Interview met hoofd ILT-IOD: financieel onderzoek, doorlooptijden en meldingen in milieustrafzaken

Op Slachtofferwijzer, een platform van Fonds Slachtofferhulp, is een interview verschenen met Arnold Posthuma, hoofd van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Het artikel is op 4 mei 2026 gepubliceerd en op 5 augustus 2026 voor het laatst gewijzigd. Posthuma beschrijft daarin hoe de ILT-IOD als bijzondere opsporingsdienst onder gezag van het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzoek doet naar zware milieucriminaliteit, welke expertises de dienst daarvoor in huis heeft en welke rol meldingen van burgers, bedrijven en toezichthouders spelen. Juridisch raakt het interview aan de verdeling tussen bestuursrechtelijke handhaving door inspecteurs en omgevingsdiensten en strafrechtelijke opsporing door een bijzondere opsporingsdienst, aan het financieel onderzoek en de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, en aan de aansprakelijkheid van feitelijk leidinggevenden naast die van rechtspersonen. Daarnaast noemt Posthuma cijfers over de omvang van milieucriminaliteit en verwijst hij naar aangescherpte Europese regelgeving. Hieronder volgen de onderdelen van het interview die raken aan het financieel-economisch strafrecht, aangevuld met feitelijke achtergrond uit openbare bronnen.

De ILT-IOD als bijzondere opsporingsdienst

De ILT-IOD is een van de vier bijzondere opsporingsdiensten in Nederland, naast de FIOD, de opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de opsporingsdienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie. De dienst valt onder het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en werkt op grond van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten onder gezag van het Openbaar Ministerie. Volgens de eigen informatie van de ILT voert de dienst complexe strafrechtelijke opsporingsonderzoeken uit naar georganiseerde criminaliteit, milieudelicten en fraude met een internationale dimensie, en werkt zij samen met onder meer Europol, Interpol, EnviCrimeNet en IMPEL.

Posthuma noemt in het interview de samenstelling van de teams: milieutechnologen met kennis van zeer zorgwekkende stoffen, juristen die zijn gespecialiseerd in milieuwetgeving, forensisch accountants die geldstromen van ondernemingen in kaart brengen en een Team Criminele Inlichtingen dat informatie verzamelt via anonieme meldingen en informanten. Hij noemt als aandachtsgebieden het illegaal lozen van chemisch afvalwater, het dumpen van vaten met giftige stoffen en fraude met afvalverwerking.

Cijfers over omvang en schade

In het interview stelt Posthuma dat wereldwijd bijna € 240 miljard per jaar wordt verdiend met milieucriminaliteit. De bron van dat bedrag wordt in het artikel niet vermeld en kon niet worden geverifieerd. De schade in Nederland raamt hij op ongeveer € 5 miljard per jaar, waaronder herstelkosten bij vervuilde gebieden en extra zorgkosten. Dat bedrag komt overeen met de raming die Fonds Slachtofferhulp toeschrijft aan de Inspectie Leefomgeving en Transport, waarbij de gezondheidsschade afzonderlijk wordt geraamd op € 1,3 miljard per jaar. Hetzelfde fonds wijst erop dat Eurojust milieucriminaliteit aanmerkt als de vierde grootste vorm van georganiseerde criminaliteit.

Posthuma spreekt in het interview over twintig tot dertig dossiers per jaar. Het jaarverslag 2025 van de ILT-IOD vermeldt elf in dat jaar bij het Functioneel Parket ingeleverde dossiers, tegenover een doelstelling van twintig, en een sepotpercentage van 66 procent bij een norm van maximaal 19 procent. Het conservatoir beslag kwam volgens datzelfde jaarverslag uit op € 790.000, bij een doelstelling van € 4 miljoen. De thema's waarop de dienst zich richt zijn afval, bodem, zeer zorgwekkende stoffen, brandstoffen, ozonlaagafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen, en woningbouwcorporaties.

Afvalcriminaliteit als omgekeerd verdienmodel

Een deel van het interview gaat over de economische structuur van afvalcriminaliteit. Posthuma beschrijft die als een omgekeerd verdienmodel: een verwerker ontvangt afval en krijgt daarvoor betaald, omdat veilige verwerking duur is en aan strenge eisen is gebonden. Wanneer het afval vervolgens niet volgens die eisen wordt verwerkt, blijft de vergoeding in het bedrijf achter. Als voorbeeld noemt hij verscheping naar Afrikaanse landen, waar afval in de openlucht wordt verbrand.

