Rechtbank veroordeelt BOA en zijn opdrachtgever voor omkoping en computervredebreuk rond illegale kentekenbevragingen: ook bevragingen tijdens werktijd kwalificeren als binnendringen met valse sleutel

Rechtbank Oost-Brabant 30 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2732 (de BOA) en ECLI:NL:RBOBR:2026:2737 (de opdrachtgever).

De rechtbank veroordeelt een buitengewoon opsporingsambtenaar van de gemeenten Helmond en Meierijstad en zijn opdrachtgever voor omkoping rondom illegale kentekenbevragingen. De boa heeft tegen betaling van € 20 tot € 30 per kenteken vertrouwelijke gegevens in gemeentelijke applicaties geraadpleegd en deze aan zijn opdrachtgever verstrekt. De opdrachtgever heeft die gegevens via Telegramgroepen voor € 80 per kenteken aan derden aangeboden. De rechtbank kwalificeert ook de bevragingen tijdens werktijd als computervredebreuk, omdat de boa zijn autorisatie heeft misbruikt en zijn inloggegevens daarmee op die momenten als valse sleutel hebben te gelden. De boa krijgt vijftien maanden gevangenisstraf waarvan vijf voorwaardelijk en een ambtsverbod van vijf jaren. De opdrachtgever krijgt twaalf maanden waarvan vier voorwaardelijk, mede vanwege het voorhanden hebben van een gasdrukpistool.

Inleiding en context

De rechtbank Oost-Brabant doet op 30 april 2026 in twee gelijktijdig behandelde strafzaken uitspraak over een omkopingsconstructie waarbij een buitengewoon opsporingsambtenaar tegen betaling vertrouwelijke kentekengegevens uit gemeentelijke systemen verstrekt aan een derde. Beide zaken worden in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer en zijn op tegenspraak gewezen na het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2026.

In de ene zaak staat de buitengewoon opsporingsambtenaar terecht, een natuurlijke persoon geboren in 1991, die ten tijde van de feiten werkzaam is bij de gemeenten Helmond en Meierijstad. In de andere zaak staat de opdrachtgever terecht, een natuurlijke persoon geboren in 1990 en woonachtig te Tilburg, die de boa benadert voor de bevragingen en hem daarvoor betaalt. De feiten spelen zich af in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024.

De opdrachtgever plaatst in Telegramgroepen advertenties waarin hij aanbiedt om tegen betaling van € 80 via een kenteken de gegevens van de eigenaar van het voertuig te achterhalen. Voor de aanvragen die hij via Telegram ontvangt, benadert hij de boa, die in zijn hoedanigheid van ambtenaar toegang heeft tot de gemeentelijke applicaties waarin kentekengegevens kunnen worden geraadpleegd. In ruil voor elke bevraging stuurt de boa een betaalverzoek aan de opdrachtgever, aanvankelijk voor € 20 per kenteken, later verhoogd naar € 30. De boa voorziet de betaalverzoeken van maskerende omschrijvingen zoals eten, spullen, benzine of drankjes. Bij de opdrachtgever wordt op 8 april 2024 te Tilburg ook een gasdrukpistool aangetroffen.

Uit het dossier blijkt dat de bevraging van een van de kentekens mogelijk heeft bijgedragen aan een ernstig misdrijf: enkele dagen na de bevraging vindt op het adres van de kentekenhouder een explosie plaats. De bevraging is aangetroffen op de telefoon van degene die wordt verdacht van het veroorzaken van die explosie.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Aan de boa wordt verweten dat hij zich als ambtenaar schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping (artikel 363 Sr) door giften aan te nemen tot een totaalbedrag van € 1.600, en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk in de gekwalificeerde vorm waarbij gegevens worden overgenomen, terwijl hij door dat feit een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden en gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken (artikel 138ab Sr in samenhang met artikel 44 Sr).

Aan de opdrachtgever wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan actieve omkoping van een ambtenaar (artikel 177 Sr) door geldbedragen aan de boa te doen toekomen met het oogmerk hem in zijn bediening tot bepaalde handelingen te bewegen. Daarnaast wordt hem verweten dat hij in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie een wapen van categorie I, onder 7°, voorhanden heeft gehad in de vorm van een gasdrukpistool.

Centraal in de zaak van de boa staat de juridische vraag of ook de bevragingen tijdens werktijd kunnen worden gekwalificeerd als computervredebreuk, gelet op het feit dat de boa over een rechtmatige autorisatie en inloggegevens beschikt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

In de zaak van de boa vordert het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren. Daarnaast vordert het Openbaar Ministerie de bijkomende straf van een ambtsverbod voor de duur van 75 maanden. Het Openbaar Ministerie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen en merkt op dat in elk geval de 46 bevragingen buiten werktijd als computervredebreuk kunnen worden bewezenverklaard.

