Twaalf maanden gevangenisstraf en vijfjarig bestuursverbod voor dakdekker die 61 klanten oplichtte met aanbetalingsconstructie

Rechtbank Amsterdam 2 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3315

De rechtbank Amsterdam veroordeelt een dakdekker tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, voor het oplichten van 61 klanten van zijn dakdekkersbedrijf. De verdachte ontving in een halfjaar tijd ruim € 278.000 aan aanbetalingen voor werkzaamheden die hij nooit voornemens was uit te voeren. Naast de hoofdstraf legt de rechtbank een bestuursverbod van vijf jaar op en gelast openbaarmaking van het vonnis via de Kamer van Koophandel. De verweren over vertegenwoordigingsbevoegdheid en samenloop met een civiele procedure worden verworpen. Eenenzestig vorderingen van benadeelde partijen worden geheel of gedeeltelijk toegewezen, met de schadevergoedingsmaatregel als extra waarborg. De rechtbank matigt de gijzeling evenredig tot het wettelijke maximum van 365 dagen.

Inleiding en context

De zaak speelt voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam in eerste aanleg. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1984, en indirect bestuurder en indirect enig aandeelhouder van een dakdekkersonderneming. Vanuit deze vennootschap is hij in de periode van 4 november 2022 tot en met 20 mei 2023 actief geweest als aanbieder van dakwerkzaamheden, waarbij hij landelijk klanten wierf via Google, Homedeal en Solvari. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 maart en 2 april 2026, op welke laatste datum de rechtbank uitspraak doet. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee in beperkte mate overschreden, gerekend vanaf de inverzekeringstelling op 12 maart 2024.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan drie feiten. Onder feit 1 is ten laste gelegd het oplichten van 61 klanten van het dakdekkersbedrijf, strafbaar gesteld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Onder feit 2 wordt witwassen verweten van een geldbedrag van in totaal € 253.230,29, gekwalificeerd onder de artikelen 420bis en 420bis.1 (oud) Sr. Onder feit 3 staat het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift in de zin van artikel 225 Sr centraal, te weten een valselijk opgemaakte huurovereenkomst die is gebruikt voor inschrijving in de Basisregistratie personen. Bij de oplichting staan de bestanddelen het aannemen van een valse hoedanigheid en het samenweefsel van verdichtsels centraal, waaraan de rechtbank het door de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2016:2889 geformuleerde beoordelingskader ten grondslag legt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht alle drie de feiten bewezen en vordert een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 137 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast vordert het Openbaar Ministerie ontzetting uit het recht een bouw- en dakdekkersonderneming te besturen voor de duur van vijf jaar en openbaarmaking van het vonnis door toezending aan de Kamer van Koophandel. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen vordert het Openbaar Ministerie integrale toewijzing van het merendeel, met afwijzing of niet-ontvankelijkverklaring van enkele specifiek benoemde nevenposten zoals incassokosten uit civiele procedures, immateriële schade en kosten verband houdend met een faillissementsaanvraag.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor feit 1 omdat geen sprake zou zijn van oplichting in de zin van artikel 326 Sr. Indien dit verweer slaagt, kan ook witwassen niet worden bewezen, aldus de raadsvrouwen. Subsidiair wordt aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de witwasgedragingen nog niet wist dat hij de toegezegde werkzaamheden niet zou uitvoeren, zodat het opzetvereiste niet is vervuld. Ten aanzien van feit 3 wordt geen verweer gevoerd. Wat de strafmaat betreft verzoekt de verdediging geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest van 43 dagen overstijgt. Ten aanzien van de vorderingen worden specifieke bezwaren aangevoerd, waaronder het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij twee bedrijfsmatige benadeelde partijen en de stelling dat één benadeelde reeds over een executoriale titel beschikt uit een civiele procedure.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt het beoordelingskader van de Hoge Raad voorop en beoordeelt of sprake is van een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen. Uit de bewijsmiddelen volgt een vast gedragspatroon: de verdachte presenteert zich via website, offerte en gesprek als deskundige en betrouwbare dakdekker, sluit overeenkomsten met concrete uitvoeringsdata en factureert een aanbetaling onder mededeling dat de materialen na ontvangst van die aanbetaling worden besteld. De rechtbank stelt vast dat na ontvangst van de aanbetalingen niets is ondernomen om de werkzaamheden voor te bereiden. Uit de e-mailcorrespondentie met de leverancier blijkt dat sinds 9 november 2022 geen dakpannen meer zijn besteld, terwijl in de maanden mei tot en met september 2023 evenmin een enkele opdracht is uitgevoerd. De rechtbank kwalificeert dit als het aannemen van een valse hoedanigheid in combinatie met een samenweefsel van verdichtsels, waarbij misbruik is gemaakt van het in de dakdekkersbranche geldende verwachtingspatroon dat een aanbetaling wordt aangewend voor de inkoop van bouwmaterialen.

