Hoge Raad stelt grenzen aan strafbaarheid bij weigering fouillering
/Hoge Raad 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:83
Verdachte werd veroordeeld voor het niet voldoen aan een bevel tot medewerking aan fouillering in een veiligheidsrisicogebied. Volgens het hof had de politie dit bevel gegeven op grond van artikel 126zs Sv. De Hoge Raad oordeelt dat deze bepaling geen uitdrukkelijke bevoegdheid bevat om een strafbaar bevel te geven. Daarom is de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd en slaagt het cassatieberoep. De uitspraak van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen.
Achtergrond
De verdachte, geboren in 1992, is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 november 2023 veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast. Het hof acht bewezen dat de verdachte op 12 augustus 2021 in [plaats] opzettelijk geen gevolg heeft gegeven aan een bevel van politieambtenaren om mee te werken aan een onderzoek aan zijn kleding. Deze vordering vond plaats binnen het veiligheidsrisicogebied [A], waar op dat moment extra politietoezicht gold vanwege een dreiging rond de uitzending van een televisieprogramma.
Op grond van informatie uit politiesystemen, die de politie in verband bracht met deze dreiging, werd de verdachte staande gehouden en bevolen mee te werken aan een preventieve fouillering. Toen hem werd meegedeeld dat hij daartoe moest meewerken, is de verdachte weggerend. Zowel de politierechter als het hof hebben dit gedrag gekwalificeerd als het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel in de zin van artikel 184 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verdachte is veroordeeld tot een geldboete van 250 euro, te vervangen door vijf dagen hechtenis bij gebreke van betaling en verhaal.
Tegen deze veroordeling is namens de verdachte cassatie ingesteld. De verdediging wordt gevoerd door mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht. Er is één cassatiemiddel voorgesteld.
Middel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een bevel of vordering in de zin van artikel 184 lid 1 Sr. De verdediging voert aan dat het door de politie gegeven bevel tot medewerking aan de fouillering geen grondslag vindt in een wettelijk voorschrift dat de politie uitdrukkelijk de bevoegdheid geeft tot het geven van een dergelijk bevel. Daarmee ontbreekt een essentieel bestanddeel voor een veroordeling op grond van artikel 184 Sr.
Beoordeling hoge raad
De Hoge Raad begint zijn beoordeling met het uitgangspunt dat artikel 184 lid 1 Sr straf stelt op het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, mits dat bevel of die vordering is gedaan krachtens een wettelijk voorschrift door een daartoe bevoegde ambtenaar. Voor de toepassing van deze strafbepaling is vereist dat het wettelijk voorschrift op grond waarvan het bevel of de vordering is gedaan, uitdrukkelijk de bevoegdheid bevat tot het geven van dat bevel of het doen van die vordering.
De Hoge Raad verwijst in dit verband naar zijn arrest van 29 januari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB4108), waarin dit vereiste is geformuleerd. Het bevel of de vordering moet dus zijn verankerd in een bepaling die expliciet de bevoegdheid creëert om een dergelijk bevel te geven.
De tenlastelegging en bewezenverklaring in deze zaak zijn toegesneden op artikel 184 lid 1 Sr, waarbij als wettelijk voorschrift artikel 126zs van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is genoemd. Volgens deze bepaling is de opsporingsambtenaar bij bevel van de officier van justitie bevoegd om personen aan de kleding te onderzoeken in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf. In veiligheidsrisicogebieden kan onder voorwaarden ook zonder afzonderlijk bevel van de officier van justitie worden opgetreden.
De Hoge Raad overweegt dat artikel 126zs Sv weliswaar de bevoegdheid regelt voor opsporingsambtenaren om onder bepaalde omstandigheden een onderzoek aan kleding uit te voeren, maar dat deze bepaling niet uitdrukkelijk inhoudt dat een opsporingsambtenaar bevoegd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering zoals bedoeld in artikel 184 lid 1 Sr. Met andere woorden: de bevoegdheid tot fouilleren impliceert niet automatisch de bevoegdheid tot het geven van een strafrechtelijk afdwingbaar bevel tot medewerking.
Het hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat de verdachte niet heeft voldaan aan een bevel of vordering krachtens artikel 126zs Sv. Daarmee heeft het hof aangenomen dat artikel 126zs Sv een voldoende wettelijke grondslag vormt voor de oplegging van straf op grond van artikel 184 Sr. De Hoge Raad acht dit oordeel echter onjuist. Aangezien artikel 126zs Sv niet expliciet voorziet in de bevoegdheid voor politieambtenaren om een zodanig bevel te geven, is de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘krachtens wettelijk voorschrift’ ontoereikend gemotiveerd.
De conclusie van de advocaat-generaal was in lijn hiermee en strekte tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof.
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Lees hier de volledige uitspraak.
