Rechtspersoon beboet voor structurele schending Wwft-verplichtingen bij contante autoverkoop

Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:55

Bedrijf 1 B.V. wordt veroordeeld voor het niet melden van vier contante transacties boven de 25.000 euro en het schenden van Wwft-verplichtingen. Een deel van de feiten is verjaard; het hof verklaart het OM deels niet-ontvankelijk. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden; toezeggingen over het uitblijven van vervolging zijn niet aannemelijk. Cliëntenonderzoek en bewaarplicht zijn bij meerdere transacties niet nageleefd. Het hof legt een geheel voorwaardelijke geldboete van 15.000 euro op.

Context van de zaak

Het gerechtshof Amsterdam doet uitspraak in een strafzaak tegen bedrijf 1 B.V., een rechtspersoon gevestigd in Nederland, actief als autohandelaar. Aanleiding is het structureel niet naleven van verplichtingen die voortvloeien uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) in de periode 2013–2015. De verdachte wordt verweten dat zij in een reeks transacties waarbij voertuigen voor aanzienlijke bedragen contant zijn verkocht, geen melding heeft gedaan van ongebruikelijke transacties, geen cliëntenonderzoek heeft verricht en niet heeft voldaan aan de bewaarplicht.

De procedure betreft een hoger beroep tegen een eerdere veroordeling door de rechtbank Amsterdam, waarin de verdachte tot een geldboete van 100.000 euro is veroordeeld. Het gerechtshof komt deels tot een andere beoordeling.

Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat zij:

In strijd met artikel 16 Wwft nagelaten heeft melding te maken van meerdere contante transacties van 25.000 euro of meer;

In strijd met artikel 3 Wwft geen dan wel onvolledig cliëntenonderzoek heeft verricht bij diverse contante transacties;

In strijd met artikel 33 Wwft de gegevens van cliënten niet op toegankelijke wijze heeft bewaard na afloop van de betreffende transacties.

De betrokken transacties betroffen betalingen van onder meer 119.000 euro, 35.500 euro en 32.250 euro, allen contant voldaan. Deze betalingen hadden naar het oordeel van het openbaar ministerie en later ook het hof als ongebruikelijk moeten worden gemeld.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige, structurele schendingen van de Wwft. Hij beschouwt de tenlastegelegde feiten deels als voortdurende omissiedelicten, waardoor de verjaringstermijn pas later zou zijn gaan lopen. Het OM vordert een deels voorwaardelijke geldboete van 15.000 euro.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat een deel van de tenlastegelegde feiten verjaard is en dat het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Tevens wordt betoogd dat toezichthoudende ambtenaren de verdachte in 2016 de indruk zouden hebben gegeven dat bij het alsnog doen van meldingen geen strafvervolging zou volgen, waarmee het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden.

Ook stelt de verdediging dat de verdachte wél cliëntenonderzoek heeft verricht bij enkele transacties, bijvoorbeeld door middel van RDW-registraties en gedeeltelijke bankoverschrijvingen. Tevens wordt gesteld dat bij de controle in 2015 bepaalde gegevens wel beschikbaar waren en dat daarmee de bewaarplicht zou zijn nageleefd.

Oordeel van het gerechtshof

Het gerechtshof stelt vast dat een deel van de dagvaarding nietig is vanwege het onduidelijke gebruik van de term “onder meer” in de tenlastelegging, waardoor onvoldoende duidelijk is tegen welke gedragingen de verdachte zich moest verweren.

Verder oordeelt het hof dat het openbaar ministerie ten aanzien van de oudste transacties (uit 2013 en begin 2014) niet-ontvankelijk is vanwege absolute verjaring. Met name transacties van 26 februari 2013 en 28 maart 2013 vallen daaronder.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen. Volgens het hof zijn toezeggingen over het achterwege blijven van vervolging niet voldoende aannemelijk geworden op basis van verklaringen van betrokken toezichthouders en de verdachte zelf.

Het verweer over schending van de cautieplicht wordt onbesproken gelaten omdat de betreffende verklaring niet wordt gebruikt voor het bewijs.

Ten aanzien van het cliëntenonderzoek (artikel 3 Wwft) wordt geoordeeld dat de verdachte ten onrechte heeft nagelaten om voorafgaand aan transacties de identiteit van cliënten of uiteindelijk belanghebbenden vast te stellen. RDW-registraties en bankbetalingen kunnen dit gebrek niet compenseren. De verdachte wordt echter partieel vrijgesproken van het niet verrichten van cliëntenonderzoek bij de transactie met bedrijf 8, omdat daaruit blijkt dat het identiteitsbewijs wel aanwezig was.

Met betrekking tot de bewaarplicht (artikel 33 Wwft) wordt alleen de schending ten aanzien van de transactie met bedrijf 8 bewezen verklaard. Ten aanzien van andere transacties ontbreekt de noodzakelijke hoedanigheid van “instelling” die cliëntenonderzoek heeft verricht, waardoor ook de bewaarplicht niet van toepassing is.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte:

Vier ongebruikelijke transacties niet heeft gemeld (artikel 16 Wwft);

Drie transacties heeft uitgevoerd zonder voorafgaand cliëntenonderzoek (artikel 3 Wwft);

In één geval gegevens niet toegankelijk heeft bewaard (artikel 33 Wwft).

Strafoplegging

Hoewel de rechtbank eerder een geldboete van 100.000 euro oplegde, houdt het hof rekening met:

De forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep (meer dan vier jaar);

De structurele verbetermaatregelen die de verdachte sinds het toezichtsonderzoek heeft getroffen;

De ernst van de feiten, waaronder het belemmeren van toezicht op witwaspraktijken.

Het hof legt daarom een geldboete van 15.000 euro op, volledig voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het enkele feit dat de redelijke termijn is overschreden, leidt niet tot strafvermindering maar wordt vastgesteld zonder gevolg.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^