Profijtontneming na structurele onderbetaling van uitzendkrachten: hof betrekt schaduwadministratie en soortgelijke feiten bij schatting van het voordeel
/Gerechtshof Den Haag 11 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2943
Het gerechtshof Den Haag stelt op 11 juni 2024 in hoger beroep het wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene vast op € 258.710,95 na een veroordeling wegens feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift door een rechtspersoon. De betrokkene drijft een uitzendbureau dat aan werknemers met Oost-Europese namen een nettoloon betaalt dat lager is dan het wettelijk minimumloon, waarbij het verschil via de onderneming aan hemzelf toekomt. Het hof baseert de schatting op het verschil tussen het uitbetaalde nettoloon en het wettelijk minimumloon in de periode van 2014 tot en met oktober 2016. Naast de bewezen verklaarde feiten betrekt het hof ook andere soortgelijke feiten in de schatting waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan, mede op grond van een professioneel opgezette schaduwadministratie. Wegens overschrijding van de redelijke termijn met bijna vijf jaar matigt het hof de betalingsverplichting met € 16.250. Het hof legt de betrokkene een betalingsverplichting op van € 242.460,95 en bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1080 dagen.
Inleiding en context
Het gerechtshof Den Haag wijst arrest in een ontnemingszaak (profijtontneming) tegen een betrokkene, een in 1972 geboren natuurlijk persoon. De zaak dient in hoger beroep, nadat de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 18 september 2023 het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op € 258.710,95 en een betalingsverplichting heeft opgelegd van € 242.460,95. Namens de betrokkene is tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. De ontnemingszaak vloeit voort uit een onderliggende strafzaak waarin de betrokkene bij gelijktijdig gewezen arrest is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wegens het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. De betrokkene drijft een uitzendbureau dat aan werknemers een netto uurloon betaalt dat lager is dan het wettelijk minimum uurloon. Het verschil komt ten goede aan het bedrijf en via deze onderneming aan de betrokkene zelf. De valsheid in geschrift betreft salarisspecificaties en valse kwitanties op naam van een vijftal werknemers, die zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie. De uitspraak is gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad in cassatie (ECLI:NL:HR:2026:800).
Tenlastelegging en wettelijk kader
In een ontnemingsprocedure is geen sprake van een tenlastelegging. De vordering strekt tot vaststelling en ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de voet van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dat artikel maakt het mogelijk voordeel te ontnemen dat is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld, alsmede uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene voordeel heeft verkregen op de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden en ontleent daaraan tevens de schatting van het voordeel.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De oorspronkelijke vordering houdt in dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 259.474,23 en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat. In hoger beroep vordert de advocaat-generaal dat het vonnis wordt bevestigd, met uitzondering van de hoogte van de betalingsverplichting. Volgens de advocaat-generaal dient de betalingsverplichting te worden vastgesteld op € 258.710,95, nu de compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn reeds in de gelijktijdig behandelde strafzaak heeft plaatsgevonden en deze daarom niet ook in de ontnemingszaak hoeft te worden verdisconteerd.
Standpunt van de verdediging
De uitspraak bevat geen expliciet uitgewerkt standpunt van de verdediging. Uit het arrest blijkt wel dat op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord die hebben verklaard dat zij wel het hogere salarisbedrag hebben ontvangen, waarmee de verdediging kennelijk de omvang van de fraude heeft betwist.
