Acht maanden gevangenisstraf voor SVB-medewerker wegens pgb-fraude en vervalst coronatestbewijs

De Rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 25 februari 2026 een medewerker van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Bewezen is verklaard dat hij samen met anderen de SVB heeft opgelicht voor 94.341 euro aan persoonsgebonden budget (pgb) en heeft geprobeerd dit te doen voor nog eens 109.771,60 euro. Daarnaast is hij veroordeeld voor het afleveren en voorhanden hebben van een vervalst coronatestbewijs in mei 2021. De zaak is een vervolg op het strafrechtelijke onderzoek dat de recherche zorgfraude van de Nederlandse Arbeidsinspectie in april 2022 publiek maakte met de aanhouding van drie verdachten, onder wie twee SVB-medewerkers. Het vonnis is voor de bijzonder-strafrechtpraktijk illustratief omdat het laat zien hoe interne (digitale) sporen, in samenhang met communicatie via WhatsApp en forensisch onderzoek, een veroordeling voor medeplegen van oplichting (art. 326 Sr) kunnen schragen wanneer de fraude zich grotendeels binnen de muren van de uitvoeringsinstantie zelf afspeelt.

De feiten: pgb-fraude vanuit de SVB

Aanleiding voor het strafrechtelijke onderzoek was een aangifte van Zorgkantoor VGZ van 6 oktober 2020. De SVB ontving in de periode van 24 juli 2019 tot en met 10 november 2021 in totaal twintig valselijk opgemaakte wijzigings- en verantwoordingsformulieren rond Wlz-pgb. Per post werden formulieren ingestuurd waarin de gegevens van budgethouders en zorgverleners werden overgenomen uit reeds lopende dossiers, maar waarin de IBAN-nummers en de tenaamstellingen van de uitbetalingsrekening werden vervangen door rekeningen van katvangers. In twaalf van de twintig gevallen ging de SVB tot uitbetaling over.

Een terugkerend patroon in de valse formulieren was dat met terugwerkende kracht een wijziging werd verzocht van een uurvergoeding naar een vast maandloon. Bij die keuze vervalt de verplichting tot het indienen van declaraties, waardoor uitbetaling snel kon plaatsvinden zonder verdere onderbouwing. De rechtbank stelt vast dat de daders moeten hebben geweten dat deze constructie de declaratieplicht doorbrak.

Onderzoek door de SVB naar de loggegevens van het interne dossiersysteem leidde tot drie verdachten, allen werkzaam bij de afdeling die de wijzigingsverzoeken behandelde. Twee van hen, ook SVB-medewerkers, zijn buiten dit vonnis afgedaan. Aan een van hen is volgens het vonnis een strafbeschikking opgelegd voor het medeplegen van (een poging tot) oplichting; de andere kreeg bij vonnis vier maanden gevangenisstraf, waarvan twee voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan twee betrokken katvangers is een strafbeschikking voor (schuld)witwassen opgelegd. De SVB heeft naar aanleiding van het onderzoek de procedures voor het wijzigen van bankgegevens aangepast.

Het bewijsfundament

De rechtbank steunt de bewezenverklaring van het medeplegen op een combinatie van bewijsmiddelen die karakteristiek is voor dit type interne fraudezaken. Centraal staan de loggegevens uit het systeem van de SVB. Daaruit komt naar voren dat de verdachte en zijn medeverdachten de betrokken dossiers afwijkend vaak raadpleegden, met name op momenten die in de tijd samenvielen met WhatsApp-conversaties tussen hen waarin werd gesproken over dossiernummers, persoonsgegevens, de status van wijzigingsverzoeken en uitbetalingen. De inhoud van die berichten is door de rechtbank als zeer belastend gekwalificeerd, waarbij het gebruik van versluierende termen, waaronder Arabische telwoorden voor klantnummers en straattaal voor 'dossiers', niet aan dit oordeel afdoet.

