 6.7.1 tot en met 6.7.4. Op grond van artikel 6.7.1, eerste lid, kan het slachtoffer een financiële uitkering verzoeken indien een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen wettelijk voorschrift jegens hem niet is nageleefd. Het tweede lid stelt deze mogelijkheid ook open voor de benadeelde partij en de spreekgerechtigde.
Het verzoek wordt op grond van artikel 6.7.2 ingediend binnen een jaar nadat de verzoeker bekend is geworden of redelijkerwijs had kunnen worden met de niet-naleving. Het wordt op grond van artikel 6.7.3 ingediend bij de instantie tot wie het wettelijke voorschrift is gericht. De instantie zendt het verzoek waar nodig door naar een andere instantie. Op het verzoek wordt binnen drie maanden beslist; deze termijn kan eenmaal met drie maanden worden verlengd, en daarna alleen met instemming van de verzoeker. De uitkering wordt gedaan door de instantie die op het verzoek heeft beslist; een afwijzing wordt gemotiveerd.
De hoogte van de uitkering wordt bepaald bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (artikel 6.7.4). Volgens de toelichting gaat het om vooraf vastgestelde, forfaitaire bedragen van beperkte omvang, bijvoorbeeld circa € 100 per geval van niet-naleving. Het voornemen is vooralsnog te werken met één vast bedrag voor verschillende vormen van niet-naleving. De toelichting trekt een vergelijking met de bedragen die worden toegekend wanneer een verdachte ten onrechte in een politiecel heeft verbleven (€ 130 per dag, op grond van de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken).
De financiële uitkering is blijkens de toelichting nadrukkelijk geen schadevergoeding. Het slachtoffer hoeft geen schade aan te tonen. De regeling is bedoeld als vangnet voor gevallen van niet-naleving waarvoor andere oplossingsrichtingen, zoals het aanbieden van excuses of een klachtbehandeling, ontoereikend zijn. De toelichting noemt als voorbeelden van niet-naleving het ten onrechte niet oproepen voor een zitting, of het niet informeren over een invrijheidstelling van de veroordeelde. De voorschriften waarvan de niet-naleving aanleiding kan geven tot een uitkering, en de hoogte van de uitkering, worden bij algemene maatregel van bestuur vastgelegd.
Verhouding tot de bestaande voorzieningen
De toelichting plaatst de nieuwe regeling nadrukkelijk in het licht van de reeds bestaande voorzieningen voor naleving van slachtofferrechten. In een aantal gevallen biedt het wetboek al een rechtsmiddel of rechterlijke toets, zoals het bezwaarschrift bij de rechter-commissaris tegen de afwijzing van een verzoek tot voeging van stukken, kennisneming van processtukken of vertaling (artikel 1.5.15). De benadeelde partij heeft sinds de eerste vaststellingswet ook de mogelijkheid van zelfstandig hoger beroep en cassatie tegen de afwijzing van haar vordering boven de € 1.750 (artikel 5.4.35 in samenhang met artikel 5.5.17). Op verschillende plaatsen geldt een motiveringsplicht voor de beslissende autoriteit. Naast deze wettelijke voorzieningen wijst de toelichting op de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2025-2028 (Kamerstukken II 2024/25, 33552, nr. 137) en op het toezicht door de Inspectie Justitie en Veiligheid en de procureur-generaal van de Hoge Raad.
Wat verandert er voor de bijzonder-strafrechtspraktijk?
Voor de FE-strafrechtspraktijk zijn met name de procedureregels voor het zelfstandig hoger beroep van de benadeelde partij van direct belang in zaken waarin sprake is van complexe vorderingen tot schadevergoeding, bijvoorbeeld in fraude- of malversatieonderzoeken. De wetgever maakt expliciet dat het zelfstandig hoger beroep alleen openstaat voor vorderingen die in eerste aanleg zijn afgewezen en niet als te complex zijn aangemerkt. Voor zaken die in eerste aanleg vanwege onevenredige belasting niet-ontvankelijk zijn verklaard, wijst de civiele weg de procedure. De financiële uitkeringsregeling staat niet alleen open voor het slachtoffer, maar ook voor de benadeelde partij en de spreekgerechtigde, zodat ook in zaken met een rechtspersoon als slachtoffer of een nabestaande als spreekgerechtigde een rol kan spelen. Of de wettelijke voorschriften die in de algemene maatregel van bestuur worden aangewezen ook in FE-strafrechtelijke onderzoeken een rol gaan spelen, zal moeten blijken uit de uitwerking van de AMvB.
Afsluiting
Met de zes voorgestelde versterkingen rondt de wetgever een traject af waarin de positie van het slachtoffer en de benadeelde partij stapsgewijs in het strafproces is verankerd. De keuze voor een financiële uitkering in plaats van nieuwe rechtsmiddelen sluit aan bij de overweging dat een rechterlijke procedure veelal niet meer in herstel kan voorzien, en dat een procedurele drempel voor toegang tot de rechter onder die omstandigheden weinig toegevoegde waarde heeft. De effectiviteit van de regeling zal mede afhangen van de keuzes die in de algemene maatregel van bestuur worden gemaakt over de aan te wijzen voorschriften en de hoogte van het uitkeringsbedrag. De internetconsultatie biedt belanghebbenden gelegenheid op deze keuzes te reageren.
