Leidinggeven aan internationale accijnsfraude leidt tot gevangenisstraf met gedeeltelijke voorwaardelijke oplegging
/Rechtbank Oost-Brabant 3 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:697
De rechtbank veroordeelt een voormalig bestuurder van een accijnsgoederenbedrijf wegens grootschalige accijnsfraude. De verdachte geeft feitelijk leiding aan het opmaken, gebruiken en administreren van valse documenten zoals e-AD’s, CMR’s en facturen. Het doel is om fictieve alcoholtransporten binnen de EU te simuleren en zo accijnzen te ontwijken. De rechtbank acht bewezen dat verdachte bewust heeft bijgedragen aan deze papieren werkelijkheid en internationale misleiding. Wegens de ernst, omvang en het ondermijnende karakter van de fraude legt de rechtbank 14 maanden cel op, waarvan 7 voorwaardelijk. De straf valt lager uit door medewerking van verdachte en overschrijding van de redelijke termijn.
Context van de zaak
In deze strafzaak staat een natuurlijk persoon terecht die als bestuurder en feitelijk leidinggever van een rechtspersoon, bedrijf 1, betrokken is bij een omvangrijke accijnsfraude. Bedrijf 1 is op 8 december 2017 opgericht en opereert als accijnsgoederenplaats (AGP) in Rucphen. Vanuit deze positie hield het bedrijf zich bezig met de opslag en doorvoer van alcoholische dranken binnen de Europese Unie, onder het EU-brede systeem voor accijnsschorsing (EMCS). In 2019 komt bedrijf 1 in beeld bij de Nederlandse Douane, waarna een strafrechtelijk onderzoek volgt onder de naam “Fairfield Bay”.
Het bedrijf blijkt samen te werken met diverse andere Europese bedrijven bij het opstellen en gebruiken van valse administratieve documenten, vrachtbrieven (CMR's) en facturen, met als doel om accijns te ontwijken. De verdachte is sinds oprichting betrokken bij de bedrijfsvoering en bekleedt vanaf november 2019 ook formeel de enige bestuurspositie. Hij geeft leiding aan de uitvoering van deze frauduleuze handelingen.
De tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij:
Feitelijk leiding heeft gegeven aan het opmaken van valse documenten door bedrijf 1 (feit 1);
Feitelijk leiding heeft gegeven aan het opnemen van deze valse documenten in de bedrijfsadministratie (feit 2);
Feitelijk leiding heeft gegeven aan het gebruik van een valse factuur (feit 3).
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en eist een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Tevens kondigt zij aan een ontnemingsvordering te overwegen op grond van artikel 36e Sr.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging pleit voor partiële vrijspraak, onder meer ten aanzien van enkele e-AD’s met Franse codes waarbij bedrijf 1 slechts als ontvanger zou hebben gefungeerd, en ten aanzien van CMR’s die volgens de raadsvrouw geen bewijsbestemming hebben. Daarnaast wordt vrijspraak gevraagd voor twee facturen die in de visie van de verdediging wel degelijk de betaling van accijns weergeven. Ook verzoekt de verdediging bij strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn blanco strafblad en gezinssituatie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat bedrijf 1 zich in een internationaal samenwerkingsverband schuldig maakt aan accijnsfraude, door administratief een fictieve invoer en uitvoer van accijnsgoederen te simuleren. Dit gebeurt door het manipuleren van het EMCS-systeem en het opmaken van valse vrachtbrieven en facturen. Verdachte geeft samen met zijn medebestuurder bewust en structureel leiding aan deze handelswijze.
Ten aanzien van de e-AD’s en CMR’s oordeelt de rechtbank dat deze opzettelijk vals zijn opgemaakt en zijn aangewend ter misleiding van Europese douaneautoriteiten. Het verweer dat bedrijf 1 bij sommige zendingen slechts als passieve ontvanger zou hebben opgetreden, wordt verworpen. De rechtbank acht bewezen dat bedrijf 1 bewust onjuiste gegevens heeft ingevoerd en daarmee mede verantwoordelijk is voor het creëren van een papieren werkelijkheid.
Met betrekking tot de facturen komt de rechtbank tot een partiële vrijspraak: twee van de drie betwiste facturen blijken geen valse elementen te bevatten. De derde factuur, gericht aan bedrijf 4, vermeldt kosten voor 'warehouse handling' die nooit hebben plaatsgevonden, omdat het bijbehorende transport fictief is. Deze factuur is valselijk opgemaakt en daadwerkelijk door bedrijf 1 gebruikt.
Ten aanzien van feit 2 wordt het opnemen van de e-AD’s en genoemde factuur in de bedrijfsadministratie bewezen geacht. De rechtbank acht niet bewezen dat CMR’s daadwerkelijk in de administratie zijn opgenomen, nu zij buiten het administratieve systeem zijn aangetroffen.
Voor feit 3 verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor de onderdelen a) (e-AD’s) en b) (CMR’s), wegens het bestaan van een specifieke strafbepaling in de Algemene Douanewet en de AWR die exclusieve vervolging bij die gronden voorschrijft. Ten aanzien van onderdeel c), de valse factuur aan bedrijf 4, is wel bewezen dat deze opzettelijk is gebruikt.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan:
Het medeplegen van valsheid in geschrift door bedrijf 1 door het opmaken van valse e-AD’s, CMR’s en een factuur;
Het opnemen van deze valse documenten in de bedrijfsadministratie;
Het opzettelijk gebruik van een valse factuur als ware deze echt.
De strafoplegging
De rechtbank acht een forse gevangenisstraf passend gelet op de ernst, duur en professionaliteit van de gepleegde fraude. Verdachte geeft toe dat hij samen met zijn medebestuurder het initiatief heeft genomen voor deze frauduleuze praktijken. Hij erkent daarbij zijn aansturende rol, ook ten aanzien van de werknemer die verantwoordelijk was voor het EMCS-systeem.
Er is sprake van een ondermijnend delict dat het vertrouwen in AGP-vergunninghouders en het Europees douanesysteem schaadt. Bovendien leidt dit tot oneerlijke concurrentie voor bonafide marktdeelnemers. De rechtbank weegt mee dat verdachte geen strafblad heeft, openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft genomen. Tevens wordt strafvermindering toegepast vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met bijna drie jaar.
De rechtbank komt uiteindelijk tot een lagere straf dan door het Openbaar Ministerie geëist. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Lees hier de volledige uitspraak.