Het bewijs werd aangevuld met forensisch onderzoek. Op een van de bij de SVB onderschepte valse formulieren werd een vingerafdruk aangetroffen die volgens de politie tot individualisatie op de verdachte leidde. Daarnaast is vastgesteld dat de verdachte bij een van de katvangers langs is geweest om een creditcard op te halen en die af te leveren bij een medeverdachte. Het verweer dat de raadpleging van dossiers en het onderling delen van klantgegevens binnen de reguliere werkzaamheden zou passen, en dat dit gericht was op acquisitie voor een nog op te richten zorgonderneming van een medeverdachte, heeft de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Het verweer dat de doorzoeking van de woning onrechtmatig zou zijn geweest, is verworpen omdat dit geen steun vindt in het dossier.

De rechtbank kwalificeert de gedragingen als medeplegen van oplichting (feit 1, art. 326 jo. 47 Sr) en medeplegen van poging tot oplichting (feit 2, art. 326 jo. 45 jo. 47 Sr), beide meermalen gepleegd. De bewezenverklaarde bedragen wijken naar beneden af van de tenlastelegging, die uitging van 111.860,18 euro voor het voltooide delict en 126.646,01 euro voor de poging.

Zaak B: het vervalste coronatestbewijs

Naast de pgb-zaak is de verdachte veroordeeld voor het opzettelijk afleveren en voorhanden hebben van een vervalst geschrift in de zin van artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het ging om een zogenoemde Health Statement van Corona Testservice, gedateerd 4 juni 2021 en op naam gesteld van een kennis van de verdachte. De rechtbank baseert zich onder meer op een WhatsApp-conversatie waarin de verdachte aanbiedt een 'reisverklaring' te 'fixen' en op de verklaring van de geadresseerde dat in de betreffende periode geen PCR-test bij hem is afgenomen. Dat de eindverbruiker het document uiteindelijk niet zou hebben gebruikt, doet aan de strafbaarheid niet af: het delict is voltooid met het afleveren of voorhanden hebben van het valse geschrift, in de wetenschap dat het bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Strafmotivering en overschrijding redelijke termijn

Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank zwaar dat de verdachte zijn vertrouwenspositie als SVB-medewerker heeft misbruikt en dat het ging om gemeenschapsgeld bestemd voor kwetsbare zorgontvangers. Bij de straftoemeting is aangesloten bij straffen in soortgelijke zaken en bij de hoogte van het (beoogde) benadelingsbedrag. De rechtbank acht een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan drie voorwaardelijk, in beginsel passend en geboden.

De redelijke termijn is in deze zaak geschonden. De rechtbank rekent de aanvang van de redelijke termijn vanaf de doorzoeking van de woning op 19 april 2022, op welke datum ook de aanhoudingen plaatsvonden. Tot het vonnis is bijna vier jaar verstreken, terwijl de redelijke termijn in deze zaak op twee jaar is gesteld. Omdat de overschrijding niet aan de verdachte is toe te rekenen, compenseert de rechtbank deze door het onvoorwaardelijk deel van de straf te verlagen, waarmee de uiteindelijke gevangenisstraf op acht maanden uitkomt, waarvan drie voorwaardelijk. Dat is conform de eis van het Openbaar Ministerie. De verdediging had verzocht om een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk zou zijn aan het reeds ondergane voorarrest, eventueel aangevuld met een taakstraf.

Plaats binnen het bredere onderzoek

Het vonnis past in een bredere reeks van pgb-fraudezaken die de afgelopen jaren door de Nederlandse Arbeidsinspectie onder gezag van het Functioneel Parket is onderzocht. Karakteristiek voor deze zaak is dat de fraude niet primair werd gepleegd door externe partijen, maar door medewerkers van de uitvoeringsinstantie zelf, met gebruikmaking van de aan hun functie verbonden toegangsrechten. Het feit dat de drie betrokken SVB-medewerkers verschillend zijn afgedaan, namelijk via een strafbeschikking, een gevangenisstraf van vier maanden waarvan twee voorwaardelijk en de hier besproken acht maanden waarvan drie voorwaardelijk, illustreert de variatie die mogelijk is bij de waardering van de individuele rol, het concrete benadelingsbedrag en bijkomende feiten. In dit geval kwam daar de valsheid van een coronatestbewijs bij, een feit dat de rechtbank uitdrukkelijk heeft meegewogen vanwege het belang dat in de samenleving aan dergelijke documenten werd toegekend en het volksgezondheidsbelang dat daarmee gemoeid was.

Print Friendly and PDF ^