Ongebruikelijke transacties, onvolledig cliëntenonderzoek en het falen van toezicht: verdachte krijgt voorwaardelijke taakstraf
/Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:56
Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt een directeur van een autohandel voor feitelijke leiding aan Wwft-overtredingen. Hij meldt vier ongebruikelijke contante transacties van boven de 25.000 euro niet aan de FIU. Daarnaast voert hij bij drie transacties geen of onvolledig cliëntenonderzoek uit. Ook voldoet hij bij één transactie niet aan de bewaarplicht voor klantgegevens. Het hof verklaart delen van de dagvaarding nietig en enkele feiten verjaard. De verdachte krijgt een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur met een proeftijd van twee jaar.
Context van de zaak
In deze strafzaak staat een natuurlijk persoon terecht als feitelijk leidinggever van bedrijf 2 B.V., een onderneming die zich beroepsmatig bezighoudt met de handel in voertuigen. De verdachte is enig bestuurder en aandeelhouder van de rechtspersoon. De onderneming wordt verweten dat zij op structurele wijze heeft gehandeld in strijd met bepalingen uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals die golden ten tijde van de verweten gedragingen. Het betreft onder meer het niet (tijdig) melden van ongebruikelijke transacties, het niet uitvoeren van cliëntenonderzoek en het niet naleven van de bewaarplicht. De feiten zouden zich hebben voorgedaan in de periode van begin 2013 tot en met eind 2015, voornamelijk in Woerden.
Het betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2019. De verdachte is door de rechtbank gedeeltelijk vrijgesproken en gedeeltelijk veroordeeld tot een taakstraf. Tegen die beslissing is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan overtredingen van de Wwft door bedrijf 2 B.V., bestaande uit:
Het niet melden van meerdere ongebruikelijke contante transacties van bedragen van 25.000 euro of meer, binnen de daarvoor geldende termijn;
Het niet of onvolledig verrichten van cliëntenonderzoek voorafgaand aan transacties;
Het niet bewaren van cliëntgegevens op een toegankelijke wijze gedurende de wettelijk voorgeschreven termijn.
Een aantal transacties is nader gespecificeerd in de dagvaarding, waarbij de bedragen en betrokken partijen per transactie zijn opgenomen.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat er sprake is van voortdurende omissiedelicten, waarbij de delictsomschrijving pas als voltooid kan worden aangemerkt op het moment dat aan de wettelijke verplichting is voldaan. De verjaringstermijn zou in dat geval pas aanvangen op het moment van latere melding of bij definitieve beëindiging van de overtreding. Gezien de meldingen die op 29 juni 2016 alsnog zijn gedaan, acht het openbaar ministerie zich ontvankelijk in de vervolging.
Ten aanzien van de strafmaat eist de advocaat-generaal een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert meerdere verweren, waaronder:
De dagvaarding is partieel nietig, nu het gebruik van de term “onder meer” onduidelijkheid schept over de exacte gedragingen waartegen de verdachte zich moet verdedigen.
Een aantal feiten is verjaard, gezien het niet voortdurende karakter van de verweten gedragingen.
Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk in de vervolging van bepaalde feiten vanwege het vertrouwensbeginsel: toezichthoudende ambtenaren zouden hebben gesuggereerd dat er geen strafvervolging zou volgen indien alsnog meldingen werden gedaan.
Verklaringen van de verdachte dienen van het bewijs te worden uitgesloten vanwege schending van de cautieplicht en het recht op rechtsbijstand.
Oordeel van het gerechtshof
Het gerechtshof komt tot een aantal belangrijke beslissingen:
De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het onderdeel van de oorspronkelijke vrijspraak door de rechtbank, aangezien daarop geen rechtsmiddel openstaat.
De dagvaarding wordt partieel nietig verklaard voor zover sprake is van de woorden “onder meer”, nu deze onvoldoende concreet zijn.
Een aantal tenlastegelegde gedragingen is verjaard, waaronder transacties uit begin 2013.
Het hof verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel: uit de verklaringen van toezichthoudende ambtenaren blijkt niet van een toezegging dat er geen strafvervolging zou volgen.
Het hof maakt bij het bewijs geen gebruik van de verklaring van de verdachte die is afgelegd tijdens een Wwft-controle, zodat het verweer over de cautieplicht onbesproken kan blijven.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan:
Het niet melden van vier ongebruikelijke contante transacties met een waarde tussen 32.200 en 119.000 euro;
Het niet verrichten van cliëntenonderzoek bij drie transacties, waaronder die met persoon 3, bedrijf 9 en persoon 2;
Het niet op toegankelijke wijze bewaren van gegevens na de transactie met bedrijf 8.
Van de overige tenlastegelegde feiten wordt de verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs of verjaring.
Strafoplegging
Hoewel het hof een taakstraf passend acht, mede gelet op het structurele karakter van de overtredingen en het belang van de Wwft voor de opsporing van financieel-economische criminaliteit, houdt het hof bij de straftoemeting rekening met:
De inspanningen van de verdachte om het beleid van bedrijf 2 B.V. aan te passen, waaronder het stoppen met het aannemen van contante betalingen;
De aanzienlijke tijd die sinds de tenlastegelegde feiten is verstreken, met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van meer dan vier jaar.
Het hof komt daarom tot een gematigde sanctie: een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur, met een proeftijd van twee jaren. Indien de straf niet wordt verricht, geldt een vervangende hechtenis van 30 dagen.
Lees hier de volledige uitspraak.