In de zaak van de opdrachtgever vordert het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren. In beide zaken houdt het Openbaar Ministerie reeds rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de boa refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank, maar werpt wel de vraag op in hoeverre de bevragingen tijdens werktijd computervredebreuk opleveren. Voor de strafoplegging wijst de raadsman op de aanzienlijke impact van de zaak: de boa is in het bijzijn van zijn collega's aangehouden, heeft zijn baan verloren en heeft een periode geen inkomen gehad. Inmiddels heeft hij een vast contract bij een nieuwe werkgever en bouwt hij stabiliteit op binnen een nieuwe relatie waarin hij een belangrijke rol vervult voor het kind van zijn partner. De raadsman bepleit een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een maximale taakstraf van 240 uren en verzoekt rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

De raadsman van de opdrachtgever refereert zich eveneens aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring. Voor de strafoplegging benadrukt hij dat de opdrachtgever first offender is, vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven en kostwinner is voor zijn gezin. De raadsman bepleit een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf en verzoekt om een proeftijd van twee jaren.

Oordeel gerecht

In beide zaken oordeelt de rechtbank dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen gronden voor schorsing bestaan.

In de zaak van de boa beoordeelt de rechtbank uitdrukkelijk de vraag of ook de bevragingen tijdens werktijd kwalificeren als computervredebreuk. Onder verwijzing naar HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1691 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:610, overweegt de rechtbank dat een toegangscode of wachtwoord ook als valse sleutel kan worden aangemerkt indien de toegang weliswaar geautoriseerd is, maar slechts mocht worden verschaft voor de uitoefening van een bepaalde wettelijke taak of bepaalde werkzaamheden. De boa is geautoriseerd voor het gebruik van de applicaties waarmee kentekengegevens kunnen worden geraadpleegd, maar gebruikt zijn inloggegevens voor de bevragingen ten behoeve van de medeverdachte voor een ander doel dan de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarmee misbruikt hij zijn autorisatie, zodat zijn inloggegevens zowel tijdens als buiten werktijd als valse sleutel hebben te gelden. De rechtbank acht de computervredebreuk dan ook in zijn geheel bewezen.

De rechtbank acht de bewezenverklaringen in beide zaken wettig en overtuigend bewezen op grond van de bekennende verklaringen ter terechtzitting en de overige bewijsmiddelen, waaronder verschillende processen-verbaal van bevindingen.

In beide zaken constateert de rechtbank dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM met ruim drie weken is overschreden, hetgeen in de strafoplegging wordt verdisconteerd.

Bewezenverklaring

Bewezen wordt verklaard dat de boa:

  • in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 in Nederland als buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeenten Helmond en Meierijstad telkens een gift heeft aangenomen, in totaal € 1.600, wetende dat deze hem werd gedaan teneinde hem te bewegen om in zijn bediening kentekens te bevragen en de daaraan gekoppelde gegevens aan een onbevoegde derde te verstrekken;

  • in dezelfde periode in Nederland telkens opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in servers houdende gegevens van drie applicaties, door middel van een valse sleutel bestaande uit inloggegevens waaraan geen dienstbelang ten grondslag lag, en daaruit gegevens voor een ander heeft overgenomen, waarbij hij als ambtenaar een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden en gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.

Bewezen wordt verklaard dat de opdrachtgever:

  • in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 in Nederland telkens een gift in geld, in totaal € 1.600, heeft gedaan aan een buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeenten Helmond en Meierijstad, met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening kentekens te bevragen en de daaraan gekoppelde gegevens te verstrekken;

  • op 8 april 2024 te Tilburg een wapen van categorie I, onder 7°, van de Wet wapens en munitie, te weten een gasdrukpistool, voorhanden heeft gehad.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank stelt in beide zaken voorop dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een lichtere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf, zoals de verdediging in beide zaken bepleit, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

Voor de boa weegt de rechtbank zwaar mee dat hij in zijn hoedanigheid van ambtenaar het in hem gestelde vertrouwen ernstig heeft geschaad, voor eigen financieel gewin misbruik heeft gemaakt van zijn positie en zich op zijn minst bewust onwetend heeft gehouden over de achtergrond van de bevragingen. De rechtbank rekent hem zwaar aan dat hij heeft geprobeerd sporen te wissen door berichten in zijn telefoon te verwijderen en bij betaalverzoeken maskerende omschrijvingen te plaatsen. In zijn voordeel weegt de rechtbank de impact van de zaak op zijn persoonlijk leven en het tijdsverloop waarin geen nieuwe strafbare feiten zijn gepleegd. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast legt de rechtbank, gelet op de grove wijze waarop de boa misbruik heeft gemaakt van zijn positie, als bijkomende straf een ontzetting op van het recht het beroep van ambtenaar te bekleden voor de duur van vijf jaren. De rechtbank geeft het Openbaar Ministerie op grond van artikel 6:3:14, eerste lid, onder c, Sv opdracht toezicht te houden op de naleving van dit beroepsverbod. De rechtbank wijkt zowel ten aanzien van de proeftijd als de duur van het ambtsverbod af van de eis van het Openbaar Ministerie, dat een proeftijd van drie jaren en een ambtsverbod van 75 maanden had gevorderd.

Voor de opdrachtgever weegt de rechtbank in zijn voordeel mee dat hij first offender is, vanaf het eerste verhoor openheid van zaken heeft gegeven, kostwinner is voor zijn vrouw en drie kinderen en een stabiel leven heeft opgebouwd. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Op het punt van de proeftijd wijkt de rechtbank af van de eis van het Openbaar Ministerie van drie jaren, mede gelet op het tijdsverloop waarin zich geen nieuwe strafbare feiten hebben voorgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak in de zaak van de BOA en hier de volledige uitspraak in de zaak van de opdrachtgever.

Print Friendly and PDF ^