Oordeel gerecht
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank om proces-economische redenen en doet opnieuw recht. Het hof oordeelt dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de in de onderliggende strafzaak begane feiten en uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Er zijn voldoende aanwijzingen dat binnen het bedrijf, onder de feitelijke leiding van de verdachte, in dezelfde periode ten aanzien van meerdere werknemers met Oost-Europese namen soortgelijke feiten zijn gepleegd. Meerdere werknemers hebben verklaard dat op deze wijze werd gefraudeerd. De in de woning en auto van de betrokkene en op de computer van het bedrijf aangetroffen loonlijsten wijzen er bovendien op dat de betrokkene in de periode 2014 tot en met 2016 structureel fraude heeft gepleegd. Op die lijsten staan extra kolommen die niet met de boekhouder zijn gecommuniceerd. Het hof merkt deze kennelijke schaduwadministratie aan als professioneel opgezet en als illustratief voor de structurele en georganiseerde werkwijze van de betrokkene. Aan de verklaringen van de op verzoek van de verdediging gehoorde getuigen kent het hof onvoldoende gewicht toe, omdat hun namen in de aangetroffen loonlijsten zijn opgenomen en de betrokkene geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de afwijking tussen die administratie en de stukken die hij bij de boekhouder heeft aangeleverd. Het hof berekent het voordeel aan de hand van het verschil tussen het uitbetaalde nettoloon en het wettelijk minimumloon in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 oktober 2016, waarbij in het voordeel van de betrokkene wordt uitgegaan van een uitbetaald nettoloon van € 6,50 per uur.
Bewezenverklaring
In een ontnemingsprocedure vindt geen bewezenverklaring plaats. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast aan de hand van de volgende bedragen:
Over het jaar 2014: € 85.902,04
Over het jaar 2015: € 82.503,37
Over het jaar 2016 (tot en met 31 oktober): € 91.068,82
Totaal: € 259.474,23
In mindering wegens dubbel op de loonlijst opgenomen bedragen bij een van de werknemers: € 763,28
Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 258.710,95.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, nu de berechting in eerste aanleg niet binnen twee jaren heeft plaatsgevonden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de betrokkene op 3 november 2016 bekend is geworden met het conservatoir beslag dat ten laste van hem op een auto van een van zijn ondernemingen is gelegd, en daarmee tevens met de mogelijkheid van een ontnemingsvordering. Nu de rechtbank op 18 september 2023 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg met circa vier jaren en tien maanden overschreden. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof met de rechtbank aanleiding deze overschrijding te compenseren door de betalingsverplichting te matigen met een bedrag van € 16.250. Het hof legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 242.460,95 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, wordt bepaald op 1080 dagen. Het hof grondt zijn beslissing op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Lees hier de volledige uitspraak.
You said: verwerk ook deze uitspraak in de samenvatting
ECLI:NL:GHDHA:2024:2942 Uitspraak delen Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak 11-06-2024 Datum publicatie 01-06-2026 Zaaknummer 22-002878-20 Formele relaties Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:801 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie De verdachte heeft zich sc
pasted
verwerk ook deze uitspraak in de samenvatting
19:34
Claude responded: SEO-samenvatting
Gevalideerd nieuwe uitspraak en samengesteld uitgebreide juridische samenvatting
Gevalideerd nieuwe uitspraak en samengesteld uitgebreide juridische samenvatting
SEO-samenvatting
