Rechter-commissaris mag geheimhoudersinformatie ‘uitgrijzen’ zonder vernietiging: opdracht tot toevoegen logbestanden overschrijdt bevoegdheid beklagrechter
/Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:172
De rechtbank verklaart het beklag over het ‘uitgrijzen’ van geheimhoudersinformatie ongegrond. Zij geeft daarnaast de officier van justitie opdracht om toekomstige logbestanden aan het dossier toe te voegen. Het openbaar ministerie stelt cassatie in tegen deze opdracht. De Hoge Raad oordeelt dat de beklagrechter hiertoe niet bevoegd is. De bestreden beschikking wordt gedeeltelijk vernietigd, alleen voor zover het de logbestanden betreft.
Achtergrond
In deze zaak dient de Hoge Raad cassatie te beoordelen tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025. Het gaat om een klaagschrift ex artikel 98 lid 4 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door een in Duitsland gevestigde producent van medische apparatuur (klaagster). De klaagster is niet de verdachte, maar haar gegevens zijn in beslag genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen haarzelf en een medeklaagster op verdenking van valsheid in geschrift. Dit betreft een verdenking van overtreding van artikel 225 Sr.
In de procedure is sprake van gegevens die als geheimhoudersinformatie zijn aangemerkt. De rechter-commissaris heeft besloten deze gegevens, die zich bevonden op databestanden die in beslag zijn genomen, niet te vernietigen maar ontoegankelijk te maken voor het onderzoeksteam van de FIOD door middel van ‘uitgrijzen’. De klaagster heeft hiertegen een beklag ingediend bij de rechtbank, met het verzoek om vernietiging van deze informatie. De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en het standpunt van de rechter-commissaris gevolgd.
Daarnaast heeft de rechtbank in haar beschikking zelfstandig bepaald dat de officier van justitie toekomstige logbestanden, waarin staat wie, wanneer en hoe lang toegang heeft gehad tot bepaalde gegevens, tijdig dient toe te voegen aan het strafdossier. Deze opdracht is gegeven met het oog op de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.
Het openbaar ministerie heeft cassatie ingesteld tegen deze laatste beslissing van de rechtbank. De cassatie is gericht tegen de opdracht aan de officier van justitie met betrekking tot de logbestanden. Namens de klaagster is verweer gevoerd door de advocaten A.H.J. Saes en M. te Stroet uit Amsterdam.
Middel
Het enige cassatiemiddel klaagt over het onderdeel van de beschikking waarin de rechtbank aan de officier van justitie de opdracht geeft toekomstige logbestanden tijdig toe te voegen aan het dossier. Volgens het openbaar ministerie is deze beslissing in strijd met het wettelijk systeem, omdat de wet geen grondslag biedt voor een dergelijke opdracht binnen een beklagprocedure op grond van artikel 552a Sv.
Het middel stelt dat de rechtbank met deze beslissing haar bevoegdheid als beklagrechter heeft overschreden, aangezien een beklagrechter enkel mag oordelen over de rechtmatigheid van het beslag en niet over de inrichting van het strafdossier ten behoeve van de inhoudelijke behandeling.
Beoordeling hoge raad
De Hoge Raad acht het middel gegrond en wijst in zijn beoordeling op de gelijktijdig gewezen beschikking in de zaak met nummer 25/01484, ECLI:NL:HR:2026:171. Ook in die zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechtbank in een beklagprocedure als bedoeld in artikel 552a Sv niet bevoegd is om een opdracht te geven aan het openbaar ministerie om bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen.
De Hoge Raad overweegt dat de wet uitputtend regelt in welke gevallen en op welke wijze de samenstelling van het strafdossier moet plaatsvinden. De beklagrechter is uitsluitend bevoegd te oordelen over het beklag tegen het beslag. Een opdracht van de rechtbank in deze context aan de officier van justitie om toekomstige logbestanden aan het procesdossier toe te voegen, kan niet worden gebaseerd op enige wettelijke bepaling. Hiermee treedt de rechtbank buiten het wettelijk kader van haar bevoegdheid als beklagrechter.
Nu de overwegingen van de rechtbank deze bevoegdheid te buiten gaan en het middel daarom slaagt, vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking, maar uitsluitend voor zover daarin aan de officier van justitie de opdracht is gegeven om toekomstige logbestanden toe te voegen aan het strafdossier. Voor het overige blijft de beschikking van de rechtbank in stand, waaronder de beslissing dat het uitgrijzen van geheimhoudersinformatie in plaats van vernietiging toelaatbaar is.
Lees hier de volledige uitspraak.