Het verweer dat ten tijde van de witwasgedragingen geen wetenschap van het misdrijf bestond, wordt verworpen. Uit de overwegingen bij feit 1 volgt dat de verdachte van meet af aan niet voornemens is geweest de werkzaamheden uit te voeren, zodat de aanbetalingen vanaf de ontvangst afkomstig zijn uit eigen misdrijf. Voor zover de gelden zijn opgenomen, overgeboekt of besteed, kwalificeert de rechtbank de gedragingen als witwassen. Voor het op de bankrekening van de vennootschap aangetroffen restbedrag is sprake van eenvoudig witwassen. Ten aanzien van feit 3 acht de rechtbank bewezen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een valse huurovereenkomst, nu de woningbouwvereniging de woning niet aan hem heeft verhuurd en de overeenkomst afwijkt van de gebruikelijke lay-out.

In het kader van de vorderingen van de benadeelde partijen verwerpt de rechtbank twee processuele verweren. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van een directeur van een besloten vennootschap is voldoende aannemelijk geworden bij gebrek aan een concreet bezwaar van de verdediging, onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2004:AR3043. De omstandigheid dat één benadeelde partij reeds over een civiel vonnis tegen de vennootschap beschikt, staat niet in de weg aan behandeling in de strafzaak: de strafrechtelijke vordering is gericht tegen de verdachte als natuurlijk persoon en berust op onrechtmatige daad, met dien verstande dat betalingen op beide titels onderling in mindering strekken.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen:

  • oplichting, meermalen gepleegd, in de periode van 4 november 2022 tot en met 20 mei 2023, jegens tien bij naam genoemde aangevers en de overige aangevers tot een gezamenlijk benadelingsbedrag van € 278.096,72;

  • witwassen en eenvoudig witwassen van een geldbedrag van in totaal € 253.230,29;

  • opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift, te weten een huurovereenkomst gedateerd 5 april 2023, ten behoeve van inschrijving in de Basisregistratie personen.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank wijkt naar boven af van de eis van het Openbaar Ministerie en legt een gevangenisstraf op van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn als bijzondere voorwaarden verbonden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij de forensische geestelijke gezondheidszorg gericht op de persoonlijkheidskenmerken van de verdachte, en de verplichting mee te werken aan de aflossing van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Voor het bepalen van het vertrekpunt sluit de rechtbank aan bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor benadelingsbedragen tussen € 250.000 en € 500.000, die een gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden voorschrijven. Het strafblad biedt geen aanleiding tot opwaartse bijstelling. De omstandigheid dat een onvoorwaardelijke detentie de aflossing van benadeelde partijen tijdelijk zal bemoeilijken, wordt geacht in de oriëntatiepunten te zijn verdisconteerd. De geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn leidt enkel tot constatering, zonder strafkorting.

Als bijkomende straffen ontzet de rechtbank de verdachte voor de duur van vijf jaar uit het recht een rechtspersoon te besturen en gelast zij openbaarmaking van het vonnis door toezending aan de Kamer van Koophandel ter effectuering van het beroepsverbod. Ten behoeve van de 61 benadeelde partijen worden de gevorderde aanbetalingen toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van iedere aanbetaling. De rechtbank wijst overige posten zoals immateriële schade, gederfde inkomsten, huurkosten en proceskosten uit civiele of insolventieprocedures af dan wel verklaart deze niet-ontvankelijk wegens onevenredige belasting van het strafgeding. De schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr wordt opgelegd, waarbij de rechtbank de aan elke vordering te koppelen gijzeling evenredig matigt zodat het wettelijk maximum van 365 dagen niet wordt overschreden. De inbeslaggenomen elektronische apparaten worden teruggegeven aan de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^