Het gerechtshof Den Haag veroordeelt op 11 juni 2024 in hoger beroep de feitelijk leidinggever van een uitzendbureau wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Het bureau betaalt vijf uit Oost-Europa afkomstige werknemers een nettoloon van € 6,50 per uur, ver onder het wettelijk minimumloon, en legt dit vast in valse salarisspecificaties en kwitanties. De verdachte laat werknemers blanco kwitanties ondertekenen waarop later hogere, niet uitbetaalde bedragen worden ingevuld. Het hof acht de verklaringen van de vijf werknemers betrouwbaar en vindt daarin steun in een professioneel opgezette schaduwadministratie en in onderzoek aan de kwitanties. Het benadelingsbedrag bedraagt ruim € 258.000, hetgeen volgens de LOVS-oriëntatiepunten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden rechtvaardigt. Wegens forse overschrijding van de redelijke termijn in beide instanties matigt het hof de straf tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Titel
Valsheid in geschrift bij uitzendbureau: hof veroordeelt feitelijk leidinggever voor structurele onderbetaling van Oost-Europese arbeidsmigranten onder het minimumloon
Verwijzing naar de uitspraak
Gerechtshof Den Haag 11 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2942
Inleiding en context
Het gerechtshof Den Haag wijst arrest in de strafzaak tegen een verdachte, een in 1972 geboren natuurlijk persoon, die feitelijk leiding geeft aan een uitzendbureau. De zaak dient in hoger beroep, nadat de rechtbank Rotterdam de verdachte bij vonnis van 8 oktober 2020 ter zake van het primair tenlastegelegde heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Namens de verdachte is tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Het betreft de onderliggende strafzaak die gelijktijdig is behandeld met de ontnemingszaak tegen dezelfde betrokkene (ECLI:NL:GHDHA:2024:2943). De feiten betreffen de bedrijfsadministratie van het uitzendbureau, waarin valse salarisspecificaties en kwitanties zijn opgenomen ten aanzien van vijf werknemers. Deze uit Oost-Europa afkomstige werknemers ontvangen een uurtarief onder het minimumloon en verkeren als arbeidsmigrant in een kwetsbare en afhankelijke positie. De uitspraak is gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad in cassatie (ECLI:NL:HR:2026:801).
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt primair verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door het bedrijf opzettelijk valselijk opmaken, doen opmaken of vervalsen van een deel van de bedrijfsadministratie in de periode van 1 januari 2014 tot en met 3 november 2016, te Venlo en elders in Nederland, al dan niet tezamen en in vereniging, meermalen gepleegd. De valsheid bestaat erin dat in de administratie salarisspecificaties en bijbehorende kwitanties op naam van vijf met name genoemde werknemers zijn opgenomen waarop een loonbedrag gebaseerd op het wettelijk minimum uurloon is vermeld, terwijl in werkelijkheid een lager loon op basis van een netto uurloon van € 6,50 is betaald, en waarbij op de kwitanties na ondertekening door de werknemers een hoger bedrag is ingevuld dan daadwerkelijk is uitbetaald. Subsidiair is hetzelfde feitencomplex ten laste gelegd als het valselijk opmaken van de salarisspecificaties en kwitanties zelf. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrift), in samenhang met de artikelen 51 (strafbaarheid van de rechtspersoon en de feitelijk leidinggever) en 57 (meerdaadse samenloop), alsmede de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert dat het vonnis wordt bevestigd, met uitzondering van de straf, en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs. Daartoe voert zij aan dat de getuigenverklaringen van de vijf in de tenlastelegging genoemde werknemers onbetrouwbaar zijn en dat verder geen betrouwbaar steunbewijs voorhanden is. Daarnaast betwist de verdediging de betrouwbaarheid van het onderzoek aan de kwitanties. Ter zitting in hoger beroep verzoekt de raadsman om getuigen te horen voor het geval het hof bij de strafoplegging rekening houdt met andere dan de in de tenlastelegging genoemde salarisspecificaties en kwitanties.