Hij stelt daarbij dat de huidige milieuregels soms te algemeen zijn geformuleerd en dat ondernemers die zich wel aan de regels houden duurder uit zijn. Volgens Posthuma is milieucriminaliteit haalcriminaliteit: zij komt vaak pas aan het licht wanneer er actief naar wordt gezocht. Signalen komen volgens hem binnen via de ILT, de politie, de douane, omgevingsdiensten, bedrijven, omwonenden en werknemers, en daarnaast start de dienst zelf onderzoeken op aan de hand van risicoanalyses van de ILT en gegevens van de Financial Intelligence Unit Nederland.

Doorlooptijden en financieel onderzoek

Kleine onderzoeken duren volgens het interview enkele maanden, grote strafrechtelijke onderzoeken twee tot drie jaar. In die periode doet de dienst doorgaans geen mededelingen over lopend onderzoek. Posthuma beschrijft de werkzaamheden in die fase als het doornemen van dossiers, het spreken van informanten, het volgen van geldstromen en het inzetten van bijzondere opsporingsbevoegdheden, waarbij informatie met partners wordt gedeeld.

Naast het delict zelf richt de dienst zich op het financiële voordeel. Posthuma spreekt over het afpakken van criminele winst, wat in strafvorderlijke termen neerkomt op ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en verbeurdverklaring, voorafgegaan door conservatoir beslag. Het jaarverslag 2025 laat zien dat de dienst op dit punt in dat jaar onder de eigen doelstelling bleef.

De rol van het Openbaar Ministerie

Na afronding van een onderzoek gaat het dossier naar het Openbaar Ministerie. De officier van justitie beslist over vervolging. Posthuma benadrukt in het interview dat de ILT-IOD daarin geen beslissende rol heeft, dat de dienst niet elk signaal zelf kan onderzoeken en dat het opruimen van vervuiling niet bij de opsporingsdienst ligt maar bij de omgevingsdienst of de gemeente. Ook geeft hij aan dat capaciteit dwingt tot keuzes.

Op de vraag naar de gevolgen voor daders wijst hij op geldboetes voor ondernemingen en op gevangenisstraf bij ernstige feiten. Daarnaast stelt hij dat bestuurders zich niet achter een bedrijfsnaam zouden moeten kunnen verschuilen, een verwijzing naar het feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen van een rechtspersoon.

De in het interview genoemde zaken

Het interview noemt drie zaken zonder daarbij namen van natuurlijke personen te vermelden. De eerste betreft een olieonderneming waarvan een schip in 2006 met giftig afval vanuit Nederland naar Afrika voer. Die beschrijving komt overeen met de zaak rond de Probo Koala, waarin de rechtbank Amsterdam op 23 juli 2010 een geldboete van € 1 miljoen oplegde aan Trafigura wegens het verhullen van de aard van het afval bij afgifte en de uitvoer daarvan naar Ivoorkust. Het gerechtshof Amsterdam bevestigde die geldboete op 23 december 2011 in zaaknummer 23-003334-10.

De tweede zaak betreft een ondernemer met bedrijven in de haven van Amsterdam die gevaarlijk afval met kwik door brandstof en diervoeding zou hebben gemengd. Het interview vermeldt geldboetes tot € 1,5 miljoen en een gevangenisstraf van vier jaar. Een rechterlijke uitspraak met deze uitkomst kon niet worden geverifieerd. Wel eiste het Openbaar Ministerie in mei 2023 in een Amsterdamse zaak met vergelijkbare kenmerken vier jaar gevangenisstraf waarvan een jaar voorwaardelijk en een geldboete van € 750.000 tegen een feitelijk leidinggevende, naast geldboetes van € 650.000 tot € 1,5 miljoen tegen vijf rechtspersonen. In die zaak ging het onder meer om het als geschikt voor diervoeding aanmerken van stoffen die dat niet waren, om te hoge gehaltes kwik en metalaxyl, om valse documenten, om illegale biodieselproductie en om deelname aan een criminele organisatie. Of het interview op deze zaak doelt, blijkt niet uit het artikel.

De derde zaak is wel te herleiden. Posthuma verwijst naar een melding uit de afvalbranche die leidde tot een onderzoek naar illegale export van kunststofafval. De ILT berichtte op 7 augustus 2025 over de veroordelingen in die zaak door de rechtbank Rotterdam. Volgens dat bericht ging het om achttien containers met vervuilde kunststofmengsels bestemd voor landen in Azië en Afrika, waarvoor export verboden was of een kennisgeving vereist was. De hoofdverdachte kreeg een bestuursverbod van vijf jaar, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 240 uur, en moet € 141.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel terugbetalen. Drie betrokken rechtspersonen kregen samen € 110.000 aan geldboetes; drie medeverdachten kregen taakstraffen van 60, 80 en 150 uur, waarbij de taakstraf van 60 uur werd opgelegd voor witwassen. Het onderzoek van de ILT-IOD liep in 2019 en 2020, met medewerking van Belgische en Duitse autoriteiten.

Europese regelgeving

In het interview spreekt Posthuma de verwachting uit dat strengere Europese richtlijnen de aanpak van milieucriminaliteit versterken. Het gaat daarbij om Richtlijn (EU) 2024/1203 van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, die de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG vervangt. De implementatietermijn verstreek op 21 mei 2026.

Het wetsvoorstel Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit is eind december 2025 bij de Tweede Kamer ingediend. Het verslag dateert van 13 februari 2026, de nota naar aanleiding van het verslag van 20 mei 2026 en een wetgevingsoverleg staat gepland op 12 oktober 2026. Volgens de toelichting bij het wetsvoorstel sluit de Nederlandse strafwetgeving al in belangrijke mate aan bij de richtlijn en bevat het voorstel een beperkt aantal aanscherpingen, waaronder strafbaarstelling van het op de markt brengen van producten waarvan het gebruik op grotere schaal aanzienlijke schade veroorzaakt, uitbreiding van de artikelen 161quater, 161quinquies, 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht, opname van definities van beschermd habitat en ecosysteem en aanpassing van enkele strafmaxima. De parlementaire behandeling is nog niet afgerond.

Voor de afvalketen is daarnaast de herziene Verordening (EU) 2024/1157 betreffende de overbrenging van afvalstoffen van belang. Volgens de ILT geldt sinds 21 mei 2026 een kennisgevingsplicht voor de uitvoer van kunststofafval onder code B3011 naar landen buiten de Europese Unie, en geldt vanaf 21 november 2026 een verbod op de uitvoer van dat afval naar landen die geen lid zijn van de OESO.

Melden bij de ILT-IOD

Het interview besteedt aandacht aan meldingen. Posthuma stelt dat milieucriminaliteit zich vaak onttrekt aan directe waarneming, omdat zij zich onder de grond of in administratie afspeelt, en dat meldingen daardoor een informatiepositie opbouwen die tot onderzoek kan leiden. Melden kan via de Infodesk van de ILT-IOD op telefoonnummer 070-4566523 en per e-mail via iod.infodesk@ilent.nl. Anoniem melden kan via het Team Criminele Inlichtingen op telefoonnummer 070-4564577.

Afsluiting

Het interview op Slachtofferwijzer geeft een beschrijving van de werkwijze van de ILT-IOD door het hoofd van die dienst en bevat geen nieuwe beleidsvoornemens of besluiten. De cijfers over dossieraantallen die in het interview worden genoemd wijken af van de aantallen in het jaarverslag 2025 van de dienst, waarin elf ingeleverde dossiers en een sepotpercentage van 66 procent zijn opgenomen. De verwijzing naar strengere Europese regels betreft Richtlijn (EU) 2024/1203, waarvan de implementatietermijn op 21 mei 2026 is verstreken terwijl het implementatiewetsvoorstel nog bij de Tweede Kamer ligt. Voor de overbrenging van kunststofafval gelden sinds 21 mei 2026 aanvullende kennisgevingsverplichtingen en volgt op 21 november 2026 een uitvoerverbod naar landen buiten de OESO. Van de in het interview genoemde voorbeeldzaken kon de zaak over de illegale export van kunststofafval worden geverifieerd; van de zaak over het mengen van kwikhoudend afval kon de rechterlijke uitspraak niet worden achterhaald.

Print Friendly and PDF ^