Oordeel gerecht
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwerpt het bewijsverweer. De vijf gehoorde getuigen verklaren in grote lijnen eensluidend over de gang van zaken rondom de uitbetaling van hun salaris. In de kern houdt die verklaring in dat met de verdachte een netto loonafspraak van € 6,50 per gewerkt uur is gemaakt, dat het salaris in 2014 en 2015 wekelijks contant werd betaald door de verdachte, diens zoon of incidenteel de medeverdachte, en dat de werknemers blanco kwitanties moesten ondertekenen waarop pas later, en hoger dan het werkelijk ontvangen bedrag, een loonbedrag werd ingevuld. Vanaf 2016 verloopt de betaling via de bank, waarna de werknemers het verschil tussen het overgemaakte bedrag en de nettoloonafspraak weer contant aan de verdachte moeten afstaan. Het hof acht deze verklaringen voldoende geloofwaardig en betrouwbaar en acht onderlinge beïnvloeding niet aannemelijk. De verklaringen vinden steun in elkaar en in de bij de verdachte aangetroffen loonlijsten, waarop kolommen voorkomen die het verschil berekenen tussen het loon volgens de salarisspecificaties en het loon volgens de nettoloonafspraak. Voorts vinden zij steun in het onderzoek aan de kwitanties, waaruit blijkt dat daarop wel doordrukken van namen en handtekeningen van andere werknemers staan, maar geen doordrukken van de genoteerde geldbedragen, hetgeen erop duidt dat die bedragen later zijn ingevuld. Aan de verklaringen van de op verzoek van de verdediging gehoorde getuigen die stellen wel het hogere bedrag te hebben ontvangen, kent het hof onvoldoende gewicht toe, omdat ook hun namen in de aangetroffen loonlijsten staan en de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de afwijking ten opzichte van de bij de boekhouder aangeleverde stukken. Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen:
Het feitelijk leiding geven aan het door het uitzendbureau in de periode van 1 januari 2014 tot en met 3 november 2016, te Venlo en elders in Nederland, opzettelijk valselijk opmaken, doen opmaken of vervalsen van een deel van de bedrijfsadministratie, meermalen gepleegd.
Het in die administratie opnemen van valse salarisspecificaties en kwitanties op naam van vijf werknemers, met daarop een loonbedrag gebaseerd op het wettelijk minimum uurloon, terwijl in werkelijkheid een lager nettoloon van € 6,50 per uur werd betaald.
Het op die kwitanties na ondertekening door de werknemers invullen van een loonbedrag dat hoger was dan het bedrag dat zij daadwerkelijk ontvingen.
Het handelen met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, acht het hof niet bewezen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof legt de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Bij de strafmotivering betrekt het hof in het bijzonder dat de verdachte gedurende een langere periode misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare en afhankelijke positie van de uit Oost-Europa afkomstige werknemers en daarbij enkel oog heeft gehad voor eigen financieel gewin, nu het ten onrechte niet uitbetaalde salaris hem ten goede is gekomen. Daarnaast heeft de verdachte het vertrouwen geschaad dat het maatschappelijk verkeer, waaronder het UWV en de Belastingdienst, in een bedrijfsadministratie moet kunnen stellen. Het hof acht de fraude ten aanzien van de vijf werknemers representatief voor het merendeel van de uit het onderzoek naar voren komende valse stukken en stelt vast dat de aangetroffen loonlijsten wijzen op structurele fraude in de periode 2014 tot en met 2016. De daarop voorkomende, niet met de boekhouder gecommuniceerde extra kolommen vormen een professioneel opgezette schaduwadministratie die de structurele en georganiseerde werkwijze toont en heeft geleid tot een benadelingsbedrag van ruim € 258.000. Het hof merkt deze grootschalige fraude aan als een strafverzwarende omstandigheid. Het verzoek van de raadsman om aanvullend getuigen te horen wijst het hof af, omdat het onvoldoende is geconcretiseerd en onderbouwd. Aan de hand van de LOVS-oriëntatiepunten, die bij een benadelingsbedrag tussen € 250.000 en € 500.000 uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden, en gelet op het blanco strafblad voor soortgelijke feiten, acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM matigt het hof deze straf echter. De termijn vangt aan op 3 november 2016 met het binnentreden van de woning, waarna de rechtbank op 8 oktober 2020 vonnist (overschrijding van ongeveer een jaar en elf maanden), terwijl ook de behandeling in hoger beroep, na het instellen daarvan op 22 oktober 2020 tot het eindarrest van 11 juni 2024, met circa een jaar en acht maanden is overschreden. Hoewel het opgelegde aantal maanden nominaal hoger is dan de eis van de advocaat-generaal, valt het onvoorwaardelijke deel door het voorwaardelijke gedeelte lager uit dan de gevorderde acht maanden.
